Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW9798

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
200.075.892-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Daad van bekendheid. Verzet niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 26 juni 2012

Zaaknummer 200.075.892/01

(Zaaknummer rechtbank: 102937 / HA ZA 10-187)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde, eiser in de verzetsprocedure,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. W.R. Kamminga, kantoorhoudende te Oosterwolde,

tegen

[Loonbedrijf]

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres, gedaagde in de verzetsprocedure,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. I. Jager, kantoorhoudende te Hattum.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 7 februari 2012 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellant] heeft afgezien van het horen van getuigen. Hij heeft een akte genomen waarbij hij twee korte schriftelijke verklaringen heeft overgelegd.

[geïntimeerde] heeft een (antwoord) akte genomen

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Bij bedoeld tussenarrest van 7 februari 2012 heeft het hof het er, behoudens door [appellant] te leveren tegenbewijs, voor gehouden dat er voor of uiterlijk op

18 december 2009 sprake was van een zodanige daad van bekendheid met het verstekvonnis dat (zie de geldende jurisprudentie als door de rechtbank genoemd onder overweging 4.3 van het beroepen vonnis) de beroepstermijn vanaf die datum is gaan lopen. Daarbij heeft het hof nog overwogen dat de (enkele) schriftelijke verklaring van de echtgenote van [appellant] (productie bij de memorie van grieven) volstrekt onvoldoende is om als geslaagd tegenbewijs te gelden, alleen al omdat in die verklaring niets wordt vermeld over de met het deurwaarderskantoor gevoerde telefoongesprekken.

2. [appellant] heeft een tweetal korte schriftelijke verklaringen overgelegd, beweerdelijk afkomstig van zijn zoon. De verklaringen zijn voorzien van een handtekening. In de verklaringen wordt aangegeven dat "ondergetekende" (enkel onder de tweede verklaring staat dat het daarbij gaat om [zoon van appellant]) op "26 oktober" respectievelijk op "30 oktober 2009" telefonisch contact heeft gehad met "LAVG [X]" en dat hij die gesprekken niet heeft gedeeld met zijn vader [vader van appellant]. In één verklaring wordt verder vermeld "dat mijn vader voor zover mij bekent, mij nooit gemaild heeft. Mijn vader heeft daar ook niets mee." In de andere verklaring is opgenomen: "Verder bevestig ik dat mijn vader niet met een computer om kan gaan, en ook niet kan mailen."

3. Het hof gaat er vanuit dat beide verklaringen zijn ondertekend door [zoon van appellant], nu de beide verklaringen lijken te zijn voorzien van dezelfde handtekening en nu dien naam en adres [adres] op de tweede verklaring staan vermeld.

4. Nu genoemde [zoon van appellant] niet als getuige is voorgebracht, is zowel de wederpartij als het hof de mogelijkheid onthouden nadere vragen aan [zoon van appellant] te stellen, zodat vragen en onduidelijkheden die de overgelegde verklaringen oproepen, wellicht hadden kunnen worden verduidelijkt. Het gevolg daarvan is dat het hof de beide verklaringen op hun geloofwaardigheid zal hebben te beoordelen enkel op basis van de voorliggende summiere tekst.

5. Zoals ook terecht door [geïntimeerde] is opgemerkt, komt het zonder nadere verklaring - die ontbreekt - niet waarschijnlijk voor dat [zoon van appellant], die klaarblijkelijk op een ander adres woont dan zijn ouders, toevallig beide keren dat [X] van het deurwaarderskantoor (LAVG) contact zocht met [appellant], in zijn ouderlijk huis aanwezig was en de telefoon heeft opgenomen. Ook geven genoemde verklaringen geen antwoord op de vraag wie de e-mails van 3 november 2009 en van 18 december 2009 dan wel heeft verzonden. Als dat [zoon van appellant] zelf was geweest, hetgeen nu de e-mails inhoudelijk aan bedoelde telefoongesprekken refereren voor de hand zou hebben gelegen als [zoon van appellant] de telefoontjes zou hebben aangenomen, had mogen worden verwacht dat hij daaromtrent ook zou hebben verklaard. Als het zijn moeder is geweest, zou deze toch op zijn minst door [zoon van appellant] omtrent de (inhoud van de) telefoongesprekken moeten zijn geïnformeerd. Ook op dat punt vermelden de verklaringen niets. Ten slotte wordt in de verklaringen niet uitgelegd waarom [zoon van appellant] niet aan [X] heeft duidelijk gemaakt dat hij en niet zijn vader aan de telefoon was en waarom hij het heeft over acties die door hem richting Brussel zouden zijn ondernomen en in de responderende mailtjes wordt gerefereerd aan "ons telefoongesprek" en "het telefoongesprek dat ik van u heb ontvangen."

6. Concluderend is het hof van oordeel dat [appellant] er met de overgelegde verklaringen volstrekt niet in is geslaagd het van hem verlangde tegenbewijs te leveren.

7. De grieven treffen derhalve geen doel en de rechtbank heeft op goede groenden geoordeeld dat [appellant] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzet (4.10 van het vonnis van 15 september 2010, waarvan beroep).

De slotsom.

8. Het hof stelt vast dat de rechtbank in het vonnis waarvan beroep haar onder 4.10 genomen beslissing dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzet, niet heeft vertaald in het dictum, waarbij immers het verstekvonnis is bekrachtigd. Nu op dit punt niet is gegriefd zal het hof verstaan dat [appellant] niet ontvankelijk is in zijn verzet en het vonnis, waarvan beroep voor het overige bekrachtigen. [appellant] zal, als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in hoger beroep (kosten advocaat: 2 punten, tarief V). [geïntimeerde] heeft ook aanspraak gemaakt op de beslagkosten, maar nu deze niet zijn onderbouwd, zal het hof aan die vordering voorbij gaan.

De beslissing

Het gerechtshof:

verstaat dat [appellant] niet ontvankelijk is in het door hem ingestelde verzet tegen het verstekvonnis d.d. 19 augustus 2009 (zaaksnummer/rolnummer 97988/HA ZA 09-602);

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 4.210,-- aan verschotten en € 3.262,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

verklaart dit arrest voor wat de proceskosten veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, J.H. Kuiper en M.C.D. Boon-Niks, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 26 juni 2012 in bijzijn van de griffier.