Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX0456

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
200.096.142/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:CA1970, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:3635
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Man en vrouw komen in 1996 een levenslange partneralimentatie met een niet-wijzigingsbeding overeen. Man doet in 2011 een beroep op het bepaalde in artikel 1:159 lid 2 BW. Hof: dit beroep is in strijd met de goede procesorde.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 159
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 28 juni 2012

Zaaknummer 200.096.142

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.B. Sluijs, kantoorhoudende te Leiden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.J.C. Schutte, kantoorhoudende te Groningen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 27 juli 2011 (zaaknummer 84894/FA RK 11-362) heeft de rechtbank Assen de man veroordeeld tot betaling van een bedrag aan achterstallige alimentatie en vakantiegeld van in totaal € 38.470,04 (tot en met de maand februari 2011) en met ingang van 1 maart 2011 tot betaling van een maandelijks aan de vrouw uit te keren bijdrage van

€ 2.840,07, jaarlijks te vermeerderen met de in de maand mei te betalen bruto bijdrage van € 1.549,13 aan vakantiegeld.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 25 oktober 2011, heeft de man verzocht de beschikking van 27 juli 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 1 december 2009 op nihil wordt gesteld, dan wel met ingang van 1 december 2009 een bijdrage vast te stellen, dan wel een afbouwregeling te bepalen zoals het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 22 december 2011, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van dit hoger beroep.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief met bijlagen van mr. Schutte van 27 februari 2012, een brief met bijlagen van 2 maart 2012 van mr. Sluijs en een brief met bijlagen van 5 maart 2012 van mr. Schutte.

Ter zitting van 16 maart 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, mr. Sluijs, de vrouw en mr. Schutte. Mr. Sluijs heeft pleitaantekeningen overgelegd.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn met elkaar gehuwd [in 1977]. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 maart 1997 in de registers van de burgerlijke stand op 7 juli 1997.

2. Bij echtscheidingsconvenant van 7 oktober 1996 zijn partijen het volgende overeengekomen:

"2.1. Partijen zijn overeengekomen, dat de man voor het levensonderhoud van de vrouw ten titel van alimentatie een bedrag ad f. 5.500 bruto per maand zal betalen, alsmede een bedrag ad f. 3.000,- bruto per jaar als vakantiegeld voor het eerst in de maand mei 1995.

2.2. Partijen zijn overeengekomen dat per 1 januari 1997 gedurende een periode van 5 (vijf) jaren de wettelijke indexeringsregeling van toepassing is.

2.3. De aan de vrouw toekomende alimentatie zal de man blijven betalen tot de datum van overlijden van de vrouw, tenzij de vrouw hertrouwt, dan wel duurzaam is gaan samenwonen met een andere levenspartner in de zin van artikel 1:160 BW. De alimentatieplicht van de man vervalt eerst na 6 maanden samenwoning van de vrouw. De vrouw dient de man op de hoogte te stellen van de samenwoning. Indien de vrouw een levenspartner heeft met wie zij niet samenwoont in vorenbedoelde zin, maar met wie zij wel kosten deelt, wordt in onderling overleg door partijen de alimentatie van de vrouw op een lager bedrag vastgesteld. Dit zal worden vastgelegd in een door de man en de vrouw ondertekende schriftelijke verklaring." (…)

"6.3 Partijen doen over en weer afstand van hun recht tot nietigverklaring, vernietiging en wijziging of ontbinding van deze overeenkomst."

3. Bij de echtscheidingsbeschikking van 19 maart 1997 is de man veroordeeld om aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van f. 5.500,- per maand, thans € 2.840,07, alsmede f. 3.000,-, thans € 1.549,13, per jaar als vakantiegeld te voldoen.

4. Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 10 februari 2011, heeft de vrouw verzocht de man te veroordelen de onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen conform de tussen partijen gesloten overeenkomst van 7 oktober 1996 met ingang van 1 december 2009, de man mitsdien te veroordelen tot betaling van een bedrag aan achterstallige alimentatie en vakantiegeld van in totaal € 38.470,04 (tot en met februari 2011), en met ingang van 1 maart 2011 de man te veroordelen tot betaling van een maandelijks aan de vrouw bij vooruitbetaling te betalen bijdrage van € 2.840,07, jaarlijks te vermeerderen met de in de maand mei te betalen bruto bijdrage van € 1.549,13 aan vakantiegeld.

5. De man heeft een verweerschrift ingediend strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van de vrouw in haar verzoek, dan wel tot het afwijzen van het verzoek. Tevens heeft de man verzocht, onder verwijzing naar de beschikking van de rechtbank van 19 maart 1997 en de tussen partijen gesloten overeenkomst van 7 oktober 1996, de alimentatieverplichting van de man met ingang van 1 december 2009 op nihil te stellen, dan wel een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. Ter zitting van de rechtbank heeft de man zijn verzoek aangevuld in die zin dat hij verzoekt de alimentatieverplichting van de man met ingang van 1 december 2009 op nihil te stellen, dan wel met ingang van de datum van de door de rechtbank te wijzen beschikking, met daarbij de bepaling dat de alimentatieverplichting van de man wordt gesteld op hetgeen de man tot op heden heeft voldaan, dan wel een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw vast te stellen, met ingang van een zodanige datum, als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

6. De rechtbank heeft daarop beslist als hiervoor onder "Het geding in eerste aanleg" is vermeld.

Het oordeel van het hof

De procedurele gang van zaken in eerste aanleg

7. De man heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet binnen de gestelde termijn de nadere stukken heeft ingediend. Het hof overweegt dat de man geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn processuele klacht omdat de man thans in hoger beroep de zaak in volle omvang ter beoordeling aan het hof heeft voorgelegd. Het hoger beroep strekt er mede toe om eventuele processuele onvolkomenheden in eerste aanleg, wat daar in het onderhavige geval ook van zij, te herstellen.

Ten aanzien van de brief met bijlagen van 2 maart 2012 van de man

8. De vrouw heeft aangevoerd dat de brief van de man van 2 maart 2012 met als bijlagen de stukken inzake de schorsingsprocedure ten onrechte door de man is ingebracht in deze procedure, nu een toelichting daarop ontbreekt. Anders dan de vrouw heeft gesteld, neemt het hof kennis van deze stukken, nu deze binnen de termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand voor de zitting zijn ingediend. Naar het oordeel van het hof is de vrouw niet in haar processuele belangen geschaad, aangezien duidelijk is waarvoor de stukken dienen en de vrouw derhalve op de inhoud van de stukken had kunnen reageren.

Ten aanzien van de nakoming van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage

9. Anders dan de man heeft gesteld, is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de vrouw tot aan de datum van het door de man ingediende verzoekschrift erop mocht vertrouwen dat hij aan zijn verplichtingen zou voldoen en dat niet van de vrouw kan worden verlangd dat zij afziet van nakoming van de op de man rustende verplichting. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing hieromtrent heeft overwogen en neemt die motivering over.

10. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting acht het hof het aannemelijk dat de vrouw een lening is aangegaan omdat zij niet meer in de kosten van haar levensonderhoud kon voorzien, nadat de man is opgehouden met het betalen van alimentatie. De man heeft gesteld dat de vrouw de schuldbekentenis is aangegaan op 3 april 2009 en dat hij pas per 1 december 2009 geen alimentatie meer betaalde, zodat volgens hem vast staat dat de lening geen enkel verband houdt met het niet betalen van de alimentatie. De vrouw heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op 3 april 2009 een bedrag heeft geleend voor een verbouwing, en dat zij daarna een geldbedrag heeft geleend omdat zij vanwege de omstandigheid dat de man geen alimentatie meer betaalde, niet meer in de kosten van haar levensonderhoud kon voorzien. De vrouw heeft verklaard dat deze schuld inmiddels is opgelopen tot € 50.300,-. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat - voor zover er sprake is van een lening - de vrouw niet gehouden is om deze terug te betalen gezien de omstandigheid dat zij de lening is aangegaan bij haar levenspartner, aangezien de vrouw deze stelling voldoende gemotiveerd heeft betwist.

Uitleg convenant

11. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het van belang is om eerst vast te stellen wat het echtscheidingsconvenant van 7 oktober 1996 behelst. De uitleg die de rechtbank aan het convenant geeft, komt in het kort hierop neer,

a. dat partijen beoogd hebben een aan de duur van het leven van de vrouw gekoppelde op de man rustende onderhoudsverplichting te bewerkstelligen;

b. dat bij de bepaling van de hoogte van de door de man te betalen bijdrage bewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven en

c. dat in bedoeld convenant een niet-wijzigingsbeding als bedoeld in art. 1:159 lid 3 BW is opgenomen.

Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing hieromtrent heeft overwogen en neemt die motivering over. In hetgeen de man heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om anders te beslissen dan de rechtbank.

12. De man heeft wat betreft de duur van de onderhoudsverplichting (hierboven onder a) in appel bij de uitleg van het convenant een beroep gedaan op de tekst van een eerdere versie van het convenant (1994), waarin een aantal omstandigheden waren genoemd waarin de overeengekomen alimentatie kon worden gewijzigd. Het convenant van 1994 is echter vervangen door het convenant dat in 1996 door partijen is ondertekend, waarin dit niet meer aan de orde komt. De stelling dat het convenant van 1996 met dezelfde intentie tot stand is gekomen, acht het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt.

13. Het hof is zoals gezegd met de rechtbank van oordeel dat partijen in het echtscheidingsconvenant van 7 oktober 1996 een niet-wijzigingsbeding in de zin van artikel 1:159 lid 3 BW zijn aangegaan. Het door de man gestelde dat hij al gedurende 17 jaar alimentatie betaalt, hetgeen ongebruikelijk is in het licht van de Wet Limitering Alimentatie, dat hij een gezin met vier kinderen heeft te onderhouden, alsmede dat de vrouw inmiddels weer deelneemt aan het maatschappelijke verkeer, doet daar niet aan af.

14. De man heeft gesteld dat het niet-wijzigingsbeding is vervallen, aangezien de overeenkomst is aangegaan voor de indiening van het verzoek tot echtscheiding en de indiening niet binnen drie maanden na de overeenkomst is ingediend. Het hof overweegt hierover als volgt.

15. Uit de beschikking van 19 maart 1997 blijkt dat het verzoekschrift tot echtscheiding op 17 januari 1997 is ingediend, derhalve meer dan drie maanden na het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant waarin de alimentatieovereenkomst en het niet-wijzigingsbeding is opgenomen. Weliswaar is de overeenkomst aangegaan voor de indiening van het verzoek tot echtscheiding en is de indiening niet binnen drie maanden na de overeenkomst ingediend, maar naar het oordeel van het hof is het in strijd met de goede procesorde dat de man zich thans op het vervallen verklaren van het niet-wijzigingbeding beroept, nu hij jarenlang de afgesproken onderhoudsbijdrage heeft betaald en de vrouw derhalve mocht vertrouwen op de geldigheid van het convenant van 7 oktober 1996. Gelet op het voorgaande gaat het hof voorbij aan de stelling van de man dat het niet-wijzigingsbeding op grond van artikel 1:159 lid 2 BW is vervallen.

Situatie rechtens

16. Gezien voornoemde uitleg van het convenant zijn art. 1:159 lid 3 en art. 401 lid 2 BW van toepassing. Voor de door de man gewenste wijziging van het convenant is nodig een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

17. Uit de parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie blijkt dat daarbij gedacht moet worden aan een 'zeer ingrijpende wijziging van omstandigheden'. Er moet sprake zijn van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de wederpartij de verzoeker aan het beding zou houden. De vraag of aan dit criterium wordt voldaan dient te worden beantwoord aan de hand van afweging van alle bijzonderheden van het geval, in onderlinge samenhang beschouwd.

In een procedure waarin in weerwil van een beding als bedoeld in art. 1: 401 lid 2 of 1:159 lid 3 BW wijziging van de overeengekomen bijdrage wordt verzocht, moeten volgens vaste jurisprudentie zware eisen worden gesteld zowel aan de stelplicht van de partij die de wijziging verzoekt als aan de motivering door de rechter die de ingrijpende beslissing neemt dat deze partij niet langer kan worden gehouden aan een overeenkomst waarvan zij nu juist in een uitdrukkelijk beding had aanvaard dat deze niet voor wijziging vatbaar was, met als mogelijk bijkomend gevolg dat door deze beslissing eventuele bij diezelfde overeenkomst getroffen regelingen betreffende andere financiële gevolgen van de echtscheiding eveneens op losse schroeven komen te staan.

Beoordeling criteria

18. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de man in het licht van het voorgaande zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

19. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende onderbouwd dat hij onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te kunnen voldoen. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat hij geen inkomsten uit arbeid en vermogen genereert en in grote financiële problemen verkeert, omdat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie.

20. De man heeft ervoor gekozen om zijn positie als partner van een advocatenkantoor op te geven voor een functie in de politiek met een beduidend lager inkomen. Daarna is het inkomen van de man verder gedaald.

De man heeft gesteld dat (appellants) Associates B.V., waarvan de man middellijk (enig) aandeelhouder is, en waarvoor de man werkzaam is, niet in staat is zijn salaris uit te keren. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende stukken overgelegd om te kunnen vaststellen dat hij geen inkomsten uit arbeid ontvangt. De man heeft zijn aangifte inkomstenbelasting 2009 en 2010 en aangifte vennootschapsbelasting 2010 inzake de ondernemingen Hacienda Holding B.V., (appellants) Associates B.V. (voorheen Abogacia B.V.), Ruben Allard B.V., waarvan hij (middellijk) aandeelhouder is, overgelegd, alsmede een loonstrook d.d. 31 oktober 2011 waarop is vermeld dat zijn salaris niet kon worden uitgekeerd, de jaarstukken over 2010 inzake Hacienda Holding B.V., de beknopte balans na winstdeling 2010 inzake Hacienda Holding B.V., (appellants) Associates B.V. en Ruben Allard B.V., stukken en emailberichten van de ABN AMRO Bank en een brief van de accountant van 19 november 2010. Tevens heeft hij financiële stukken overgelegd die betrekking hebben op zijn financiële situatie van meer dan drie jaar geleden. Het had echter op de weg van de man gelegen zijn stelling te onderbouwen met, conform artikel 2.1.1. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, de meest recente jaaropgave en de drie meest recente loonopgaven, de vastgestelde jaarrekeningen over de laatste drie jaren inzake Hacienda Holding B.V., Ruben Allard B.V. en (appellants) Associates B.V., en eventuele voorlopige cijfers, ook tussentijdse, alles met toelichting. Dat heeft de man nagelaten.

21. Daarnaast is het hof van oordeel dat de man gelet op zijn opleidingsniveau en werkervaring - de man is jarenlang als advocaat werkzaam geweest alsmede enige tijd in de politiek - in staat moet worden geacht een inkomen te verwerven dat toereikend is om de overeengekomen onderhoudsbijdrage te voldoen.

22. Gebleken is dat de man ongeveer 35 onroerende goederen in Nederland, Frankrijk en Spanje in eigendom heeft en dat hij een aantal panden heeft verhuurd. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat hij geen inkomsten uit zijn vermogen genereert, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Weliswaar heeft de man een overzicht verstrekt van inkomsten en uitgaven met betrekking tot verhuurd onroerend goed in Nederland, Spanje en Frankrijk, maar hij heeft dit overzicht onvoldoende nader met stukken onderbouwd. Het hof acht de overgelegde stukken daartoe onvoldoende. Het hof gaat met verwijzing naar de eerder genoemde verzwaarde stelplicht van de man voorbij aan de stelling van de man dat het ondoenlijk is om ten aanzien van al zijn onroerende zaken bewijsstukken van inkomsten en uitgaven te verstrekken, zodat hij daarom slechts ten aanzien van een aantal verhuurde panden stukken heeft overgelegd. Nu de man degene is die stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de overeengekomen onderhoudsbijdrage en bij beschikking van 19 maart 1997 vastgestelde onderhoudsbijdrage te voldoen, ligt het gelet op de betwisting door de vrouw op de weg van de man om zijn stelling met voldoende stukken te onderbouwen. Dat de man niet voldoet aan zijn (verzwaarde) stelplicht, wat er ook zij van de reden daarvan, dient voor zijn rekening en risico te komen.

23. Het hof concludeert dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 lid 2 of art. 1:159 lid 3 BW.

24. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding een deskundige te benoemen om het inkomen dan wel het vermogen van de man vast te stellen, zoals de man ter zitting heeft verzocht.

Proceskostenveroordeling

25. Het hof ziet in het door de vrouw aangevoerde geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in zaken als de onderhavige dat ieder der partijen de eigen kosten van het geding draagt. Derhalve zullen, nu partijen ex-echtgenoten, de kosten van het geding in beide instanties worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Slotsom

26. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in beide instanties draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, voorzitter, I.A. Vermeulen en H. Lenters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 juni 2012 in bijzijn van de griffier.