Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW9703

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
BK 11/00031 Inkomstenbelasting 2004
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur terecht een bedrag van € 20.000 tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend als looninkomsten dan wel als resultaat uit overige werkzaamheden. Daarnaast is in geschil of de Inspecteur terecht een vergrijpboete heeft opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1710
V-N Vandaag 2012/1569
V-N 2012/46.27.20
FutD 2012-1766
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00031

uitspraakdatum: 26 juni 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 december 2010, nummer AWB 09/3056, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 2004 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.000. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 1.634. Bij beschikking is een vergrijpboete opgelegd van € 2.040.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 december 2010 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en A, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door B (hierna: B), alsmede C namens de Inspecteur, bijgestaan door D.

1.7 De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is gehuwd met E. Hij heeft in het jaar 2004 in dienstbetrekking gewerkt bij “F”, de eenmanszaak van zijn moeder, G (hierna te noemen: F).

2.2 Belanghebbende is in 2004 als enige werknemer werkzaam bij F. Belanghebbende verricht nagenoeg alle werkzaamheden, waaronder die van monteur, bedrijfsleider en administrateur. Bij het voeren van de administratie heeft de accountant van F, B, bijstand verleend.

2.3 Belanghebbende heeft van F een loon toegekend gekregen van € 16.000. Op dit loon heeft F naast de loonheffing en sociale lasten ook een bedrag van € 2.358 ingehouden voor de huur van de tot het ondernemingsvermogen van F behorende woning. Het na inhouding resterende bedrag van het loon van € 9.823 is F aan belanghebbende schuldig gebleven.

2.4 Op 18 augustus 2008 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek bij belanghebbende uitgevoerd. Daarbij heeft de controlerende ambtenaar, D, een vermogensvergelijking opgesteld. Deze vermogensvergelijking is mede gebaseerd op de bank- en spaarrekeningen die belanghebbende bij de Rabobank heeft aangehouden (hierna: de Rabo-rekeningen). In hoger beroep hanteert de Inspecteur de volgende vermogensvergelijking:

Bank-, giro- en spaartegoeden € 65.146

Vordering op F - 35.836 +

Beginvermogen 1 januari 2004 € 100.982

Netto loon € 9.823

Ontvangen rente - 1.629

Teruggaaf heffingskorting (geschat)- 1.700

Verkoop auto 23 februari 2004 - 3.750

Verkoop auto 23 juli 2004 - 6.000 +

Verteerbaar inkomen - 22.902 +

Theoretisch eindvermogen € 123.884

Bank-, giro- en spaartegoeden € 74.134

Vordering op F - 45.663 +

Eindvermogen 31 december 2004 - 119.797 -

Bruto-privé € 4.087

Ziektekostenverzekering (schatting)€ 1.200

Lening aan F - 9.824

Betaalde huur woning - 2.314

Gas, water, licht (schatting) - 2.400

Autokosten (schatting) - 500

Aanschaf notebook - 1.342

Aanschaf auto-onderdelen - 1.722

Uitgaven in Zwitserland - 518

Diverse kleine posten - 475 +

Benoemde privé-uitgaven - 20.295 -

Netto privé € -16.208

2.5 Gelet op de hoge negatieve uitkomst van de vermogensvergelijking heeft de Inspecteur een bedrag van € 20.000 tot het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende gerekend. Voor het verzwijgen van de inkomsten heeft hij een vergrijpboete opgelegd.

2.6 Belanghebbende heeft in 1999 fl. 23.000 in contanten opgenomen. Hij heeft dit geld onder andere gebruikt voor de aankoop van gebruikte auto’s en bouwpakketten voor auto’s. Belanghebbende heeft als hobby het aanhouden en herstellen van auto’s en motoren.

2.7 De echtgenote van belanghebbende heeft in 2004 geen inkomsten genoten. Zijn echtgenote heeft een bankrekening aangehouden waarop de Belastingdienst de algemene heffingskorting heeft uitbetaald. Daarnaast heeft zij een spaarrekening aangehouden.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Inspecteur terecht een bedrag van € 20.000 tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend als looninkomsten dan wel als resultaat uit overige werkzaamheden. Daarnaast is in geschil of de Inspecteur terecht een vergrijpboete heeft opgelegd. Belanghebbend beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur beantwoordt deze bevestigend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de navorderingaanslag en de beschikkingen.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De Inspecteur heeft een bedrag van € 20.000 tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend als resultaat uit overige werkzaamheden. Op de Inspecteur rust de last aannemelijk te maken dat belanghebbende meer inkomsten heeft genoten dan het bedrag van € 16.000 aan loon uit dienstbetrekking bij F. De Inspecteur draagt daarvoor de onder 2.4 genoemde vermogensvergelijking aan. Nu daaruit een negatief bedrag volgt, moet belanghebbende - zo stelt de Inspecteur - wel andere belaste inkomsten genoten hebben. Hij verwijst voor de herkomst van de inkomsten naar de auto’s die belanghebbende heeft aangekocht, gerepareerd en vervolgens verkocht, de adviezen die belanghebbende heeft gegeven aan mensen die een oldtimer willen kopen en de overige betaalde werkzaamheden die belanghebbende aan auto’s heeft verricht. Subsidiair stelt de Inspecteur dat belanghebbende uit zijn dienstbetrekking voordelen heeft genoten.

4.2 Belanghebbende brengt hiertegen in, dat de werkzaamheden met betrekking tot de auto’s geen bron van inkomen vormen. Hij verkoopt slechts incidenteel auto’s en houdt zich slechts hobbymatig bezig met de aankoop, reparatie en verkoop van auto’s. Hij ontkent bedragen aan F onttrokken te hebben.

4.3 De Inspecteur baseert zijn bijtelling bij het belastbare inkomen uit werk en woning op de uitkomst van de vermogensvergelijking. Het Hof overweegt over deze vermogensvergelijking het volgende.

4.4 Ter zitting in hoger beroep kwam naar voren dat de vermogensvergelijking onvolledig is, omdat niet alle bankrekeningen van belanghebbende en zijn echtgenote daarin zijn verwerkt. De Inspecteur was zich ervan bewust dat de Belastingdienst aan de echtgenote van belanghebbende de algemene heffingskorting heeft uitgekeerd. De uitbetaling daarvan kwam echter niet voor op de afschriften van de Rabo-rekeningen. Hij heeft nagelaten een onderzoek te verrichten op welke bankrekening deze uitbetalingen dan wel hebben plaatsgevonden. De onder 2.7 genoemde rekeningen van de echtgenote van belanghebbende heeft hij daardoor niet aangetroffen, waardoor deze ten onrechte niet in de vermogensvergelijking zijn betrokken. Op de Rabo-rekeningen ontbreken betalingen voor gas, water, elektra, internet, (zorg)verzekeringen, motorrijtuigenbelasting en brandstof. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof onweersproken gesteld, dat hij in 2004 de beschikking heeft gehad over een bankrekening bij (thans) de ING Bank met het nummer 0000000 waarvan hij de vaste lasten heeft voldaan en waarvan het saldo enkele duizenden euro’s heeft bedragen. De Inspecteur heeft nagelaten te onderzoeken of en op welke wijze belanghebbende de vaste lasten heeft voldaan. In de vermogensvergelijking heeft de Inspecteur volstaan met een schatting van de betreffende kosten of deze kosten genegeerd, zonder te onderzoeken of hij over alle bankrekeningen ten name van belanghebbende en/of zijn echtgenote beschikte. Hij heeft daardoor ten onrechte de ING-rekening niet in de vermogensvergelijking betrokken. De stelling van de Inspecteur dat bij een gelijkblijvend saldo op de ING-rekening de vermogensvergelijking geen wijziging ondergaat is slechts gedeeltelijk juist, omdat niet alleen de saldi maar ook de stortingen op en onttrekkingen aan deze rekening voor de vermogensvergelijking van belang kunnen zijn.

4.5 Ter zitting van het Hof is voorts komen vast te staan dat de Inspecteur ten onrechte de huur als benoemde privé-uitgave heeft verwerkt, omdat daarmee reeds bij de bepaling van het netto loon is rekening gehouden. Hierdoor is het netto-prive € 2.314 te laag vastgesteld. Het Hof laat daarbij in het midden of de Inspecteur niet eveneens de lening aan F van € 9.824 ten onrechte als een benoemde privé-uitgave heeft aangemerkt.

4.6 Belanghebbende heeft gesteld dat hij bij het begin van het jaar 2004 over een grote hoeveelheid contant geld heeft beschikt. Hij verwijst daarvoor onder andere naar de onder 2.6 genoemde bankopname in 1999, de verkoop van auto’s en de door hem verrichte werkzaamheden. Uit de afschriften van de Rabobank-rekeningen blijken geen substantiële kasopnamen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur nagelaten te onderzoeken waaruit belanghebbende zijn contante uitgaven heeft geput. De Inspecteur had, indien zijn onderzoek daartoe aanleiding had gegeven, in de vermogensvergelijking rekening moeten houden met contant geld dat belanghebbende in 2004 heeft besteed.

4.7 Gelet op de onvolledigheid van de vermogensvergelijking en de onder 4.5 genoemde onjuistheid, biedt de uitkomst van de vermogensvergelijking naar het oordeel van het Hof onvoldoende steun aan de stelling van de Inspecteur dat belanghebbende een hoger belastbaar inkomen uit werk en woning heeft genoten dan hij heeft aangegeven.

4.8 Met hetgeen de Inspecteur overigens heeft aangedragen, maakt hij de correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning evenmin aannemelijk. De Inspecteur heeft daarom naar het oordeel van het Hof ten onrechte de navorderingsaanslag en de vergrijpboete opgelegd. De overige grieven van belanghebbende behoeven geen behandeling meer.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 874 (2 punten (beroepschrift en zitting) ? wegingsfactor 1 ? € 437) voor de kosten in eerste aanleg, € 874 (2 punten (hogerberoepschrift en zitting) ? wegingsfactor 1 ? € 437) voor de kosten in hoger beroep en op zijn reis en verblijfkosten in eerste aanleg en hoger beroep, begroot op € 70, ofwel in totaal op € 1.818.

6. Beslissing

Het Hof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vernietigt de navorderingsaanslag,

– vernietigt de beschikking heffingsrente,

– vernietigt de boete,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.818 en

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 41 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 112 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 26 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 juni 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.