Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW9836

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
200.075.963-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant wordt niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard omdat hij een niet-bestaande rechtspersoon heeft gedagvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 26 juni 2012

Zaaknummer 200.075.963/01

(zaaknummer rechtbank: 382223 CV EXPL 08-15100)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. H.M. Eijking, kantoorhoudende te Laren,

tegen

Brunel Engineering B.V.,

kantoorhoudende te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Brunel Engineering,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 11 oktober 2011 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Nadat in genoemd arrest de zaak naar de rol was verwezen, is door [appellant] een akte uitlating met producties genomen, waarop door Brunel Engineering is gereageerd.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

De omvang van het hoger beroep

Gelet op het petitum van de appeldagvaarding en het gegeven dat geen grieven zijn gericht tegen de in reconventie door de kantonrechter gegeven beslissing, moet het ervoor worden gehouden dat het appel enkel is gericht tegen het vonnis van 16 juni 2010 voor zover in conventie gewezen.

De ontvankelijkheid van [appellant] in hoger beroep

1. [appellant] heeft overgelegd een proces-verbaal van de in eerste aanleg op

9 maart 2009 gehouden zitting alsmede het proces-verbaal van de bij de kantonrechter te Apeldoorn gehouden zitting d.d. 28 april 2011 alwaar het verzoek van Brunel Nederland B.V. (hierna: Brunel Nederland) tot ontbinding van de tussen haar en [appellant] bestaande arbeidsovereenkomst op grond van

art. 7:685 BW is behandeld. [appellant] wijst er in zijn akte op dat partijen in de 7:685-procedure een minnelijke regeling zijn overeengekomen "met dien verstande dat de tussen partijen lopende procedure bij het Gerechtshof te Leeuwarden zal worden uitgeprocedeerd met behoud van het recht op cassatie." Uit deze zinsnede blijkt duidelijk dat Brunel Nederland zichzelf als procespartij in de onderhavige procedure beschouwt, aldus [appellant]. In elk geval heeft Brunel Nederland volgens [appellant] redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat zij is gedagvaard en als de wederpartij van [appellant] in deze procedure heeft te gelden. [appellant] heeft verder aangevoerd dat de kantonrechter tijdens de zitting van 9 maart 2009 uitvoerig met partijen heeft besproken wie als procespartij van [appellant] heeft te gelden en dat Brunel Nederland expliciet te kennen heeft gegeven dat zij zichzelf als in rechte betrokken beschouwde. Brunel Nederland heeft zich nadien ook zo gedragen door aan de veroordeling uit het vonnis in eerste aanleg jegens [appellant] te voldoen. [appellant] wijst verder op de in dezen van belang zijnde jurisprudentie. Ook voert [appellant] aan dat zij het verweer niet goed begrijpt. Mocht het verweer slagen, dan zal Brunel Nederland gedagvaard worden met als enig gevolg een enorme vertraging in de beslechting van het geschil.

2. Brunel Engineering heeft haar verweer gehandhaafd en daartoe aangevoerd dat het feit dat het haar van meet af aan duidelijk is geweest dat [appellant] de procedure tegen de formele werkgever is gestart, onverlet laat dat [appellant] een niet bestaande partij heeft gedagvaard. Om die reden dient [appellant] niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering en haar vordering in hoger beroep. De door [appellant] aangehaalde jurisprudentie ziet op geheel andere situaties dan de onderhavige. Er is in deze zaak geen sprake van een vergissing of een verschrijving. [appellant] wist wie zijn formele werkgever was, te weten Brunel Nederland.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] met het aanhangig maken van de procedure heeft bedoeld zijn werkgever in rechte aan te spreken. Evenmin is in geschil dat [appellant] met het dagvaarden van Brunel Engineering een niet bestaande vennootschap heeft gedagvaard. Uit het proces-verbaal van de zitting van 9 maart 2009 blijkt dat het daarop toegespitste verweer van Brunel Engineering aan de orde is geweest. Uit het proces-verbaal blijkt echter niet dat [appellant] tijdens de zitting om rectificatie heeft verzocht in dier voege dat in plaats van Brunel Engineering Brunel Nederland wordt gelezen. Ook in de kop van de nadien door [appellant] genomen akte heeft [appellant] volhard in het gebruik van de naam 'Brunel Engineering'. Nu [appellant] op geen enkele moment in de procedure in eerste aanleg om rectificatie heeft verzocht en dat ook in de appelprocedure niet heeft gedaan, dient hij in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard. De zinsnede "met dien verstande dat de tussen partijen lopende procedure bij het Gerechtshof te Leeuwarden zal worden uitgeprocedeerd met behoud van het recht op cassatie" in de tussen partijen overeengekomen minnelijke regeling, maakt niet dat tot een andersluidend oordeel moet worden gekomen. Gesteld noch gebleken is immers dat Brunel Nederland daarmee van genoemd verweer afstand heeft gedaan. Dit blijkt ook niet uit het proces-verbaal van de zitting van 9 maart 2009. Feiten en/of omstandigheden die tot een andersluidend oordeel moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. Ook het feit dat Brunel Nederland aan de in het beroepen vonnis uitgesproken veroordeling heeft voldaan, maakt niet dat tot een andersluidend oordeel moet worden gekomen. Het staat immers vast dat Brunel Nederland de werkgever van [appellant] is en het kan de niet bestaande vennootschap niet worden tegengeworpen dat de formele werkgever zich heeft gedragen overeenkomstig een in feite tegen haar gerichte veroordeling.

4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de door [appellant] tegen het beroepen vonnis aangevoerde grieven geen verdere behandeling behoeven.

De slotsom

5. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en [appellant] dient alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen.

6. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Het geliquideerd salaris van de advocaat van Brunel Engineering zal in eerste aanleg worden gesteld op 3 punten à

€ 300,00 per punt en in hoger beroep op 1 punt naar tariefgroep III.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in conventie gewezen

en opnieuw rechtdoende:

verklaart [appellant] alsnog niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde Brunel Engineering:

in eerste aanleg op € 0,00 aan verschotten en € 900,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep op € 263,00 aan verschotten en € 1.158,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, J.H. Kuiper en

M.C.D. Boon-Niks en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 26 juni 2012 in bijzijn van de griffier.