Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX0817

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
24-001740-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van een poging tot zware mishandeling en 2 pogingen tot moord dan wel doodslag.

Veroordeling voor mishandeling met voorbedachten rade tot een gevangenisstraf van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001740-11

Uitspraak d.d.: 9 juli 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 11 augustus 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 januari 2012, 5 maart 2012 en 21 juni 2012 voortgezet op 25 juni 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 62 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. G.C. Pol, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

hij,

op of omstreeks 2 maart 2011,

te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente],

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon, genaamd [benadeelde], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd heeft geschopt en/of getrapt;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij,

op of omstreeks 2 maart 2011,

te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente],

tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk mishandelend een persoon te weten [benadeelde], al dan niet na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd heeft geschopt en/of getrapt en/of tegen diens hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij,

op of omstreeks 2 maart 2011,

te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente],

op de openbare weg, de [straat], ongeveer ter hoogte van perceel nummer 117, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon, genaamd [benadeelde], van het leven te beroven, na kalm beraad en rustig overleg met behulp van een vuurwapen een kogel in de rug, althans het lichaam, van die [benadeelde] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte],

op of omstreeks 2 maart 2011,

te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente],

op de openbare weg, de [straat], ongeveer ter hoogte van perceel nummer 117,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde], van het leven te beroven, met behulp van een vuurwapen een kogel in de rug, althans het lichaam, van die [benadeelde] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen, daar opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte] met een door hem, verdachte bestuurd, motorrijtuig te vervoeren naar de plaats van het misdrijf en/of (vervolgens) die [benadeelde] met dat door hem bestuurde motorrijtuig heeft klemgereden, althans heeft gedwongen te stoppen en/of (daarna) heeft getracht die [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, althans te mishandelen;

3.

hij,

op of omstreeks 2 maart 2011,

te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente],

op de openbare weg, de [straat], ongeveer ter hoogte van perceel nummer(s) 33/35, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon, genaamd [benadeelde], van het leven te beroven,

met behulp van een vuurwapen een kogel in de richting van het lichaam, van die [benadeelde] heeft afgevuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte],

op of omstreeks 2 maart 2011,

te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente],

op de openbare weg, de [straat], ongeveer ter hoogte van perceel nummer(s) 33/35, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade een persoon, genaamd [benadeelde], van het leven te beroven,

met behulp van een vuurwapen een kogel in de richting van het lichaam, van die [benadeelde] heeft afgevuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen, daar opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte] met een door hem, verdachte bestuurd, motorrijtuig te vervoeren naar de plaats van het misdrijf en/of (vervolgens) die [benadeelde] met dat door hem bestuurde motorrijtuig heeft klemgereden, althans heeft gedwongen te stoppen en/of (daarna) heeft getracht die [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, althans te mishandelen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Feit 1 primair

De verdachte dient van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken nu niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte jegens het slachtoffer een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel in het leven hebben geroepen. De vraag of zodanige kans zich heeft voorgedaan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. In dit geval staat vast ten eerste, dat het slachtoffer feitelijk geen letsel heeft opgelopen door het handelen van de verdachte en ten tweede, dat het hoofd van het slachtoffer ten tijde van het schoppen van de verdachte door een helm werd beschermd.

Feiten 2 en 3

Voor een bij de verdachte aanwezig opzet om het slachtoffer van het leven te beroven ontbreekt wettig en overtuigend bewijs, zodat hij van de feiten 2 en 3, zowel primair als subsidiair, moet worden vrijgesproken. De aanwezigheid van zodanig opzet bij de verdachte kan niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat hij, de verdachte, met de door hem bestuurde auto het slachtoffer heeft klemgereden en het slachtoffer heeft mishandeld, waarna de medeverdachte, na te zijn uitgestapt, op het slachtoffer is gaan schieten.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de onder 1 subsidiair ten laste gelegde voorbedachte raad, wordt het volgende overwogen.

Verdachte is volgens de verklaring van aangever [benadeelde] opgetreden als bestuurder van de auto waarmee aangever [benadeelde], rijdend op een scooter, werd klemgereden. Aangever heeft zijn scooter ter plaatse van het klemrijden laten liggen en is weggerend. Verdachte is uit de auto gestapt en heeft te voet een achtervolging ingesteld. Aangever is na ongeveer 90 meter ten val gekomen, is ingehaald door verdachte en zonder verdere aanleiding direct door verdachte getrapt op de wijze zoals zal worden bewezen verklaard. Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat het klemrijden plaats had ten einde de mishandeling te kunnen realiseren. Tussen het klemrijden en de mishandeling heeft de verdachte zich gedurende enige tijd kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte mishandelde anders dan in een opwelling.

Aldus acht het hof de voorbedachte raad bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging gekregen, dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair.

hij op 2 maart 2011, te [plaats], opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend een persoon, te weten [benadeelde], na kalm beraad en rustig overleg, meermalen tegen het hoofd heeft getrapt, waardoor die [benadeelde] pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met voorbedachte raad. Hij heeft het slachtoffer [benadeelde] met een auto klemgereden en, toen het slachtoffer op de vlucht sloeg, hem te voet achtervolgd totdat hij ten val kwam. Vervolgens heeft verdachte [benadeelde] meermalen tegen zijn hoofd getrapt. Door zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de fysieke integriteit van [benadeelde].

Blijkens een uittreksel justitiële documentatie d.d. 25 mei 2012 is verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.529,96. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij ziet op door het hof niet bewezen verklaarde feiten.

Het hof zal de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering in zijn vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door

mr. J.J. Beswerda, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. W. Foppen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse, griffier,

en op 9 juli 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.