Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW8481

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
200.103.549/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident tot schorsing tenuitvoerlegging ex art. 351 Rv. Kennelijke juridische misslag. Nu de echtgenote van verkoper de koopakte niet heeft ondertekend, kan zij niet als partij bij deze akte worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 12 juni 2012

Zaaknummer 200.103.549/01

(zaaknummer rechtbank hoofdzaak: 83794 / HA ZA 10-957; vrijwaringszaak: 86423 / HA ZA 11-307)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging ex art. 351 Rv in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant 1],

2. [appellante 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellante 2],

appellanten, tevens eisers in het incident,

in eerste aanleg: gedaagden in de hoofdzaak, terwijl [appellant 1] tevens eiser in de vrijwaring was,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. C.H.J. van der Maas, kantoorhoudende te Haren,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden, tevens verweerders in het incident

in eerste aanleg: eisers in de hoofdzaak,

hierna gezamenlijk te noemen: [adres],

advocaat: mr. J.T. Fuller, kantoorhoudende te Zwolle.

en

3. [geïntimeerde 3],

gevestigd te Nieuw-Amsterdam (gemeente [gemeente]),

geïntimeerde, tevens verweerster in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde in de vrijwaringszaak,

hierna te noemen: [geïntimeerde 3],

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe, kantoorhoudende te Arnhem

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 23 maart 2011 (in het vrijwaringsincident) en 25 januari 2012 (in de hoofdzaak en in de vrijwaring) door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 5 maart 2012 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 25 januari 2012 met dagvaarding van [adres] en [geïntimeerde 3] tegen de zitting van 13 maart 2012.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep tevens incidentele vordering ex art. 351 Rv luidt:

"I. te vernietigen het vonnis van de rechtbank Assen van 25 januari 2012 in de procedure met

zaaknummer 83794 en rolnummer HA ZA 10-957 en de procedure met zaaknummer

86423 en rolnummer HA ZA 11-307 tussen partijen gewezen en;

II. opnieuw recht doende bij arrest de vordering, zoals door geïntimeerden sub 1 en 2 als

eisers ingesteld, alsnog af te wijzen;

III. voor zover het onder II gevorderde niet wordt toegewezen, opnieuw recht doende bij arrest de vordering, zoals door appellant sub 1 als eiser is ingesteld, alsnog toe te wijzen;

IV. om geïntimeerden sub 1 en 2 hoofdelijk, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om al hetgeen appellanten ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerden zal hebben voldaan aan appellanten terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

V. geïntimeerden hoofdelijk, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van beide instanties;

VI. één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.

INCIDENTELE VORDERING TOT SCHORSING UITVOERBAARHEID BIJ VOORRAAD

1. Mevrouw [appellante 2] is geen partij bij de overeenkomst die met [geïntimeerde 1] en

[geïntimeerde 2] is gesloten. De rechtbank heeft miskend dat zij weliswaar (in algemene

bewoordingen) staat genoemd in de (aanhef van de) overeenkomst maar zij heeft die

overeenkomst niet geparafeerd, niet ondertekend omdat zij geen (mede)eigenaar was van

de in het geding zijnde onroerende zaak en dus geen verplichting tot levering en

overdracht op zich kon en wilde nemen.

2. Tot de stukken in eerste aanleg behoort (prod. 1 bij dagvaarding) een koopakte, waarin

vermeld staat dat mevrouw [appellante 2] de onroerende zaak kocht van [betrokkene].

Op die koopakte is echter, en dat is in eerste aanleg onbelicht gebleven, een aanvulling

c.q. wijziging gekomen in de vorm van een Aanhangsel Koopakte d.d. 20 juli 2009.

Hierin werd afgesproken dat niet mevrouw [appellante 2] de onroerende zaak kocht,

maar de heer [appellant 1]. Logischerwijs was het vervolgens ook de heer

[appellant 1] die eigenaar werd en als eigenaar de onroerende zaak verkocht en

doorleverde aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]. Relevante stukken worden bijgaand als

producties (H1 t/m H5) overgelegd.

3. Bijgevolg kan [appellante 2] niet aansprakelijk zijn voor eventuele schade uit het

toerekenbaar te kort schieten in de nakoming van de overeenkomst die met [geïntimeerde 1]

en [geïntimeerde 2] is gesloten. Dit heeft de rechtbank miskend, met name in de punten 4.4. en

4.29.

4. Appellanten kunnen zich onder meer vanwege het vorenstaande niet met het vonnis

verenigen en hebben hoger beroep doen instellen.

5. Reden waarom appellanten het Gerechtshof in Leeuwarden verzoeken om de

uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis d.d. 25 januari 2012, zoals gewezen door de

Rechtbank te Assen in de procedure met zaaknummer 72283 en rolnummer HA ZA 09-

240 en zaaknummer 86423 en rolnummer HA ZA 11/307, op de voet van art. 351 Rv te

schorsen."

Vervolgens hebben [adres] en [geïntimeerde 3] elk een memorie van antwoord in het incident genomen.

De conclusie van de incidentele memorie van antwoord van [adres] luidt:

"Tot afwijzing van de incidentele vordering tot schorsing met veroordeling van

[appellanten] in de kosten van het incident."

De conclusie van de memorie van antwoord in het incident van [geïntimeerde 3] luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, appellanten, althans appellante sub 2,

niet- ontvankelijk te verklaren in de vordering in het incident; althans de vordering in

het incident, voor zover gericht jegens [geïntimeerde 3] Makelaardij c.q. jegens het vonnis

d.d. 25 januari 2012 als gewezen in de vrijwaring met rolnummer 11-307, af te

wijzen, met veroordeling van [appellanten], althans [appellanten], in de kosten van

het incident, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen

arrest en (voor het geval voldoening niet binnen 14 dagen na dagtekening van het

arrest plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na

dagtekening van het arrest tot aan de dag der algehele voldoening."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident.

De beoordeling in het incident

1. De rechtbank is blijkens het genoemde vonnis van 25 januari 2012 in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak van de volgende vaststaande feiten uitgegaan:

"2.2. De heer [betrokkene] (hierna te noemen: [betrokkene]) was eigenaar van het perceel aan de

[adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [perceel].

2.3. Medio 1993 is [betrokkene] met de gemeente [gemeente] een gebruiksruil overeengekomen, er daaruit bestaande dat [betrokkene] het voorste gedeelte van perceel [perceel] in gebruik heeft afgestaan aan de gemeente. De gemeente op haar beurt heeft een gedeelte van het achter perceel [perceel] gelegen perceel aan [betrokkene] in gebruik gegeven. Dit betrof perceel 10335. Die ruil is geschied in verband met een op handen zijnde ruilverkaveling. Ook met de andere perceeleigenaren aan de [adres] is de gemeente [gemeente] een soortgelijke ruil overeengekomen. Afgesproken was dat de uitgeruilde gedeeltes ter gelegenheid van de ruilverkaveling in eigendom zouden overgaan.

2.4. Vooruitlopend op de effectuering van die eigendomsoverdracht heeft de gemeente [gemeente] op de grond die zij in gebruik had gekregen - onder meer - een openbaar fietspad en een sloot aangelegd.

2.5. Op 2 april 2008 heeft [betrokkene] met [appellanten] een koopovereenkomst gesloten ter zake van het perceel aan de [adres] te [woonplaats].

In de zogenaamde LMV-KOOPAKTE t.b.v. consumentenkoop staat het verkochte als volgt omschreven:

"het te slopen woonhuis met aangehorigheden en onder- en bijgelegen grond ter grootte van

15 are, uitmakende het oostelijk of nagenoeg oostelijk gedeelte ter breedte van vijfentwintig meter en ter diepte vanaf de straatzijde van zestig meter van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [perceel], zoals gearceerd is weergegeven op het bij deze koopakte gehechte en hiermee één geheel uitmakende kadastraal kaartje waarvan de westelijke of nagenoeg westelijke erfgrens paralel zal lopen met de beide andere zij-erfgrenzen van het huidig perceel nummer [perceel]".

De kadastrale kaart waaraan wordt gerefereerd, is aangehecht aan dit vonnis (bijlage I). Uit die kaart valt op te maken dat het gearceerde gedeelte ziet op de helft van perceel [perceel]. Tevens is op die kaart een pijl aangebracht, gericht op het gearceerde deel, met daarbij de opmerking "voorste strook is sloot en fietspad". De kaart is geparafeerd door [betrokkene] en [appellanten]

2.6. Het opstellen van de koopovereenkomst, is op aangeven van [appellanten] in handen gesteld van [geïntimeerde 3].

2.7. Bij koopovereenkomst van 21 juli 2009 heeft [appellanten] aan [adres] verkocht:

"het te slopen woonhuis met aangehorigheden en onder- en bijgelegen grond ter grootte van

15 are, uitmakende het oostelijk of nagenoeg oostelijk gedeelte ter breedte van vijfentwintig meter en ter diepte vanaf de straatzijde van zestig meter van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [perceel], zoals gearceerd is weergegeven op het bij deze koopakte gehechte en hiermee één geheel uitmakende kadastraal kaartje waarvan de westelijke of nagenoeg westelijke erfgrens paralel zal lopen met de beide andere zij-erfgrenzen van het huidig perceel nummer [perceel]".

De akte is door [appellanten] ondertekend.

2.8. Deze verkoop is - op aangeven van [appellanten] - begeleid door [geïntimeerde 3].

2.9. Op 25 augustus 2009 om 10:00 uur heeft de levering van het door [betrokkene] aan [appellanten] verkochte perceel plaatsgevonden ten overstaan van notariskantoor

Kral & Schukken. Om 11.00 uur heeft [appellanten] op zijn beurt het door hem gekochte doorgeleverd aan [adres] Zulks is geschied ten overstaan van notariskantoor Huberts & Gaikema.

2.10. In de leveringsakte tussen [adres] en [appellanten] staat het verkochte als volgt omschreven:

"Het te slopen woonhuis met verder aanbehoren, onder- en bijgelegen grond, staande en gelegen te [adres], [adres], kadastraal bekend: gemeente [gemeente], sectie [perceel], groot veertien are en zeven en zestig centiare.”

2.11. Daags vóór de leveringen voornoemd, heeft een uitmeting van perceel [perceel] plaatsgevonden door het Kadaster. In het naar aanleiding daarvan opgemaakte proces-verbaal staat dat de aanvraag is gedaan door notariskantoor Kral & Schukken te [gemeente].

Perceel [perceel] is op aangeven van [betrokkene] - toen nog eigenaar - opgesplitst in drie (in plaats van twee) afzonderlijke gedeelten. De drie gedeeltes zijn omgenummerd tot de nummers [perceel], [perceel] en [perceel]. Opgenomen staat tevens dat de grens tussen enerzijds perceel [perceel] en anderzijds de percelen [perceel] en [perceel] is ontstaan door de ruilverkaveling, maar nog nooit kadastraal is toegepast. Tot slot staat in het proces-verbaal voornoemd opgenomen dat [betrokkene] het perceel [perceel] kwijtraakt en als compensatie een strook achter de woning krijgt van plusminus 10 meter diep.

2.12. De bijbehorende kadastrale kaart is eveneens aangehecht aan dit vonnis (bijlage II).

2.13. Uit het uitreksel van het Kadaster van 16 november 2009 blijkt dat [betrokkene] eigenaar is gebleven van de percelen met de nummers [perceel] en [perceel].

2.14. Bij brief van 23 november 2009 heeft de toenmalige raadsman van [adres] aan

[appellanten] bericht dat [appellanten] niet heeft geleverd wat is verkocht; geleverd is namelijk perceel [perceel], terwijl eveneens verkocht was een gedeelte van het perceel [perceel], te weten het gedeelte dat in het verlengde ligt van het perceel [perceel] met daarop de door de gemeente [gemeente] aangelegde sloot en het fietspad. Aan de in die brief neergelegde sommaties is geen gehoor gegeven door [appellanten]

2.15. Partijen hebben elkaar vervolgens getroffen in het kader van een kort geding procedure. Daarbij is namens [adres] nakoming gevorderd van de koopovereenkomst van 21 juli 2009.

2.16. Vooruitlopend op de mondelinge behandeling heeft de raadsman van

[appellanten] op 17 februari 2010 aan [betrokkene] bericht dat [betrokkene] er de hand in heeft gehad dat [appellanten] niet conform koopovereenkomst aan [adres] heeft kunnen leveren. Tevens wordt voorgesteld om de wijzigingen ongedaan te maken, dan wel om het niet meegeleverde stuk grond met daarop het fietspad en de sloot alsnog aan De [adres] in eigendom over te dragen.

2.17. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het kort geding op 22 februari 2010 hebben partijen afspraken gemaakt en is de mondelinge behandeling aangehouden. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling staat het navolgende:

"Ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellanten] de helft van de strook grond op de kadastrale kaart aangeduid met nummer [perceel] ( …) de had moeten meeleveren conform de tussen partijen gesloten koopovereenkomst. [appellanten] heeft erkend dat hij te kort is geschoten, nu deze strook grond niet is meegeleverd".

2.18. Ter uitvoering van de gemaakte afspraken, heeft [appellanten] een

kort gedingprocedure tegen [betrokkene] geëntameerd. Bij vonnis van 9 maart 2010 zijn de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Kort en wel was de voorzieningenrechter van oordeel dat [betrokkene] aan [appellanten] had geleverd wat was overeengekomen.

2.19. Op 2 mei 2010 heeft de voortzetting van het kort geding tussen [appellanten] en

[adres] plaatsgevonden, waarna op 11 mei 2010 vonnis is gewezen. Daarbij is de vordering van [adres] afgewezen.

Onder aanhaling van het kort gedingvonnis van 9 maart 2010 komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat [appellanten] niet in staat is om de in geschil zijnde strook grond aan [adres] te leveren. Ook overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding.

2.20. De effectuering van de ruil via de ruilverkaveling heeft inmiddels plaatsgevonden."

2. In het bestreden eindvonnis van de rechtbank d.d. 25 januari 2012 heeft de rechtbank in de hoofdzaak geoordeeld dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [appellanten] en heeft zij de vorderingen van [adres] toegewezen. In de vrijwaringszaak heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Het dictum van dit vonnis luidt als volgt:

"in de hoofdzaak

1. veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [adres] te betalen een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 7 december 2010 tot de dag van volledige betaling,

2. ontbindt de koopovereenkomst tussen [appellanten] en [adres] partieel, in die zin dat de koopovereenkomst gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt voor wat betreft de levering van de strook grond met daarop het fietspad en de sloot,

3. veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [adres] te betalen een bedrag van € 40.000,00 (veertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 7 december 2010 tot de dag van volledige betaling,

4. veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [adres] te betalen een bedrag van € 904,00 (negenhonderdvier euro),

5. veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de hoofdzaak en het incident, aan de zijde van [adres] tot op heden begroot op € 3.353,32, alsmede in de nakosten ten belope van € 131,00 zonder betekening en ingeval van betekening € 199,00.

6. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de vrijwaring

8. wijst de vorderingen af,

9. veroordeelt [appellanten] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde 3] tot op heden begroot op € 2.969,00, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis plaatsvindt), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, alsmede in de nakosten ten belope van € 131,00 zonder betekening en in geval van betekening € 199,00,

10. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad."

Met betrekking tot de incidentele vordering jegens [adres]

3. [appellanten] leggen aan hun incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 25 januari 2012 het volgende ten grondslag. [appellante 2] is geen partij bij de koopovereenkomst die met [adres] is gesloten. Weliswaar staat zij in de aanhef van de koopakte als verkoper vermeld, maar zij heeft deze akte niet ondertekend omdat zij geen verplichting tot levering en overdracht op zich kon en wilde nemen.

Ter nadere toelichting stellen [appellanten] het volgende. In de tussen [betrokkene] en [appellanten] opgemaakte koopakte d.d. 2 april 2008 stond [appellante 2] wel als koper vermeld, maar nadien is tussen [betrokkene] en [appellanten] - ter aanvulling/wijziging van de koopakte d.d. 2 april 2008 - een Aanhangsel koopakte d.d. 21 juli 2009 opgemaakt, waarin de afspraak is neergelegd dat [appellante 2] geen koper was, maar (alleen) [appellant 1]. Dientengevolge is [appellante 2] door de levering op 21 juli 2009 geen eigenaar geworden van de betreffende onroerende zaak. Logischerwijs heeft niet [appellante 2], maar [appellant 1] de onroerende zaak op 21 juli 2009 doorverkocht en op 25 augustus 2009 doorgeleverd aan [adres] Als gevolg hiervan is [appellante 2] niet aansprakelijk voor de schade die [adres] hebben geleden tengevolge van het eventueel toerekenbaar tekortschieten door

[appellant 1], aldus [appellanten]

4. De rechtbank heeft op dit - in eerste aanleg ook reeds door [appellanten] gevoerde - verweer afwijzend beslist in rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis, waarbij de rechtbank gewicht toekent aan het feit dat in de aanhef van de tussen [appellanten] en [adres] opgemaakte koopakte d.d. 21 juli 2009 niet alleen [appellant 1], maar ook [appellante 2] als verkoper wordt aangeduid. Dat in de akte van levering d.d. 25 augustus 2009 alleen [appellant 1] als verkoper wordt aangeduid, doet daar volgens de rechtbank niet aan af.

5. Bij de beantwoording van de vraag of de incidentele vordering toewijsbaar is, stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (LJN: BC5012), voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt:

(a) dat de incidenteel eiser belang moet hebben bij de door hem verlangde schorsing van de executie,

(b) dat bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, en

(c) dat bij deze belangenafweging de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing moet blijven.

Nu bij de beoordeling van een incidentele vordering als hier bedoeld ook geldt dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter, zal de incidenteel eiser aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken, dan wel zal de incidenteel eiser aannemelijk hebben te maken dat het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust (vgl. HR 22 april 1983, NJ 1984, 145).

Van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag als hiervoor omschreven is pas sprake wanneer het evident is dat het beroepen vonnis op een vergissing berust. Daarvan is nog geen sprake wanneer ook een andere beslissing mogelijk was geweest.

6. Naar het oordeel van het hof bevat het vonnis van de rechtbank d.d. 25 januari 2012 waarvan beroep een kennelijke juridische misslag in de hiervoor bedoelde zin. De rechtbank acht [appellante 2] immers partij bij de koopovereenkomst met [adres], omdat zij in de aanhef van de koopakte d.d. 21 juli 2009 als verkoper staat vermeld. Nu [appellante 2] deze akte niet heeft ondertekend, kan zij echter niet als partij bij deze akte worden aangemerkt, zodat die akte geen bewijs kan opleveren van de juistheid van de stelling van [adres] dat [appellante 2] partij bij de koopovereenkomst is.

7. In het vorenstaande vindt het hof aanleiding om het belang van [appellante 2] bij schorsing van de tenuitvoerlegging te laten prevaleren boven het belang van [adres] bij executie van het beroepen vonnis van 25 januari 2012. Het hof zal de incidentele vordering dan ook toewijzen ten aanzien [appellante 2].

8. Zulks geldt niet voor [appellant 1], nu het feit dat niet vaststaat dat [appellante 2] partij is bij de koopovereenkomst met [adres], geen invloed heeft op de gebondenheid van [appellant 1] aan deze overeenkomst. Ten aanzien van [appellant 1] zal het hof de incidentele vordering dan ook afwijzen.

9. De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

Met betrekking tot de incidentele vordering jegens [geïntimeerde 3]

10. Vooropgesteld dient te worden dat [appellante 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar incidentele vordering jegens [geïntimeerde 3], aangezien zij in eerste aanleg geen partij was in de vrijwaringszaak.

11. [appellant 1] legt aan zijn incidentele vordering jegens [geïntimeerde 3] geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag dan aan zijn incidentele vordering jegens [adres] Aangezien [appellante 2] geen partij is in de vrijwaringszaak, doet het feit dat zij niet als partij bij de koopovereenkomst met [adres] dient te worden aangemerkt, in de vrijwaringszaak niet ter zake.

12. Het hof zal de incidentele vordering van [appellant 1] jegens [geïntimeerde 3] dan ook afwijzen.

13. De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de vrijwaringszaak.

De beslissing

Het gerechtshof:

In de zaak tussen [appellanten] en [adres]

In het incident

wijst de incidentele vordering af ten aanzien van [appellant 1];

schorst de ten uitvoerlegging van het vonnis van 25 januari 2012 voor zover het gaat om de veroordeling(en) van [appellante 2];

In de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 24 juli 2012 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellanten];

In de (vrijwarings)zaak tussen [appellanten] en [geïntimeerde 3]

In het incident

verklaart [appellante 2] niet-ontvankelijk in haar incidentele vordering;

wijst de incidentele vordering van [appellant 1] af;

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de vrijwaringszaak;

In de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 24 juli 2012 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellanten]

Aldus gewezen door mrs. W. Breemhaar, voorzitter, K.M. Makkinga en B.J.H. Hofstee en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 12 juni 2012 in bijzijn van de griffier.