Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW9699

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
BK 11/00008 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur terecht de eigenwoningschuld van belanghebbende op € 185.378 heeft vastgesteld en daarmee terecht een deel van de aftrek van de rente en kosten van de schuld van € 218.000 heeft geweigerd. Tevens is in geschil of de Inspecteur bij de correctie het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1575
V-N 2012/46.2.1
FutD 2012-1767
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00008

uitspraakdatum: 26 juni 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 december 2010, nummer AWB 10/30, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.605. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 17.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 9.280 en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd tot een te vergoeden bedrag van € 118.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 2 december 2010 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2012 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en A namens de Inspecteur.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft in 1985 de eigendom verworven van de woning aan de a-laan 36 te Z (hierna: de woning). De woning staat belanghebbende sindsdien als hoofdverblijf ter beschikking. In zijn aangifte IB/PVV 1994 heeft hij een eigenwoningschuld vermeld van € 78.958.

2.2 In de periode van 1995 tot en met 2000 heeft belanghebbende de woning verbeterd en verbouwd. De werkzaamheden hebben onder andere bestaan uit de bouw van een carport, de uitbreiding van de garage, het plaatsen van een etage op de garage, de reparatie van het dak en de verbouwing van de badkamer. Voor een deel van de werkzaamheden heeft belanghebbende een aannemer in de arm genomen en voor het overige deel heeft hij de werkzaamheden zelf uitgevoerd. Belanghebbende heeft de beschikking over een map met bonnen die zien op het onderhoud en de verbetering van de woning. Het totaalbedrag van de bonnen bedraagt € 28.618.

2.3 Belanghebbende heeft de volgende leningen afgesloten in de periode van 1995 tot en met 2000:

Afsluitdatum Bank Omschrijving Rekeningnummer

A. 8 november 1996 Rabobank Hypotheek 0000000000

B. onbekend Rabobank Keuze Plus Hypotheek 0000000001

C. onbekend ING (voorheen Postbank) Consumptief krediet 0000000002

D. 8 augustus 2000 Rabobank OpMaat Hypotheek 0000000003

De leningen worden hierna enkel met de letters A, B, C of D aangeduid.

2.4 In de aangiften IB/PVV 2001 en 2002 heeft belanghebbende een eigenwoningschuld vermeld van € 188.319.

2.5 In de aangiften IB/PVV 2003 en 2004 heeft belanghebbende een eigenwoningschuld van € 185.378 vermeld. Dit bedrag bestaat uit lening A met een hoofdsom van € 140.000 en lening D met een hoofdsom van € 45.378. Met deze leningen heeft belanghebbende (deels) eerder afgesloten leningen afgelost.

2.6 In het jaar 2005 heeft belanghebbende de leningen A en D afgelost met nieuwe leningen van de Rabobank, rekeningnummers 0000000004 en 0000000005, met een totale hoofdsom van € 218.000 (hierna tezamen: lening E). Op verzoek van de Rabobank zijn daarbij tevens afgelost de leningen B (saldo € 9.801,40) en C (saldo € 22.233,74) alsmede een schuld aan een creditcardmaatschappij van € 3.729,26.

2.7 De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2005 van de lening E een bedrag van € 185.378 aangemerkt als eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2005, hierna: de Wet). De Inspecteur heeft de aftrek geweigerd van de rente en kosten die samenhangen met het resterende deel van lening E, zijnde € 32.622 (= € 218.000 -/- € 185.378).

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Inspecteur terecht de eigenwoningschuld van belanghebbende op € 185.378 heeft vastgesteld en daarmee terecht een deel van de aftrek van de rente en kosten van de schuld van € 218.000 heeft geweigerd. Tevens is in geschil of de Inspecteur bij de correctie het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur beantwoordt deze bevestigend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.386 (zijnde het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde inkomen verminderd met de correctie van de kosten van de eigen woning van € 804 en de ten gevolge daarvan lagere drempel van de buitengewone uitgaven van € 90) en dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrentebeschikking.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Onder de eigenwoningschuld wordt ingevolge artikel 3.119a van de Wet verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van een eigen woning. De eigenwoningschuld wordt verhoogd met het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning. Een schuld is aangegaan voor verbetering en onderhoud van de eigen woning als deze is afgesloten met het oogmerk het geleende geld te besteden aan verbetering en onderhoud (HR 22 oktober 2004, nr. 39.082, LJN BI8825, BNB 2005/135).

4.2 Uit de arresten van de Hoge Raad van 21 september 2007, nr. 42.215, LJN AY9000, BNB 2008/92 en nr. 42.260, LJN AY9004, BNB 2008/93 volgt dat de inspecteur ten aanzien van schulden die zijn aangegaan vóór 1 januari 2001 bewijs kan vragen van het oogmerk waarmee deze schulden zijn aangegaan. De belastingplichtige kan daarbij niet worden tegengeworpen dat, indien hij deze schulden is aangegaan met het oogmerk daarmee onderhouds- en verbeteringskosten te financieren, hij de verbetering en het onderhoud niet met schriftelijke bescheiden kan staven. Belanghebbende kan ook op andere wijze dan door middel van schriftelijke bescheiden het bewijs leveren dat (de verhoging van) de geldlening betrekking heeft op onderhoud en/of verbetering van de eigen woning.

4.3 Belanghebbende stelt dat de leningen A, B, C, D en E volledig zijn aangegaan voor de verwerving, het onderhoud en de verbetering van de eigen woning dan wel de herfinanciering van de eigenwoningschuld.

4.4 De Inspecteur weerspreekt deze stelling van belanghebbende voor zover deze ziet op de leningen B en C en de herfinanciering daarvan door lening E. Naar zijn mening zijn de leningen B en C niet aangegaan voor onderhoud of verbetering van de eigen woning en heeft belanghebbende evenmin met schriftelijke bescheiden gestaafd dat de leningen voor de betaling van de kosten van onderhoud of verbetering zijn aangewend. Zijns inziens heeft hij door het accepteren van een eigenwoningschuld van € 185.378 (de leningen A en D) op voldoende wijze rekening gehouden met de schulden die belanghebbende is aangegaan voor verwerving, verbetering en onderhoud van de eigen woning.

4.5 Het Hof overweegt het volgende. De leningen A en D van in totaal € 185.378 zijn ruim voldoende om daaruit de herfinanciering van de eigenwoningschuld ultimo 1994 van € 78.958 en het totaalbedrag van de door belanghebbende bewaarde bonnen van € 28.618 te voldoen. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV over het jaar 2003 en 2004 enkel het saldo van de leningen A en D als eigenwoningschuld vermeld. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangedragen niet aannemelijk gemaakt, dat hij naast een totaalbedrag van € 185.378 aan eigenwoningschuld (de leningen A en D) tevens de leningen B en C is aangegaan met het oogmerk het onderhoud of de verbetering van de eigen woning daarmee te financieren. Hij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de met de lening B en C geleende bedragen op het onderhoud of de verbetering betrekking hebben. Dat belanghebbende de rente op de leningen B en C in de jaren voor 2005 wel als kosten van de eigenwoning in zijn aangifte heeft vermeld, zonder overigens het saldo van deze leningen als eigenwoningschuld te vermelden, doet hier niet aan af.

4.6 Belanghebbende beklaagt zich erover dat hij in zijn bewijspositie is geschaad, doordat de Inspecteur heeft nagelaten in een eerder stadium toen hij, naar hij stelt, nog wel over schriftelijke bescheiden beschikte, om een onderbouwing van de verhogingen van de eigenwoningschuld te vragen. Voor zover hij stelt dat de Inspecteur door het niet stellen van vragen naar aanleiding van de in de aangiften vermelde verhogingen van de eigenwoningschuld bij belanghebbende de indruk heeft gewekt dat die gedragslijn berustte op een weloverwogen standpuntbepaling, zodat belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt, overweegt het Hof het volgende. Een beroep op opgewekt vertrouwen door het volgen van de aangifte is slechts mogelijk, indien de kwestie uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde is gesteld. Het in de aangifte opvoeren van een hogere eigenwoningschuld dan voorheen, is niet te beschouwen als het uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde stellen van het punt in kwestie (vgl. Hoge Raad 21 september 2007, nr. 42.575, LJN AY9013, BNB 2008/95).

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 26 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 juni 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.