Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW8356

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
200.093.053-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beide partijen vragen een verklaring voor recht over uitleg van het echtscheidingsconvenant. Het hof geeft deze uitleg. De verzoeken van partijen komen hiermee niet overeen, zodat het hof beide verzoeken afwijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 5 juni 2012

Zaaknummer 200.093.053

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J. Dam-de Haan, kantoorhoudende te Emmen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R. de Vries, kantoorhoudende te Coevorden.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 1 juni 2011 (zaaknummer 78834 / FA RK 10-790) heeft de rechtbank Assen de verzoeken van de man en de vrouw aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld nadere stukken over te leggen. Bij beschikking van

20 juli 2011 (zaaknummer 78834 / FA RK 10-790) heeft de rechtbank Assen voor recht verklaard dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag aan partneralimentatie van € 2.552,25 per maand, waarvan een bedrag van € 2.100,-- per maand is onderworpen aan de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2006. Van dit bedrag maakt deel uit een bedrag van € 452,25 per maand voor hypotheeklasten. Zolang de voormalige echtelijke woning door de man nog niet was overgedragen aan een derde diende dat bedrag door de vrouw te worden aangewend voor het betalen van de hypotheekrente voor de voormalige echtelijke woning. De verplichting tot voldoening van die hypotheeklast door de vrouw verviel op het moment van overdracht door de man aan een derde, zijnde 6 mei 2010. Vanaf dat moment was de man aan de vrouw verschuldigd het bedrag van

€ 2.552,25 per maand, vermeerderd met € 22,75 per maand. Vanaf 6 mei 2010 valt dit gehele bedrag onder de wettelijke indexering. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 29 augustus 2011, heeft de vrouw verzocht de beschikkingen van 1 juni 2011 en 20 juli 2011 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het oorspronkelijk verzoek van de man af te wijzen en voorts bij beschikking te verklaren voor recht dat de beschikking van 23 februari 2005 en daarmee het tussen partijen gesloten convenant, aldus gelezen moet worden dat de man aan alimentatie ten behoeve van de vrouw dient te voldoen een bedrag van

€ 2.552,25, waarvan een bedrag van € 2.100,-- is onderworpen geweest aan de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2006 en dat deze deels geïndexeerde alimentatie, na 1 augustus 2007 dient te worden verhoogd met een bedrag van

€ 22,75, waarbij het alsdan ontstane totale bedrag valt onder de wettelijke indexering.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 18 oktober 2011, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar dat te ontzeggen.

Tevens heeft de man bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikkingen van de rechtbank Assen van 1 juni 2011 en (naar het hof leest:) 20 juli 2011 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het oorspronkelijke verzoek van de vrouw wordt afgewezen, en voorts bij beschikking te verklaren voor recht dat de beschikking van 23 februari 2005, en daarmee het tussen partijen gesloten convenant, aldus gelezen moet worden dat de man een bedrag van € 2.100,-- dient te voldoen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (welk bedrag jaarlijks geïndexeerd wordt), alsmede een vast bedrag ter grootte van € 452,25 per maand voor hypotheeklasten, waarbij bij beëindiging van de verplichting tot het betalen van de hypotheeklasten dit bedrag niet meer vergoed wordt en de uiteindelijke alimentatiebijdrage wordt verhoogd met € 22,75 per maand.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 15 december 2011, heeft de vrouw het verzoek in het incidenteel beroep bestreden en verzocht de man in zijn incidenteel beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

5 september 2011 met bijlagen van mr. Dam-De Haan.

Ter zitting van 8 maart 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat.

De beoordeling

De nagekomen stukken

1. Partijen zijn - na de mondelinge behandeling - door het hof in de gelegenheid gesteld om in onderling overleg tot overeenstemming te komen. Uit het faxbericht van 18 april 2012 van mr. De Vries blijkt dat er tussen partijen geen overeenstemming is bereikt zodat het hof in de onderhavige zaak een beslissing zal dienen te geven.

De vaststaande feiten

2. Partijen zijn [in 1975] met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de thans meerderjarige kinderen [kind 1] op [in 1979], [kind 2] op [in 1983] en [kind 3] op [in 1987] geboren. Het huwelijk is [in 2004] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [2004] in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3. Bij beschikking van 23 februari 2005 is opgenomen hetgeen partijen in het door hen op 14 januari 2005 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen over de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.

4. De man heeft de rechtbank - bij inleidend verzoek van 22 maart 2010, dat bij de rechtbank op 24 maart 2010 is binnengekomen - verzocht te verklaren voor recht dat de beschikking van 23 februari 2005 op dusdanige wijze gelezen moet worden dat de man een bedrag van € 2.100,-- dient te voldoen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (welk bedrag jaarlijks geïndexeerd wordt), alsmede een vast bedrag ter grootte van € 452,25 per maand voor hypotheeklasten, waarbij bij beëindiging van de verplichting tot betaling van de hypotheeklasten dit bedrag niet meer vergoed wordt en de uiteindelijke alimentatiebijdrage wordt verhoogd met € 22,75 per maand.

5. De vrouw heeft de rechtbank - bij verweerschrift van 12 mei 2010 - verzocht het verzoek van de man af te wijzen en te verklaren voor recht dat de beschikking van 23 februari 2005 en daarmee het tussen partijen gesloten convenant, aldus gelezen moet worden, dat de man aan alimentatie ten behoeve van de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 2.552,25, waarvan een bedrag van € 2.100,-- is onderworpen geweest aan de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2006 en dat deze deels geïndexeerde alimentatie, na het wegvallen van de verplichting van de vrouw tot voldoening van de hypotheeklast dient te worden verhoogd met een bedrag van € 22,75, waarbij het alsdan ontstane bedrag valt onder de wettelijke indexering.

6. De rechtbank heeft alvorens een eindbeschikking te geven bij voornoemde tussenbeschikking van 1 juni 2011 (zaaknummer 78834 / FA RK 10-790) onder meer de man in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag op welke datum de voormalige echtelijke woning door de man aan een derde is overgedragen. De vrouw is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij de beschikking van 20 juli 2011 heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Het principaal appel van de vrouw en het incidenteel appel van de man richten zich tegen beide beschikkingen.

De overwegingen

7. Het hof constateert - tezamen met partijen - dat de rechtbank in de beschikkingen waarvan beroep buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door een verklaring voor recht af te geven waarom geen van partijen had verzocht. De rechtbank had, nu beide partijen om een andersluidende verklaring voor recht hebben verzocht, niet de vrijheid om bij wijze van compromis een verklaring voor recht af te geven zoals in het dictum van de beschikking van 20 juli 2011 is opgenomen. Er kon - en kan - slechts ofwel een verklaring voor recht zoals door de man verzocht ofwel een verklaring voor recht zoals door de vrouw verzocht, worden afgegeven. Het vorenstaande brengt met zich dat de verklaring van recht, door de rechtbank afgegeven bij beschikking van 20 juli 2011, niet in stand kan blijven en de beide beschikkingen zullen worden vernietigd. Het hof dient vervolgens in deze procedure te beoordelen of het verzoek van de man dan wel het verzoek van de vrouw tot het afgeven van een verklaring voor recht in hoger beroep voor toewijzing vatbaar is.

8. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw in het door partijen op 14 januari 2005 ondertekende echtscheidingsconvenant. Zo zijn partijen het niet eens over het antwoord op de vraag wanneer de verplichting van de vrouw tot het betalen van de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning is geëindigd en over het antwoord op de vraag of het bedrag van € 425,25 aan hypotheekrente onderdeel is van de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.

9. Nu partijen het over het vorenstaande niet eens zijn, zal het hof bij de beoordeling van de door partijen in hoger beroep verzochte verklaringen voor recht onder meer dienen terug te vallen op de tekst van het door partijen op 14 januari 2005 ondertekende echtscheidingsconvenant. Daarnaast is tevens de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten relevant voor de beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld (het zogenaamde Haviltex-criterium).

10. Het hof is van oordeel dat uit de tekst van het echtscheidingsconvenant kan worden afgeleid dat partijen er destijds bij het opstellen van het echtscheidingsconvenant vanuit zijn gegaan dat de voormalige echtelijke woning aan een derde zou worden verkocht, waarna de vrouw de woning zou verlaten. Het hof verwijst naar de betreffende bepalingen in het echtscheidingsconvenant, te weten de zinsnede opgenomen onder A1:

'De voormalige echtelijke woning die thans door de vrouw wordt bewoond, blijft in gemeenschappelijke eigendom aan partijen toebehoren totdat deze wordt verkocht.'

En de zinsnede opgenomen onder A3:

'Na het behalen van het VWO diploma van het kind, doch uiterlijk 1 januari 2008, moet de woning verkocht zijn. Tot de datum van verkoop van de woning zullen de kosten aan de bouwkundige instandhouding van de woning - zijnde die welke tot het werkingsgebied van de opstalverzekering behoren alsmede de wettelijk verplichte belastingen - worden voldaan door de man. Alle overige kosten, inclusief de rentelasten voor de hypothecaire lening, komen voor rekening van de vrouw.'

Dat zij daar vanuit zijn gegaan blijkt tevens uit de in hoger beroep ingenomen stellingen van partijen. Zo geeft de vrouw in haar beroepschrift onder punt 12 aan dat partijen er bij het opstellen van het convenant vanuit zijn gegaan dat de woning door de vrouw bewoond zou blijven tot uiterlijk 1 januari 2008 en dat dan de woning ook verkocht zou zijn. Er is volgens haar destijds geen rekening gehouden met de situatie waarbij de woning na vertrek door de vrouw nog niet verkocht zou zijn. De man stelt in zijn verweerschrift onder punt 6 dat beide partijen er bij het opstellen van het convenant vanuit zijn gegaan dat de woning snel verkocht zou worden aan derden.

11. Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat partijen er destijds derhalve vanuit zijn gegaan dat de verplichting van de vrouw om de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning te voldoen, pas zou eindigen op het moment dat deze woning aan een derde zou zijn verkocht. Hoewel de vrouw van mening is dat haar verplichting om de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning te voldoen eerder is geëindigd door opmaking van de akte van 1 augustus 2007, waarbij de man de volledige eigendom van de voormalige echtelijke woning heeft verkregen en de verplichting op zich heeft genomen om de hypothecaire lening voor zijn rekening te nemen, wordt dit door de man gemotiveerd betwist. De man stelt dat partijen er slechts voor gekozen hebben de akte van 1 augustus 2007 op te maken omdat de vrouw alleen op die wijze in staat zou zijn een financiering te verkrijgen om een eigen woning te kunnen kopen. Dit is volgens hem ook zo door de vrouw ervaren, nu zij feitelijk - tot en met mei 2009 - de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning aan de hypotheekverstrekker is blijven voldoen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door de man van de stelling van de vrouw op dit punt, haar feitelijke gedragingen - doorbetaling van de hypotheekrente tot en met mei 2009 - en mede gelet op hetgeen partijen oorspronkelijk voor ogen heeft gestaan ten tijde van het sluiten van het convenant (weergegeven onder rechtsoverweging 10) acht het hof het redelijk om aan te nemen dat de verplichting van de vrouw tot het betalen van de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning niet - zoals door de vrouw betoogd - reeds op

1 augustus 2007 is geëindigd, doch pas op 6 mei 2010 (te weten: de dag waarop de hypothecaire geldlening is afgelost door levering van de voormalige echtelijke woning aan een derde). De door de vrouw in hoger beroep verzochte verklaring voor recht kan reeds om die reden dan ook niet worden afgegeven.

12. Het hof is van oordeel dat de door de man verzochte verklaring voor recht niet in overeenstemming is met hetgeen partijen - gelet op de tekst van het convenant - klaarblijkelijk bedoeld hebben, zodat de door hem in hoger beroep verzochte verklaring voor recht eveneens niet kan worden afgegeven.

Immers, onder D2 van het echtscheidingsconvenant is opgenomen:

'De hoogte van de alimentatie stellen partijen met ingang van de eerste maand volgend op de datum van de ondertekening van dit convenant vast op € 2.552,25 waarin een vast bedrag is opgenomen ter grootte van € 452,25 voor hypotheeklasten, waarmee de man in de behoefte van de vrouw voorziet.'

Het hof leidt uit deze zinsnede af dat de hoogte van de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw € 2.552,25 bedraagt en niet

€ 2.100,-- zoals de man heeft betoogd. Weliswaar zijn de hypotheeklasten in deze regeling nader gespecificeerd, doch hieruit kan naar het oordeel van het hof niet de conclusie worden getrokken dat het bedrag van € 452,25 geen onderdeel uitmaakt van de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. Het feit dat de man aan de vrouw afzonderlijke betalingen (een deel levensonderhoud en een deel hypotheekrente) heeft verricht en de fiscus het deel hypotheekrente niet als bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw heeft aangemerkt en het deel hypotheekrente aan onderwerping van de wettelijke indexering is uitgesloten, maakt het oordeel van het hof eveneens niet anders.

Slotsom

13. Op grond van het voorgaande dienen de beschikkingen waarvan beroep te worden vernietigd. De verzoeken van partijen om de door hen in hoger beroep verzochte verklaringen voor recht af te geven, zullen worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikkingen waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijst de verzoeken van partijen om de door hen verzochte verklaringen voor recht af te geven, af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, voorzitter,

A.W. Beversluis en K.R. Kuiken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 juni 2012 in bijzijn van de griffier.