Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW9715

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
BK 11/00033 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

-Was de Inspecteur tot navordering bevoegd?

-Is het lijfrentekapitaal terecht als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen in de bestreden navorderingsaanslag begrepen?

-Is terecht revisierente in rekening gebracht?

-Heeft de Inspecteur de bestreden navorderingsaanslag en beschikking kunnen opleggen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 2061 met annotatie van Kastelein
FutD 2012-1769
V-N Vandaag 2012/1654
Belastingadvies 2012/17.5
V-N 2012/51.14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00033

uitspraakdatum: 26 juni 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 december 2010, nummer AWB 09/2413, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.822. Aan revisierente is daarbij een bedrag berekend van €1.062.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag en de bestreden beschikking revisierente gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 7 december 2010 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede B namens de Inspecteur.

1.7 De gemachtigde van belanghebbende heef een pleitnota overgelegd.

1.8 De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader te onderbouwen.

1.9 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

1.10 Bij brief van 6 februari 2012 met bijlagen heeft belanghebbende zijn standpunt nader onderbouwd. Een afschrift van deze brief met bijlagen is door de griffier van het Hof aan de Inspecteur gezonden, die daarop heeft gereageerd bij schrijven van 21 maart 2012. Een afschrift van deze brief is door de griffier van het Hof aan belanghebbende gezonden, die daarop weer heeft gereageerd bij schrijven van 18 april 2012. Partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting. De voorzitter heeft daarop het onderzoek gesloten.

2. De vaststaande feiten

2.1 In 1997 heeft belanghebbende bij SNS bank (hierna: de verzekeraar) een ‘SNS lijfrentepolis’ afgesloten. In 2003 is de verzekering premievrij gemaakt. Ter zake daarvan is een polisblad verstrekt, dat onder meer vermeldt:

“Ingangsdatum 01-06-1997

Einddatum 01-06-2007

(…)

Clausules

Gerichte lijfrenteverzekering

Deze verzekering kan niet worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of op enigerlei wijze tot voorwerp van zekerheid dienen. (…)

Het lijfrentekapitaal dient slechts als rekengrootheid en kan derhalve niet in contanten worden uitgekeerd, maar wordt, tegen de dan geldende tarieven, uitgekeerd aan de verzekeringnemer in de vorm van een oudedagslijfrente.”

2.2 Belanghebbende heeft op 25 april 2007 een brief van de verzekeraar ontvangen met de mededeling dat de door belanghebbende afgesloten lijfrenteverzekering expireert op 1 juni 2007 en dat per die datum een kapitaal is opgebouwd van € 5.313 (hierna: het kapitaal). In deze brief bood de verzekeraar aan belanghebbende de mogelijkheid de lijfrenteverzekering te verlengen door het bijgevoegde formulier met een attest de vitae terug te zenden, het lijfrentekapitaal te gebruiken voor aankoop van een lijfrente bij SNS Bank, dan wel het lijfrentekapitaal over te dragen aan een andere verzekeringsmaatschappij.

2.3 In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2007 heeft eiser het kapitaal niet aangegeven als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen. De Inspecteur heeft, zonder over de aangifte vragen te stellen, de definitieve aanslag met dagtekening 31 oktober 2008 conform de aangifte opgelegd.

2.4 Per brief van 20 april 2009 heeft belanghebbende het volgende verzoek aan de Inspecteur gedaan:

“Door een misverstand heb ik niet goed gereageerd op een schrijven van de (verzekeraar) van 25 april 2007. Indertijd was ik op een langdurige vakantie. Ik heb gebeld met de (verzekeraar) over nadere info en besloten de lijfrente te verlengen en tot latere uitbetaling over te gaan. Helaas heb ik verzuimd om de papieren in te vullen en terug te sturen. Ik nam aan dat het telefoongesprek voldoende was. Dit blijkt niet zo te zijn en nu heb ik toestemming van uw dienst nodig om tot uitbetaling van de lijfrente over te gaan. (…). Ik verzoek u om alsnog de fiscaal vriendelijke regeling op deze polis toe te passen”.

2.5 In reactie op de onder 2.4 vermelde brief heeft de Inspecteur bij brief van 23 april 2009 aangegeven dat uit de door belanghebbende verstrekte gegevens blijkt dat de lijfrenteverzekering is afgekocht omdat belanghebbende niet binnen zes maanden na expiratiedatum een keuze heeft gemaakt omtrent het aanwenden van het opgebouwde kapitaal. In dat verband kondigt de Inspecteur aan een navorderingsaanslag te zullen opleggen waarbij revisierente in rekening zal worden gebracht. De bestreden navorderingsaanslag is opgelegd met als dagtekening 26 mei 2009.

2.6 Nadat de Rechtbank belanghebbende in het ongelijk heeft gesteld, heeft de ontvanger het uitstel van betaling dat was verleend voor de bestreden navorderingsaanslag, inclusief revisierente, ten bedrage van in totaal € 3.610, vermeerderd met € 287 aan kosten, beëindigd, waarop SNS Reaal deze belastingaanslag heeft betaald en het restant van het lijfrentekapitaal ad €1.944,29, vermeerderd met € 356,23 rente, op 25 november 2011 aan belanghebbende heeft overgemaakt.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

- Was de Inspecteur tot navordering bevoegd?

- Is het lijfrentekapitaal terecht als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen in de bestreden navorderingsaanslag begrepen?

- Is terecht revisierente in rekening gebracht?

- Heeft de Inspecteur de bestreden navorderingsaanslag en beschikking kunnen opleggen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel?

3.2 De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – gestelde vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.3 Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – gestelde vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en tot vernietiging van de bestreden navorderingsaanslag en beschikking revisierente.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd is vermeld in het aangehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt: “Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.”

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende niet te kwader trouw is. Navordering is derhalve alleen mogelijk indien de expiratie van het lijfrentekapitaal de inspecteur niet bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur door de verzekeraar op de hoogte gebracht had moeten worden, maar dat zulks ten onrechte niet is geschied. Vaststaat dus dat de verzekeraar de Inspecteur niet op de hoogte heeft gebracht van de bedoelde expiratie. Naar het oordeel van het Hof, gaat de onderzoeksplicht van de Inspecteur niet zover dat hij in het onderhavige geval eigener beweging de verzekeraar had moeten benaderen om informatie. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de Inspecteur op andere wijze daarvan op de hoogte was of had kunnen zijn. De Inspecteur kon derhalve de bestreden navorderingsaanslag overeenkomstig artikel 16 AWR opleggen.

4.3 Op grond van het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2007; hierna: de Wet) vormen de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen een onderdeel van het (belastbare) inkomen uit werk en woning.

4.4 Artikel 3.133, eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij afkoop van een aanspraak op lijfrente de premies voor die aanspraak die als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek zijn gebracht en het daarover behaalde rendement bij de verzekeringsnemer als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de premies voor de gereleveerde aanspraak op lijfrente en het daarover behaalde rendement in totaal € 5.313 bedragen.

4.5 Vaststaat dat SNS bank/Reaal eerst in 2011 het lijfrentekapitaal namens belanghebbende heeft uitbetaald aan de Belastingdienst respectievelijk heeft uitgekeerd aan belanghebbende. De verzekeraar heeft in 2007 ter zake geen bedrag aan belanghebbende uitbetaald en niet gesteld of gebleken is dat de verzekeraar in 2007 het kapitaal aan belanghebbende zou hebben uitbetaald als hij daarom zou hebben verzocht. De Inspecteur heeft zich evenwel beroepen op het arrest van de Hoge Raad van 16 september 1981, nr. 20.729, LJN: AW9259, BNB 1982/15. In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de begunstigde van een overeenkomst van levensverzekering, recht gevende op een kapitaalsuitkering welke uitsluitend kan worden gebezigd als koopsom voor een lijfrente, bij expiratie van de polis niet in de heffing van de inkomstenbelasting kan worden betrokken, mits de lijfrenteclausule binnen een redelijke termijn ten uitvoer wordt gelegd. De Inspecteur heeft naar aanleiding van dat arrest gesteld dat in casu sprake was van een met afkoop van de polis gelijk te stellen situatie, nu niet binnen een redelijke termijn is verzocht om verlenging van de polis.

4.6 In het onderhavige geval is evenwel geen sprake van een zogenoemde kapitaalverzekering met lijfrenteclausule, doch van een gerichte lijfrente. Blijkens de tot de gedingstukken behorende polis van deze lijfrente is het lijfrentekapitaal op einddatum slechts een rekengrootheid en kan dit kapitaal derhalve niet in contanten worden uitgekeerd, maar wordt de aanspraak slechts uitgekeerd in de vorm van een oudedagslijfrente. Voorts kon de aanspraak niet worden afgekocht.

4.7 Naar het oordeel van het Hof kan onder de genoemde voorwaarden het niet tijdig verzoeken om verlenging van de lijfrenteverzekering dan ook niet worden gelijkgesteld met uitkering van enig kapitaal. Van afkoop of een daarmee gelijk te stellen situatie is dan ook in 2007 geen sprake. De opgelegde navorderingsaanslag moet derhalve worden vernietigd.

4.8 Gelet op het bepaalde in artikel 30i AWR is, gelet op het vorenoverwogene, geen revisierente verschuldigd. De bestreden beschikking dient dan ook te worden vernietigd.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 322 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde van € 161 per punt), € 874 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 437 per punt) en € 874 voor de kosten in hoger beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 437 per punt), ofwel in totaal op € 2.070.

6. Beslissing

Het Hof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– vernietigt de bestreden navorderingsaanslag,

– vernietigt de beschikking revisierente,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.070,

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 41 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 112 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 26 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 juni 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.