Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX0531

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
200.099.940/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek moeder om met minderjarige te mogen verhuizen naar het buitenland wordt door de rechtbank en hof afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 21 juni 2012

Zaaknummer 200.099.940

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H.M.A.W. Erven, kantoorhoudende te Lelystad,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

Belanghebbende:

Bureau Jeugdzorg Flevoland,

kantoorhoudend te Lelystad,

hierna te noemen: BJZ.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 11 oktober 2011 (zaaknummer 167324/FA RK 10-330) heeft de rechtbank te Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, - voor zover hier van belang - het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige [kind], geboren [in 1999], te mogen verhuizen naar het buitenland, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 5 januari 2012, heeft de moeder verzocht de beschikking van 11 oktober 2011 te vernietigen voor zover het de afwijzing van het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing naar het buitenland betreft en opnieuw rechtdoende te beslissen zoals het hof in goede justitie meent te behoren.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vader geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Hij heeft ter zitting wel mondeling verweer gevoerd.

Het hof heeft geen kennisgenomen van een aan het hof door de vader toegezonden fax d.d. 17 februari 2012. Deze fax is op 17 februari 2012 door de griffie van het hof aan de vader teruggezonden met een mededeling dat dergelijke stukken alleen via een advocaat kunnen worden ingediend.

Het hof heeft de minderjarige [kind] in de gelegenheid gesteld om haar mening over de zaak te geven. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is op 29 mei 2012, voorafgaand aan de zitting, gehoord door een raadsheer-commissaris.

Ter zitting van 29 mei 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door mr. Erven, en de vader. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) heeft zich in het kader van zijn adviserende taak doen vertegenwoordigen door de heer W. Kelderhuis. Hoewel opgeroepen is namens BJZ niemand verschenen.

De beoordeling

De nagekomen stukken

1. Artikel 1.4.3. van het procesreglement verzoekschrift¬procedures familiezaken gerechtshoven schrijft voor dat nadere stukken zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen worden overgelegd.

2. Op 21 mei 2012 is een brief met bijlagen gedateerd 16 mei 2012 van mr. Erven bij de griffie van het hof binnengekomen. Zoals het hof ter zitting al heeft meegedeeld, zijn deze stukken gelet op de inhoud van genoemd artikel te laat ingediend. Er zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die ertoe leiden dat deze, in afwijking van de hoofdregel, alsnog bij de beoordeling in hoger beroep in aanmerking dienen te worden genomen. Het hof zal de brief met bijlage buiten beschouwing laten.

De vaststaande feiten

3. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren, [kind 2] [in 1996] en [kind] [in 1999]. Het huwelijk tussen partijen is op 3 december 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 18 november 2009 in de registers van de burgerlijke stand.

4. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. Bij echtscheidingsconvenant d.d. 12 november 2009 zijn de vader en de moeder overeengekomen dat [kind 2] bij de vader blijft wonen en dat [kind] bij de moeder gaat wonen. De omgangsregeling tussen de niet verzorgende ouder en de kinderen, thans ook wel zorgregeling genoemd, is in het convenant vastgelegd in artikel 2 onder 6.

5. Op 29 januari 2010 heeft de moeder zich tot de rechtbank gewend met het verzoek haar vervangende toestemming te verlenen om met [kind] te verhuizen naar het buitenland. De vader heeft zich hiertegen verweerd. Bij zelfstandig verzoek heeft de vader de rechtbank verzocht te bepalen dat voor het geval de moeder wenst te verhuizen naar het buitenland of elders in Nederland, [kind] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben.

6. Ter gelegenheid van de zitting bij de rechtbank van 9 maart 2010 zijn partijen overeengekomen een mediationtraject in te gaan. De rechtbank heeft daarop bij beschikking van 8 april 2010 de zaak aangehouden en partijen verzocht haar te informeren over de resultaten van de mediation. De mediation is beëindigd zonder dat partijen erin zijn geslaagd overeenstemming te bereiken. De rechtbank heeft hierna, bij beschikking van 11 februari 2011, de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of en zo ja in hoeverre een verhuizing van [kind] naar Engeland meer of minder in haar belang is dan de situatie waarin zij bij de vader in Nederland zal wonen en daarbij tevens te betrekken de belangen van [kind 2] die zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft, en de rechtbank hierover te adviseren.

7. Op 31 mei 2011 heeft de moeder de omgang tussen [kind] en haar vader stopgezet.

8. De raad heeft de rechtbank bij rapportage van 12 juli 2011 geadviseerd het verzoek met betrekking tot vervangende toestemming voor een verhuizing van [kind] naar het buitenland af te wijzen. Daarnaast heeft de raad geadviseerd om, mits de moeder in Nederland blijft wonen, de hoofdverblijfplaats van [kind] bij de moeder te bepalen en een omgangsregeling vast te stellen conform de afspraken die de ouders in het convenant hebben vastgelegd.

De raad heeft naar aanleiding van zijn onderzoek de rechtbank tevens verzocht om [kind 2] en [kind] onder toezicht te stellen van BJZ.

9. Bij beschikking van 30 augustus 2011 zijn [kind 2] en [kind] op verzoek van de raad voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van BJZ.

10. Het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing is door de rechtbank bij de bestreden beschikking van 11 oktober 2011 afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat een verhuizing van [kind] naar het buitenland niet alleen niet in haar belang is, maar ook niet in het belang van [kind 2]. Volgens de rechtbank valt niet in te zien dat er bij verhuizing naar Engeland een werkbare omgangsregeling tot stand zal komen tussen de vader en [kind] enerzijds en [kind 2] en [kind] anderzijds. Bovendien heeft de moeder de noodzaak van een vertrek naar Engeland naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Met betrekking tot de omgangsregeling tussen de kinderen en de niet verzorgende ouder heeft de rechtbank bepaald dat deze in het kader van de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door en op aanwijzing van de gezinsvoogd.

Tegen deze beschikking is het hoger beroep van de moeder gericht. Haar beroep richt zich uitsluitend tegen het afwijzen van het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing naar het buitenland.

De overwegingen

11. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW), dient het hof in een geschil als het onderhavige tussen ouders die gezamenlijk zijn belast met het gezag, een zodanige beslissing te nemen als in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De belangen van de minderjarige dienen hierbij een eerste overweging te vormen. Conform vaste rechtspraak dient de rechter echter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

12. Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige en een nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.

* het standpunt van de moeder

13. De moeder is van mening dat er geen reden is om [kind] samen met de moeder niet te laten verhuizen naar Engeland.

Zij wijst er op dat de verhuizing goed is voorbereid en dat [kind] gewend is aan het idee dat ze met haar moeder naar Engeland gaat. Ook spreekt [kind] vloeiend Engels. [kind] zal, aldus de moeder, een veilige en bij haar al bekende woonomgeving en een goede school in Engeland hebben. Met haar huidige vriendinnetjes kan zij kan contact onderhouden via sociale media. De moeder kan in Engeland, anders dan in Nederland, zonder problemen werk vinden in haar sector. De moeder stelt dat zij [kind] weliswaar stimuleert tot omgang met de vader, maar dat [kind] dit niet wil. De moeder acht echter een zorgregeling vanuit Engeland van een maal per drie weken mogelijk en is bereid de vliegtickets te betalen. Daarnaast kan een regelmatig contact plaatsvinden via webcam, skype en andere communicatiemiddelen, tussen [kind], de vader en [kind 2].

* het standpunt van de vader

14. De vader wil niet dat de moeder samen met [kind] verhuist naar Engeland. Hij is niet alleen bezorgd om [kind], maar ook om [kind 2] die geen contact heeft met zijn moeder en zus en hen beiden definitief dreigt te verliezen door de verhuizing.

* het standpunt van de raad

15. De raad acht het vooralsnog niet in het belang van [kind] dat zij met haar moeder verhuist naar Engeland. De raad wijst er daartoe op dat de kinderen zich niet vrij voelen in het contact met de ouder die hen niet verzorgt en last hebben van loyaliteitsproblemen. In verband daarmee doet [kind] wat hoort bij een loyaliteitsconflict: bij haar leeft een "wij-zij"-gevoel (dit geldt mutatis mutandis ook voor [kind 2] ) waardoor een ontspannen contact met de vader erg wordt bemoeilijkt. De raad acht het onontbeerlijk dat het contact tussen [kind] en de vader wordt hersteld en dat de loyaliteitsproblemen worden teruggedrongen voorafgaand aan een eventuele verhuizing naar Engeland. Hiervoor zal dan ook ruimte moeten worden gemaakt. De raad wijst erop dat liefde en betrokkenheid tussen een niet verzorgende ouder en een op afstand wonend kind op zich wel mogelijk is, maar dat is in dit geval niet haalbaar zonder voorafgaand traject van contactherstel. Als er geen basis voor contactherstel is gelegd, zo stelt de raad, zal het vertrek naar Engeland een breuk opleveren in het contact.

* het oordeel van het hof

16. Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting en in het bijzonder gelet op hetgeen de raad naar voren heeft gebracht komt het hof tot het oordeel, de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, dat het verzoek tot vervangende toestemming om met [kind] te verhuizen naar het buitenland moet worden afgewezen. Het hof is het eens met de mening van de raad dat eerst sprake moet zijn van voldoende contactherstel tussen [kind] en haar vader en [kind 2], voordat een verhuizing van [kind] naar het buitenland aan de orde kan komen, wil zo'n verhuizing niet nadelig voor [kind] zijn. Daarbij heeft het hof het volgende meegewogen.

17. Het hof overweegt dat het in het algemeen voor een goede en even¬wichtige ontwikkeling van een kind essentieel is dat het kind goede omgang heeft met beide ouders en diens broers en zussen.

18. Reeds in eerste aanleg is gebleken dat de ouders niet goed met elkaar communiceren en dat zij niet in staat zijn een goede zorgregeling tot stand te brengen tussen de kinderen en de niet-verzorgende ouder. Zelfs het contact tussen de kinderen onderling ontbreekt.

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking bepaald dat de zorgregeling tussen de kinderen en de niet verzorgende ouder door en op aanwijzing van de gezinsvoogd dient te worden uitgevoerd.

19. Het hof constateert en betreurt dat het de aangewezen gezinsvoogd niet is gelukt om een goede zorgregeling tot stand te brengen en dat diens bemoeienissen lijken te zijn weggeëbd. Anderzijds is uit de contacten die er wel zijn geweest gebleken dat er perspectief is. Zo is in het bijzonder voor alle betrokkenen duidelijk geworden dat [kind] behoefte heeft aan duidelijke afspraken omtrent de omgang. Ook moet zij erop kunnen vertrouwen dat vader en [kind 2] zich aan die afspraken zullen houden.

20. Het hof acht het dan ook positief dat beide ouders ter zitting kenbaar hebben gemaakt het belang van een goede zorgregeling in te zien en hebben aangegeven zich gezamenlijk te zullen inspannen om BJZ te bewegen om hun de vereiste hulpverlening te bieden. Dit neemt overigens niet weg dat ouders een eigen verantwoordelijkheid hebben die zij ook moeten nemen. Het hof wil er daarom nogmaals en met nadruk op wijzen dat het voor een goede ontwikke¬ling van [kind] van essentieel belang is dat zij vrij en onbelast contact kan hebben met haar vader en haar broer. Het initiatief tot deze contacten kan niet, zoals de moeder bij herhaling te kennen heeft gegeven, worden overgelaten aan [kind] en/of BJZ. Ditzelfde geldt overigens, mutatis mutandis, voor [kind 2] en de vader. De verantwoordelijkheid voor de totstandkoming en uitvoering van omgangs¬contacten ligt bij de ouders en zij dienen zich beiden daarvoor ten volle in te zetten, zo nodig met inschakeling van de benodigde hulpverlening.

21. De door de moeder aangevoerde argumenten hebben het hof er niet van kunnen overtuigen dat het in het belang van [kind] is om niet te lang te wachten met de verhuizing en dat de gewenste zorgregeling - onder duidelijke richtlijnen en regels - ook vanuit Engeland tot stand kan worden gebracht.

Gelet hierop ziet het hof ook geen reden om zijn beslissing, zoals de moeder ter zitting heeft voorgesteld, aan te houden voor een periode van zes weken om af te wachten of het in die periode lukt om onder begeleiding BJZ alsnog een werkbare zorgregeling tot stand te brengen. Een voldoende contactherstel van structurele aard zal binnen een dergelijke korte termijn niet gerealiseerd kunnen worden.

Daarbij zij opgemerkt dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat een verhuizing van [kind] met haar moeder naar het buitenland onder de huidige omstandigheden niet alleen niet in haar belang is, maar ook niet in het belang van [kind 2].

Het hof vindt het belang van [kind] en [kind 2] in deze zwaarder wegen dan het belang van de moeder om te verhuizen naar het buitenland.

Slotsom

22. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, A.W. Beversluis en

D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 juni 2012 in bijzijn van de griffier.