Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX0427

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
200.094.620/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap. In de periode voor de definitieve echtscheiding onttrekt man grote bedragen aan een bankrekening . Man laat na het verloop van het saldo te verantwoorden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 19 juni 2012

Zaaknummer 200.094.620

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Nieuwstraten,

kantoorhoudende te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P. van Bommel,

kantoorhoudende te Franeker.

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Leeuwarden van 30 maart 2011 en 29 juni 2011 (zaaknummer: 88026 / FA RK 08-440), zoals bij partijen bekend.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 28 september 2011, heeft de man verzocht de beschikkingen van 30 maart 2011 en 29 juni 2011 te vernietigen voor zover het betreft de vaststelling dat het saldo op de rekening nr. 531A483599 van de Attijariwafabank in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap dient te worden betrokken, alsmede de vaststelling dat het saldo op 31 mei 2007 van 1.470.446,96 Dirham in de verdeling wordt betrokken in plaats van het saldo op 10 juli 2008 van 181.343,51 Dirham en de vaststelling van de waarde van de Peugeot 307 van € 9.000,-, en opnieuw beslissende, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dit toelaat, te bepalen dat:

- het saldo op de rekening nr. 531A483599 van de Attijariwafabank niet in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap betrokken dient te worden, subsidiair bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap slechts het saldo op rekening nr. 531A483599 van de Attijariwafabank op 10 juli 2008, van 181.343,51 Dirham te betrekken;

- de waarde van de auto vast te stellen op een lager bedrag;

- het bedrag aan overbedeling overeenkomstig het voorgaande opnieuw vast te stellen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 15 december 2011, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de grieven van de man in hoger beroep worden afgewezen, althans ongegrond worden verklaard en de beschikkingen van de rechtbank Leeuwarden d.d. 30 maart 2011, alsmede 29 juni 2011, voor wat betreft de grieven van de man worden bekrachtigd.

Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikkingen van 30 maart 2011 en 29 juni 2011 te vernietigen voor wat betreft de vaststelling van de wisselkoers van het saldo van bankrekeningnummer 531A483599 (Attijariwafabank) en opnieuw beslissende te bepalen dat:

- wordt uitgegaan van de wisselkoers van mei 2007, zijnde 11,- Dirham voor € 1,-, zodat ter verdeling staat 1.470.446,96 Dirham, zijnde in Nederlandse valuta een bedrag ad € 133.677,09, van welk bedrag de vrouw de helft toekomt, zijnde € 66.838,55, alsmede;

- de waarde van de Peugeot 307 wordt vastgesteld op € 10.300,- zonder dat geldleningen, dan wel andere bedragen, hierop in aftrek worden genomen, weshalve aan de vrouw een bedrag ad € 5.150,- toekomt;

- met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 januari 2012, heeft de man het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder:

- een brief met bijlagen van 1 november 2011 van mr. Nieuwstraten;

- een faxbericht van 19 december 2011 van mr. Nieuwstraten;

- een brief met bijlagen van 1 maart 2012 van mr. Nieuwstraten;

- een brief met bijlagen van 12 maart 2012 van mr. Van Bommel;

Het hof heeft vervolgens een comparitie van partijen gelast, welke op 16 maart 2012 ten overstaan van een raadsheer-commissaris heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken.

Ten slotte heeft de vrouw op 4 april 2012, binnengekomen bij de griffie van het hof op 5 april 2012, en de man op 24 april 2012, binnengekomen bij de griffie van het hof op 25 april 2012, een akte na comparitie van partijen in principaal en incidenteel appel genomen.

Met partijen is ter comparitie van 16 maart 2012 afgesproken dat geen nadere mondelinge behandeling van de zaak zou plaatsvinden.

De beoordeling

Zonder vertaling overgelegde documenten

1. Op grond van artikel 1.1.7 van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven dient bij stukken die in een vreemde taal zijn gesteld, een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal te worden gevoegd, tenzij het eenvoudig leesbare stukken betreft gesteld in de Engelse, Franse of Duitse taal.

2. Namens de man zijn bij brief van 1 maart 2012 een viertal producties overgelegd, opgesteld in de Arabische en de Franse taal, terwijl namens de vrouw bij brief van 12 maart 2012 een tweetal producties zijn overgelegd, opgesteld in de Arabische en Franse taal. Nu deze producties niet zijn voorzien van een beëdigde vertaling en de producties die in de Franse taal zijn opgesteld, geen eenvoudig leesbare stukken betreffen, zal het hof deze stukken buiten beschouwing laten.

3. De stelling van de man dat hij, ondanks meerdere pogingen daartoe, er niet in is geslaagd een vertaler te vinden die bijlage B bij zijn brief van 1 maart 2012 kan vertalen, omdat het betreffende stuk is opgesteld in oud, ambtelijk Arabisch dat moeilijk te vertalen is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het ontbreken van een (beëdigde) vertaling van dit stuk staat in de weg aan kennisname van de inhoud daarvan. Kennisname en waardering van dit stuk is immers zonder vertaling niet op deugdelijke wijze mogelijk. Bij gebreke hiervan kan niet worden aangenomen dat de vrouw in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld kennis te nemen van het stuk en zich daarover uit te laten.

Vaststaande feiten

4. Partijen zijn op 2 juli 2004 in de gemeente Leeuwarden met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit de voorhuwelijkse relatie van de man en de vrouw is op 10 juni 2000 de minderjarige Amar Meziane Taoufik geboren.

5. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit, de man heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.

6. In juni 2007 zijn partijen feitelijk gescheiden gaan wonen.

7. De vrouw heeft op 12 maart 2008 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend en zij heeft daarbij nevenvoorzieningen verzocht. De man heeft op 21 mei 2008 een verweerschrift ingediend, tevens houdende zelfstandig tegenverzoek.

8. Op 18 juni 2008 heeft de rechtbank Leeuwarden bij beschikking de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 10 juli 2008 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, zodat op deze datum het huwelijk van partijen is ontbonden.

9. Bij beschikkingen van 30 maart 2011 en 29 juni 2011 heeft de rechtbank beslist omtrent de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Tegen deze beschikkingen is het principaal appel van de man en het incidenteel appel van de vrouw gericht.

Peildatum

10. De rechtbank heeft bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap voor de omvang van de gemeenschap de peildatum vastgesteld op de datum van ontbinding van het huwelijk, zijnde 10 juli 2008. Omdat partijen geen grief gericht hebben tegen de door de rechtbank bepaalde peildatum, zal het hof van dezelfde peildatum uitgaan. De rechtbank heeft geen aparte peildatum voor de waardering van de gemeenschap opgenomen. Zij gaat echter voor de waardering van de verschillende boedelbestanddelen uit van dezelfde peildatum, te weten 10 juli 2008, zoals blijkt uit de beschikkingen van 30 maart 2011 en 29 juni 2011. Ook hiertegen hebben partijen geen grief gericht.

De geschilpunten

11. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de rekening bij de Attijariwafabank met rekeningnummer 531A483599;

- de Peugeot 307.

De rekening bij de Attijariwafabank met rekeningnummer 531A483599

12. De man stelt zich op het standpunt dat de gelden op deze Marokkaanse bankrekening niet in de verdeling betrokken dienen te worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rekening is gevoed door stortingen vanuit een erfenis die hij van zijn ouders heeft ontvangen. De man meent dat deze erfenis naar Marokkaans recht dient te worden behandeld nu verkrijgingen krachtens erfrecht naar Marokkaans recht nooit deel uit kunnen maken van een huwelijksgemeenschap. De man stelt dat hij er derhalve vanuit heeft mogen gaan dat de gelden ook na het huwelijk met de vrouw van de huwelijksgemeenschap uitgesloten zouden blijven.

13. De vrouw betwist de stelling van de man dat het saldo op de Marokkaanse rekening is gevoed door stortingen uit een erfenis. De vrouw stelt daartoe dat het mede gelet op het feit dat het saldo op die rekening per 31 januari 2006 de stelling van de man geenszins ondersteunt - in de rede had gelegen dat de man het saldoverloop op de bankrekening had weergegeven, met nadrukkelijke verduidelijking van de herkomst van de stortingen. Uit het bankafschrift d.d. 31 mei 2007 blijkt genoegzaam dat de man op 4 mei 2007 een bedrag van 24.000,- Dirham en op 24 mei 2007 een bedrag van 988.610,- Dirham op voornoemde rekening heeft gestort, waardoor het saldo per 31 mei 2007 is gestegen tot 1.470.446,96 Dirham. De man heeft voor deze stijging geen andere verklaring gegeven dan dat hij dit bedrag klaarblijkelijk heeft 'geërfd'. De man heeft nagelaten hierover nadere informatie te verstrekken, terwijl evenmin overschrijvingsbewijzen, notariële akten of testamenten, waaruit de juistheid van de stellingen van de man blijkt, zijn overgelegd. Evenmin heeft de man aangetoond op welke juridische grondslag het Marokkaanse recht daadwerkelijk van toepassing is.

14. Ter comparitie heeft de man verklaard dat de onbebouwde grond die hij heeft geërfd van zijn moeder, die in maart of april 1993 is overleden, in 1998 is verkocht en dat de man dientengevolge als erfgenaam een bedrag van 300.000 Dirham uit de verkoopopbrengst is toegekomen. Een deel van dit bedrag heeft hij voor vakanties gebruikt, het restant is op de Marokkaanse bankrekening gestort. De vader van de man is naar hij meent in 2000 overleden. Voordien heeft de man van hem een appartement in Fez geschonken gekregen. Het restant van het tegoed op de bankrekening in Marokko is - zo heeft de man ter comparitie verklaard - door hem in de loop der jaren bijeen gespaard, bijvoorbeeld uit zijn inkomsten als leraar.

15. In het licht van het gemotiveerde verweer van de vrouw en hetgeen de man ter comparitie heeft verklaard, heeft de man zijn stelling dat het saldo op de Marokkaanse bankrekening geheel dan wel deels is gevoed door de erfenis van zijn ouders naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Immers, de man heeft zelf verklaard dat een groot deel van het op 31 mei 2007 aanwezige saldo is gevormd uit zijn spaartegoeden, terwijl hij heeft nagelaten aan te tonen dat het overige deel van het tegoed op de rekening is gevormd door een door de man verkregen erfenis, of erfenissen. Tot dit oordeel draagt bij dat de mutaties op de rekening, voor zover bekend, niet in lijn zijn met hetgeen de man omtrent de herkomst van de gelden heeft gesteld.

16. Nu de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat het op 31 mei 2007 aanwezige saldo op de Marokkaanse bankrekening is gevormd door (een) erfenis(sen) welke hij van zijn ouders zou hebben verkregen, komt het hof aan de bespreking van de stelling van de man dat deze (beweerdelijke) erfenissen naar Marokkaans recht behandeld dienen te worden, niet meer toe.

17. Voor zover de man zich subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat het saldo op de bedoelde rekening op grond van verknochtheid buiten de huwelijksgemeenschap valt, heeft hij daartoe onvoldoende gesteld, zodat zijn beroep op verknochtheid wordt verworpen.

18. De man heeft voorts nog aangevoerd dat hij het saldo op grond van de Marokkaanse regelgeving niet kan overboeken naar een Nederlandse rekening en daarbij niet over gelden in Nederland beschikt waarmee hij het bedrag dat hij uit hoofde van overbedeling aan de vrouw dient te voldoen kan betalen. Dientengevolge brengen de redelijkheid en billijkheid naar de mening van de man met zich dat het geld op de bedoelde rekening niet in de verdeling betrokken mag worden. Het hof onderschrijft deze stelling van de man niet. De door de man gestelde omstandigheden zo al juist - zijn naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat het saldo op de bedoelde rekening buiten de huwelijksgemeenschap dient te blijven.

19. De man heeft ter comparitie nog aangevoerd dat partijen bij het aangaan van het huwelijk uitdrukkelijk hebben besproken dat de vrouw geen aanspraak zou maken op de bezittingen van de man in Marokko. De vrouw heeft het bestaan van deze afspraak ontkend. Zou bedoelde afspraak al vast hebben gestaan, dan zou deze de man evenwel niet baten. Ingevolge artikel 1:100 lid 1 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij echtscheidingsconvenant. Een mondelinge toezegging voor het huwelijk, zo deze al gedaan zou zijn, is dan ook onvoldoende om af te wijken van een verdeling bij helfte.

Het saldo

20. Vast is komen te staan dat de Marokkaanse bankrekening van de man op 31 mei 2007 een positief saldo vertoonde van 1.470.446,96 Dirham terwijl het saldo op deze rekening op 30 juni 2008 181.382,- Dirham bedroeg.

De man stelt dat het saldo op de peildatum, 10 juli 2008, beslissend is, nu partijen in 2007 nog gehuwd waren en de man in dat kader gerechtigd was om uitgaven te doen van de betreffende bankrekening.

21. In de periode van 31 mei 2007 tot 30 juni 2008 is een bedrag ter grootte van 1.289.064,96 Dirham van de betreffende bankrekening afgeschreven. Het hof is van oordeel dat bij een dermate groot verloop van het saldo, in het zicht van de echtscheiding, van de man een deugdelijke toelichting en onderbouwing mag worden verlangd. De man heeft echter, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, ook in hoger beroep het verloop in het saldo op geen enkele wijze toegelicht en onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat de man het opgenomen saldo heeft uitgegeven. Evenmin is door de man gesteld dat het opgenomen saldo op 10 juli 2008 niet langer te zijner beschikking stond. Nu de man tevens heeft nagelaten het verloop van het saldo te verantwoorden gaat het hof er, evenals de rechtbank, vanuit dat het saldo van 1.470.446,96 Dirham op de waarde-peildatum nog in het bezit van de man is geweest, waardoor dit saldo ter verdeling bij helfte in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap valt.

Wisselkoers

22. Het hof komt dan toe aan de bespreking van de eerste incidentele grief van de vrouw. De rechtbank is in de bestreden beschikking van 29 juni 2011 uitgegaan van de wisselkoers van de Dirham op 10 juli 2008. De vrouw is van mening dat, nu de rechtbank bij beschikking van 30 maart 2011 heeft overwogen dat het saldo per peildatum 31 mei 2007, 1.470.446,96 Dirham bedraagt, uitgegaan moet worden van de wisselkoers per mei 2007, zijnde 11,- Dirham per € 1,-, zodat ter verdeling staat 1.470.446,96 Dirham, hetgeen neerkomt op € 133.677,09.

23. Het hof onderschrijft dit standpunt van de vrouw niet. Niet in geschil is dat als waarde-peildatum 10 juli 2008 heeft te gelden. De man heeft genoegzaam aangetoond dat de wisselkoers op deze datum 12,818 Dirham per € 1,- bedroeg, hetgeen neerkomt op 1 Dirham per € 0,0780152. Het hof ziet geen aanleiding om van een andere wisselkoers dan die per waarde-peildatum uit te gaan. Dat het hof het op 31 mei 2007 aanwezige saldo op de Marokkaanse bankrekening in de verdeling betrekt, doet hier niet aan af. Immers, uit het hiervoor in rechtsoverweging 21 vervatte oordeel blijkt dat het hof ervan uit gaat dat het bedrag van 1.470.446,96 Dirham op de peildatum ter beschikking van de man heeft gestaan. De grief van de vrouw treft derhalve geen doel.

De Peugeot 307

24. Partijen hebben in 2006 een Peugeot 307 aangeschaft en hebben deze auto deels gefinancierd met een lening bij Peugeot Lease & Finance (PSA). In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat de auto aan de man is toebedeeld onder voldoening van de helft van de waarde van de auto aan de vrouw. Partijen zijn echter verdeeld gebleven ten aanzien van de waarde van de auto.

25. De man heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte uit is gegaan van een waarde van de Peugeot van € 9.000,-. Hij heeft evenwel nagelaten zijn stelling dat de auto per waarde-peildatum een lagere waarde vertegenwoordigde met bewijsstukken te onderbouwen. De vrouw heeft zich in incidenteel appel op het standpunt gesteld dat uit de door haar geraadpleegde ANWB-koerslijst is gebleken dat de Peugeot in juni 2007 een waarde van € 10.300,- vertegenwoordigde, zodat deze waarde in de verdeling dient te worden betrokken. Bij akte na comparitie heeft de vrouw aangegeven zich te refereren aan een waarde van € 9.000,-, welk bedrag ter verdeling staat.

26. De vrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de lening waarmee de auto destijds is gefinancierd, niet in mindering kan worden gebracht op de waarde van de auto. Zij stelt daartoe dat, anders dan de man in eerste aanleg heeft betoogd, de lening waarmee de auto is gefinancierd reeds voor de peildatum is afgelost. De man heeft in hoger beroep gesteld dat de lening bij PSA inderdaad voor de peildatum door hem is afgelost, maar dat hij, om tot terugbetaling van de lening te kunnen overgaan, een nieuwe lening is aangegaan waarmee rekening gehouden dient te worden. Ter comparitie heeft de man verklaard dat hij de lening voor de auto reeds voor de peildatum heeft afgelost, de nieuwe lening die hij bij de Stichting Jessour is aangegaan had geen betrekking op de auto, maar op lopende kosten en verhuizingen.

27. Nu de man zijn stelling omtrent de waarde van de auto onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl in hoger beroep vast is komen te staan dat de lening die de man voor de financiering van de auto is aangegaan, reeds voor de peildatum is afgelost, ziet het hof geen aanleiding om de waarde van de Peugeot 307 op een ander bedrag vast te stellen dan € 9.000,-, zodat aan de vrouw een bedrag toekomt van € 4.500,- wegens overbedeling van de man. Anders dan de rechtbank houdt het hof dus geen rekening met voornoemde lening. Hetgeen partijen meer of anders hebben aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

De slotsom

28. Op grond van het voorgaande dient de beschikkingen van 29 juni 2011 deels te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden. Nu het gegronde appel niet het dictum maar wel de overwegingen van de beschikking van 30 maart 2011 betreft zal deze beschikking worden bekrachtigd met verbetering van de gronden.

29. Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat partijen ieder met de eigen kosten belast blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt, onder verbetering van de gronden, de beschikking van 30 maart 2011;

vernietigt de beschikking van 29 juni 2011 voor zover de man daarin wegens overbedeling is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van het bedrag van € 48.980,77, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot de dag der voldoening;

en in zoverre opnieuw beslissende:

veroordeelt de man wegens overbedeling tot betaling aan de vrouw van het bedrag van € 52.480,77, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot de dag der voldoening;

bekrachtigt de beschikking van 29 juni 2011 voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat partijen ieder met de eigen kosten belast blijven;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, G.M. van der Meer en G. Jonkman, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 19 juni 2012 in bijzijn van de griffier.