Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW9804

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
200.103.489/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit houten vloer. Betwisting van de tekortkoming in weerwil van teveel negatieve deskundigenberichten. De klachten falen. Het hof ziet geen aanleiding tot benoeming van een (derde) deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 26 juni 2012

Zaaknummer 200.103.489/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

V.O.F. Parketcentrum Zwolle,

gevestigd te Zwolle,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: het Parketcentrum,

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.M.L.C. Huisman-de Jong, kantoorhoudende te Zwolle.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 20 mei 2009 en 28 oktober 2009 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 15 januari 2010 is door het Parketcentrum hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 20 april 2010.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, het op 28 oktober 2009 door de Rechtbank Zwolle-Lelystad, onder zaaknummer 153741 tussen partijen gewezen vonnis zowel in conventie als in reconventie te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, in conventie geïntimeerden in conventie alsnog hoofdelijk te veroordelen des dat de één zal hebben betaald de ander zal zijn gekweten om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellante te betalen een bedrag van € 10.236,38 te vermeerderen met de contractuele rente van 1,25% per maand over een bedrag van € 8.189,= vanaf 16 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, althans te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 8.189,= vanaf 16 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede in reconventie geïntimeerden alsnog in hun reconventionele vordering niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel hun reconventionele vordering af te wijzen met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie:

"tot bekrachtiging van het vonnis a quo en tot veroordeling van appellanten in de kosten"

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Het Parketcentrum heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten zijn geen bezwaren aangevoerd, zodat een en ander ook in dit hoger beroep vaststaat. Gelet daarop, en gelet op hetgeen verder onbetwist is gebleven, gaat het hof uit van de volgende feiten.

1.1. Bij overeenkomst van 3 maart 2007 hebben [geïntimeerden] het Parketcentrum opdracht gegeven tot het leveren en leggen van een houten vloer van het merk Di-Legno voor een prijs van € 128,- per vierkante meter.

1.2. In mei 2007 heeft het Parketcentrum een vloer gelegd en daarop een toplaag van OD 13 aangebracht. Aangezien het resultaat niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed, heeft het Parketcentrum in overleg met [geïntimeerden] op 11 en 12 juni 2007 een nieuwe vloer over de eerste gelegd en op 13 juni 2007 behandeld met Solim Wax.

2. Na klachten van [geïntimeerden] heeft het Parketcentrum de vloer op 21 juni 2007 behandeld met een cleaner en OD 13 aangebracht.

3. Bij brief van 6 juli 2007 hebben [geïntimeerden] het Parketcentrum gesommeerd de in deze brief genoemde gebreken binnen 10 dagen te verhelpen bij gebreke waarvan zij zich het recht hebben voorbehouden de overeenkomst te ontbinden.

3.1. Bij factuur van 7 juli 2007 heeft het Parketcentrum een bedrag van € 8.189,- in rekening gebracht.

3.2. Bij brief van 2 augustus 2007 hebben [geïntimeerden] het Parketcentrum opnieuw in gebreke gesteld. Zij hebben het Parketcentrum tot 7 september 2007 de gelegenheid gegeven om de vloer te vervangen. Het Parketcentrum heeft daarop gereageerd bij brief van 24 augustus 2007 en heeft hierin voorgesteld een onafhankelijk expert naar de vloer te laten kijken.

3.3. Op 1 oktober 2007 heeft een expertise plaatsgevonden door de heer A. Hulscher van het Zuid-Nederlandse Expertisebureau (hierna: ZNEB). Bij deze expertise waren beide partijen aanwezig. ZNEB concludeert in het rapport van 29 oktober 2007:

(…)

“Wij constateerden dat de parketvloer er vlekkerig/gelig uitzag waarbij op diverse plaatsen de whitewash c.q. de chemisch verouderingslaag geheel was weggepoetst of opgelost door de eerdere gebruikte producten.

Voorts bleek de vloer in de aanbouw/eetkamer deels losgekomen te zijn van de ondergrond.

Conclusie:

Gelet op het bovenstaande dienen wij vast te stellen dat Partij II (het Parketcentrum, hof) niet naar behoren heeft gepresteerd althans niet naar de eisen van goed en deugdelijk werk, zodat dezelve toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de voor haar uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

Wij zijn van mening, hetgeen door de fabrikant wordt bevestigd, dat herstel van de vloer niet mogelijk is daar door eventueel schuren van de vloer de structuur zal veranderen.

Voorts zal een deel van de parketvloer opnieuw aan de betonvloer dienen te worden verlijmd.

Mogelijk kan door het verwijderen van de toplaag en het aanbrengen van nieuwe toplagen een beter resultaat worden bereikt maar het eindresultaat zal nimmer voldoen aan de gesloten overeenkomst.

Op basis hiervan hebben wij de herstelkosten/waardevermindering van de vloer gesteld op EUR 7.500,00 inclusief BTW.”

3.4. Bij brief van 12 november 2007 hebben [geïntimeerden] de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen.

3.5. Het Parketcentrum heeft op 9 januari 2008 een contra-expertise laten plaatsvinden door de heer A. van Bruggen van Vloertechnisch Adviesbureau. Van Bruggen heeft onder meer gerapporteerd:

"Herstel is alleen mogelijk als de vloer in de origineel uitgekozen kleur wordt behandeld. Hiervoor zou de vloer eerst met een zwarte nylon pet machinaal moeten worden behandeld waarbij de Solim waslaag geheel wordt verwijderd waarna de originele Di-Legno kleur kan worden aangebracht.

Het kleuren van een vloer in het werk is echter niet gemakkelijk en het risico bestaat dat de kleurolie zoals bij de eerste vloer zich ophoopt in de veroudering en de spijkergaatjes.

(…)

“Waarom (…) bij de tweede vloer i.p.v. OD 13, OD 10 gebruikt, is vermoedelijk omdat men de angst heeft anders dat de zelfde problemen als bij de eerste vloer zouden ontstaan.

De Solim waslaag die KPZ hierna aanbrengt is ook niet te verklaren want dit product is van een ander merk als de OD 10.

Om deze waslaag weer te verwijderen past PKZ wascleaner van het merk Lecol toe. Met deze wascleaner wordt echter niet alleen de Solim waslaag verwijderd maar verdwijnt ook gedeeltelijk de inkleuring van het Di-Legno.

Op de bijgevoegde foto is duidelijk te zien dat bij een aantal stroken de originele kleur van Di-Legno is verdwenen en de stroken bruin i.p.v. wit/grijs kleuren.

Ter illustratie is een losse originele strook op de vloer gelegd.

Het is dus terecht dat de familie [geïntimeerden] over het huidige resultaat ontevreden is omdat dit niet beantwoordt aan de keuze die men gemaakt heeft.”

Het geschil

4. Het Parketcentrum heeft in de oorspronkelijke conventie veroordeling van [geïntimeerden] gevorderd tot betaling van € 10.236,38, vermeerderd met rente en kosten. [geïntimeerden] hebben vervolgens in de oorspronkelijke reconventie onder meer veroordeling van het Parketcentrum gevorderd tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Deze laatste vordering is toegewezen, onder afwijzing van de vordering van het Parketcentrum.

Grief I

5. Met de eerste grief bestrijdt het Parketcentrum opnieuw (primair) dat sprake is van een tekortkoming. Zij twijfelt aan de deskundigheid van de beide rapporteurs, ook de door haar zelf ingeschakelde adviseur. Aangevoerd wordt dat de kleur van de vloer er niet door de cleaner is afgegaan en dat de vlekken die door de verouderingslaag zichtbaar zijn, inherent zijn aan het feit dat parket een natuurproduct is. Volgens het Parketcentrum moet het aanbrengen van een laag OD 13 voldoende zijn om de vloer weer grijs te krijgen.

6. Uit de toelichting op de grief blijkt dat het Parketcentrum de conclusies van de deskundigen onderschrijft dat de vloer niet de kleur heeft die deze moet hebben en dat door de verouderingslaag heen bovendien vlekken zichtbaar zijn. Het probleem met de kleur beschouwt het Parketcentrum kennelijk zelf ook als een tekortkoming, zodat dit deel van de grief alleen al om die reden wegens innerlijke tegenstrijdigheid moet stranden. De enkele, ook in hoger beroep niet onderbouwde opmerking dat de vlekken eigen zijn aan het geleverde product, is in het licht van de bevindingen van de deskundigen bovendien ongeloofwaardig. Ook op die constatering dient dit onderdeel van de grief te stranden.

7. Subsidiair verdedigt het Parketcentrum dat de tekortkoming - als daarvan al sprake is - de ontbinding niet rechtvaardigt omdat het probleem door het aanbrengen van een laag OD 13 kan worden opgelost.

8. Dit deel van de grief faalt ook, ten eerste omdat de voorgestelde oplossingsrichting geen steun vindt in de deskundigenrapportages. De deskundigen concluderen immers (daarin gesteund door de fabrikant) dat herstel niet mogelijk is, dan wel dat herstel ingrijpend en risicovol zou zijn. Bij die constatering roept het hof in herinnering dat [geïntimeerden] onbestreden hebben gesteld dat ook een derde, in eerste instantie eveneens door het Parkethuis ingeschakelde deskundige het evenmin heeft aangedurfd de vloer te herstellen (conclusie van antwoord in conventie onder 24 en verder). De grief is wat dit punt betreft verder niet onderbouwd; ten tweede ziet de klacht voorbij aan het feit dat de vloer niet alleen de verkeerde kleur heeft, maar ook vlekken vertoont.

9. Anders dan het Parkethuis, ziet het hof geen enkele aanleiding om haar door benoeming van nog een deskundige een derde kans te bieden om haar gelijk te halen. Aan dat oordeel draagt bij dat het Parketcentrum zelf geen deskundigenoordeel heeft aangedragen dat haar standpunt steunt.

Grief II

10. Voor het geval grief I mocht falen, betoogt het Parketcentrum dat de parketvloeren moeten worden teruggegeven. Omdat [geïntimeerden] er echter inmiddels al vijf jaar gratis gebruik van maken, had de rechtbank de geleverde prestatie volgens het Parketcentrum in het kader van de ongedaanmakingsverplichting van een prijskaartje moeten voorzien en hadden [geïntimeerden] moeten worden veroordeeld tot betaling van € 5.000,-.

11. Het hof vat deze grief op als de onderbouwing van een nieuwe, subsidiaire grondslag van de vordering van het Parketcentrum. Aldus gelezen faalt de grief. Naar geldend recht bestaat geen algemene grondslag voor een vordering voor een gebruiksvergoeding voor de periode dat een vloer als de onderhavige in de woning van de koper heeft gelegen. Feiten en omstandigheden die dat in dit concrete geval anders zouden maken, zijn niet gesteld of gebleken. Dat een gebruiksvergoeding redelijk is, valt evenmin in te zien. [geïntimeerden] hadden weliswaar gedurende meerdere jaren de beschikking over een nieuwe vloer, maar niet over de vloer die zij op grond van de overeenkomst mochten verwachten. Dat wil zeggen, een vloer zonder ontsierende kleurverschillen en vlekken.

De grieven III en IV

12. Omdat het Parketcentrum terecht aanvoert dat de slotgrieven geen zelfstandige betekenis hebben, zal het hof daaraan niet afzonderlijk aandacht besteden. Deze grieven delen daarom het lot van de al behandelde grieven.

De slotsom.

13. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van het Parketcentrum als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tariefgroep II, 1 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt het Parketcentrum in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op € 420,- aan verschotten en € 894,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, K.M. Makkinga en G. van Rijssen, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 juni 2012 in het bijzijn van de griffier.