Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW9308

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
25-06-2012
Zaaknummer
200.095.040/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende onderbouwing van de draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 12 juni 2012

Zaaknummer 200.095.040

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W. Brouwer, kantoorhoudende te Leusden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R.E. Dijkstra, kantoorhoudende te Zeewolde.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 6 juli 2011 (zaaknummer: 17867/ FA RK 10-4036) heeft de rechtbank te Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 4 juni 2009 van diezelfde rechtbank afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 5 oktober 2011, heeft de man verzocht de beschikking van 6 juli 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende de beschikking van 4 juni 2009 alsnog te wijzigen en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minder[kind 1]en [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 1998], [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 1998] en [kind 3] (hierna: [kind 3]), geboren [in 2001], met ingang van 1 januari 2010, althans 4 mei 2010, te stellen op nihil, althans op een zodanig lager bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 4 januari 2012, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht dit verzoek niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking van 6 juli 2011 te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 24 november 2011 van mr. Brouwer met als bijlagen productie 1 tot en met 10 en een brief van 22 maart 2012 van mr. Dijkstra met als bijlage productie 2 (per fax ingekomen op 22 maart 2012 in enkelvoud en per gewone post in vijfvoud nagezonden).

Ter zitting van 3 april 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. Brouwer, en de vrouw, bijgestaan door mr. Dijkstra.

De beoordeling

Nagekomen stukken

1. Artikel 1.4.3. van het procesreglement verzoekschrift¬procedures familiezaken gerechtshoven schrijft voor dat nadere stukken zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen worden overgelegd. Omtrent stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overleg¬ging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist.

2. Bij de griffie van het hof is op 29 maart 2012 een brief d.d. 28 maart 2012 met bijlagen en op 30 maart 2012 een faxbericht d.d. 30 maart 2012 met bijlagen van mr. Brouwer binnengekomen.

Zoals door het hof ter zitting al is meegedeeld, zijn deze stukken, gelet op de inhoud van genoemd artikel te laat ingediend. Mede omdat de vrouw bezwaar heeft gemaakt, heeft het hof, na een korte schorsing van de behandeling, besloten om de bijlagen onder nummer 12, 18 en 20, die door mr. Brouwer bij zijn brief van 28 maart 2012 zijn overgelegd, bij de behandeling van de zaak op 3 april 2012 en het wijzen van deze beslissing buiten beschouwing te laten. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de betreffende producties niet eerder hadden kunnen worden overgelegd.

3. De overige bijlagen bij genoemde brief van 28 maart 2012 en het faxbericht van 30 maart 2012 zijn echter van recente datum en hadden naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet eerder in het geding gebracht kunnen worden. Nu deze voorts kort en eenvoudig te doorgronden zijn, zal het hof de overige bijlagen in zijn oordeel betrekken. De raadsvrouw van de vrouw heeft bovendien ter zitting van het hof voldoende gelegenheid gehad om op de stukken te reageren. Eisen van goede procesorde zijn in dit geval niet geschonden.

De beschikking waarvan thans wijziging wordt verzocht

4. Bij beschikking van 4 juni 2009 heeft de rechtbank te Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, bepaald dat de man aan de vrouw ten behoeve van de minderjarige kinderen met ingang van de datum van die beschikking een bijdrage dient te voldoen van € 296,38 per kind per maand. Deze bijdrage bedraagt per 1 januari 2012, als gevolg van de wettelijke indexering € 309,91 per kind per maand.

5. Bij inleidend verzoekschrift van 4 oktober 2010 (ingekomen bij de rechtbank op 6 oktober 2010) heeft de man verzocht deze beschikking te wijzigen en de daarin vastgestelde kinderalimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden aan zijn zijde te stellen op nihil.

De vrouw heeft zich tegen dit verzoek verweerd.

6. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het wijzigingsverzoek van de man afgewezen met de overweging dat de man volstrekt onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van relevante wijziging van zijn inkomen.

Tegen deze beslissing is het hoger beroep van de man gericht.

Het geschilpunt

7. Partijen verschillen van mening of zich na de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de man heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW.

8. Het geschil betreft meer specifiek de (gewijzigde) draagkracht van de man en wel wat betreft zijn inkomen en de door hem opgevoerde schuldenlast.

De ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek tot wijziging

9. De enkele stelling van de man dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden maakt dat hij in zijn verzoek kan worden ontvangen. Wanneer het hof vervolgens mocht vaststellen dat zich geen wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, zal dat tot afwijzing van het verzoek leiden.

De wijziging van omstandigheden

10. De wijziging van omstandigheden bestaat volgens de man hierin, dat zijn onderneming A.V. Sale Trucks B.V (bemiddeling bij verkoop, import en export van auto's, huizen, boten, vrachtauto's, agro- en bouwvoertuigen) wegens de kredietcrisis sinds 2009 verliesgevend is geweest en dat hij vanaf februari 2010 geen loon meer heeft ontvangen en derhalve sindsdien geen draagkracht heeft om aan de vrouw enige kinderalimentatie te kunnen voldoen.

11. Bij vonnis van 28 juni 2011 van de rechtbank Utrecht is de besloten vennootschap A.V. Sale Trucks B.V., waarvan de man bestuurder en enig aandeelhouder was, in staat van faillissement verklaard.

12. Naar het oordeel van het hof kan niet anders worden geconcludeerd dan dat er nà de beschikking van 4 juni 2009 een of meer wijziging(en) van omstandigheden heeft/hebben plaatsgevonden waarmee bij het wijzen van die beschikking geen rekening is gehouden.

13. Thans dient dan ook te worden beoordeeld of er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, die moet leiden tot een wijziging van de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [kind 1], [kind 2] en [kind 3].

De draagkracht van de man

14. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de man voldoende inkomen heeft (gehad) en/of kan genereren om de vastgestelde bijdrage te kunnen blijven voldoen.

15. Partijen dienen ter onderbouwing van de door hen ingenomen standpunten bescheiden in het geding te brengen, om het zodoende voor het hof mogelijk te maken zich een oordeel te vormen over de juistheid van de beschikking waartegen het beroep zich richt.

16. Het had op de weg van de man gelegen, nu hij in beroep is gekomen tegen het oordeel van de rechtbank en hij degene is die stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is en is geweest voor het betalen van de vastgestelde bijdrage, om zijn stellingen met justificatoire bescheiden te onderbouwen, temeer nu de vrouw deze stellingen betwist.

17. Het hof onderkent dat de man - zoals uit de door de man in het geding gebrachte stukken is gebleken - schulden heeft, waaronder de schuld aan ABN Amro van

€ 76.988,-- (per 22-7-2011) uit de failliete BV waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is. De man heeft echter omtrent zijn inkomsten onvoldoende gegevens aangedragen om naar behoren te kunnen beoordelen of de man al dan niet in staat is aan zijn uit deze schulden voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

18. In het bijzonder heeft de man geen van de stellingen omtrent zijn inkomenssituatie in de periode waarop zijn wijzigingsverzoek betrekking heeft met afdoende duidelijke stukken onderbouwd.

19. De door de man in het geding gebrachte belastingaangifte 2011, waaruit blijkt dat hij in deze aangifte inkomsten uit loondienst van totaal € 11.450,-- opgeeft, te weten € 5.200,-- van de (thans failliete) A.V. Sales Trucks B.V. en

€ 6.000,-- van "diverse" (werkgevers en/of uitkeringinstanties), strookt niet met zijn eerdere, andersluidende stelling omrent zijn financiële situatie over deze periode en is als zodanig - zonder toelichting - niet begrijpelijk. Verder zijn de uit genoemde aangifte af te leiden inkomsten niet met bewijsstukken onderbouwd. In dit verband wijst het hof erop dat de man in eerste aanleg heeft gesteld en herhaald in zijn beroepschrift onder punt 16, dat hij geen gelden heeft ontvangen van zijn voormalige compagnon, terwijl nu, ter zitting van het hof, is gebleken dat de man van zijn compagnon een vergoeding heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden. De man heeft ter zitting van het hof verklaard deze vergoeding in de (inmiddels failliete) BV te hebben ondergebracht en als salaris te hebben uitgekeerd gekregen. Ten aanzien van het overige in zijn belastingaangifte opgenomen bedrag aan inkomsten van € 6.000,-- heeft de man verklaard dat dit een provisie betreft die hij voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen van Nederlandse bedrijven, dit echter zonder nadere onderbouwing of stukken ter zake. Voor het hof blijft volstrekt onduidelijk uit welke dienstbetrekking(en) en/of werkverhouding(en) de man voornoemde vergoedingen heeft ontvangen (en mogelijk ontvangt).

20. Ook over het door de man gestelde huidige inkomen van zichzelf bestaat veel onduidelijkheid. De man heeft weliswaar een arbeidsovereenkomst d.d. 11 januari 2012 met firma OOO Tel uit Kaliningrad overgelegd, maar uit dit stuk kan niet worden afgeleid waar zijn werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, noch hoeveel inkomsten de man ontvangt op basis van deze dienstbetrekking. Evenmin kan daaruit worden afgeleid hoeveel uren de man werkzaam is voor deze onderneming, zodat niet aan de hand van het aantal gewerkte uren kan worden beoordeeld of de man zich in voldoende mate inspant om inkomsten uit arbeid te genereren. Vast staat dat de man op grond van deze overeenkomst, naast een vaste vergoeding van € 1.300,-- (per maand?) aanspraak maakt op provisie, maar wanneer de provisie wordt uitgekeerd en hoe hoog deze is, blijft onduidelijk. De enkele verklaring van de man ter zitting dat hij naast voornoemde € 1.300,-- nog niets heeft verdiend, is niet voldoende om zulks met zekerheid aan te nemen.

21. Ten overvloede overweegt het hof ten aanzien van het inkomen van de man nog het volgende.

Ten aanzien van de financiële situatie van zijn partner heeft de man ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat hij - in tegenstelling tot wat de vrouw heeft gesteld - zijn nieuwe partner, tevens afkomstig uit Rusland, in Nederland financieel niet onderhoudt. Hij stelt dat zijn partner voldoende inkomsten genereert uit verhuur van haar appartement in Kaliningrad waarvoor zij € 350,-- per maand ontvangt. Dat is niet veel maar voldoende om eten en verzekeringen te betalen, aldus de man.

Ook hier laat de man naar het oordeel van het hof onduidelijkheid bestaan, nu ter zitting tevens is gebleken dat de man tijdens zijn bezoeken aan Kaliningrad in het betreffende appartement heeft verbleven, nu het appartement zoals hij heeft verklaard, de laatste drie maanden niet is verhuurd. Dit gegeven doet vermoeden dat het inkomen van de partner van de man lager is dan hij stelt. En dit laatste vormt een aanwijzing dat de man bijdraagt in het levensonderhoud van zijn partner, in welk geval zijn inkomen moet worden geacht hoger te zijn dan hij opgeeft.

22. Gelet hierop moet worden geconstateerd dat de man geen getrouw, althans een onvolledig beeld heeft geschetst van zijn financiële situatie.

Dit staat in de weg aan een verdergaande beoordeling van zijn draagkracht. Op grond hiervan moet er naar het oordeel van het hof van worden uitgegaan dat geen sprake is van een na de beschikking van 4 juni 2009 opgetreden relevante wijziging van omstandigheden aan de zijde van de man. En hierop strandt het door de man ingestelde hoger beroep. Zijn verzoek tot wijzing van genoemde beschikking dient dan ook te worden afgewezen.

Slotsom

23. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, voorzitter, R. Feunekes en H.J de Ruijter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 juni 2012 in bijzijn van de griffier.