Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW7776

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
24-3113-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2010:BO9608, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens tweemaal poging doodslag en poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd. De feiten zijn begaan respectievelijk op het station te Zuidbroek en in Groningen. Het betreffen zeer ernstige geweldsdelicten tegen volstrekt willekeurige slachtoffers. Verdachte heeft volstrekt geen inzicht (kunnen) (ge)geven in het waarom van zijn handelen en heeft niet willen meewerken naar onderzoek omtrent zijn persoon. Het hof houdt rekening met eerdere veroordelingen in Noorwegen en Litouwen. Hoewel het hof komt tot een andere juridische waardering van twee van de ten laste gelegde feiten acht het hof de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van twaalf jaren passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-003113-10

Uitspraak d.d.: 7 juni 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 30 december 2010 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-670384-10 en 18-650962-10, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

thans verblijvende in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 14 juli 2011, 26 september 2011, 12 december 2011 en 24 mei 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft op 28 juli 2011 een tussenarrest gewezen.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens de feiten 1 primair en 2 primair (telkens poging moord) in de zaak met parketnummer 18-670384-10 en het primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd) in de zaak met parketnummer 18-650962-10 tot een gevangenisstraf van twaalf jaren. In het geval het hof in voornoemde zaken komt tot een bewezenverklaring van poging doodslag, poging moord en poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, vordert de advocaat-generaal oplegging van een gevangenisstraf van tien jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. U. van Ophoven, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 18-670384-10:

1 primair:

hij op of omstreeks 18 september 2010 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1], met kracht, met een houten balk, althans een zwaar, stomp voorwerp, tegen/op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1 subsidiair:

hij op of omstreeks 18 september 2010 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (meerdere) schedelbasisfracturen, hersenbloedingen, hersenkneuzingen en een verbrijzeld jukbeen, heeft toegebracht, door deze [slachtoffer 1] opzettelijk, met kracht, met een houten balk, althans een zwaar, stomp voorwerp, tegen/op het hoofd te slaan;

2 primair:

hij op of omstreeks 18 september 2010 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade, [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 2], meermalen, met kracht, met een houten balk, althans een zwaar, stomp voorwerp, tegen/op het hoofd en/of tegen/op de linkeronderarm heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair:

hij op of omstreeks 18 september 2010 te [plaats 1], gemeente [gemeente], aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een meervoudige botbreuk in de linkeronderarm, heeft toegebracht, door deze opzettelijk, meermalen, met kracht, met een houten balk, althans een zwaar, stomp voorwerp, tegen/op het hoofd en/of tegen/op de linkeronderarm te slaan;

2 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 september 2010 te [plaats 1], gemeente [gemeente], aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing en een meervoudige botbreuk in de linkeronderarm, heeft toegebracht, door deze opzettelijk, meermalen, met kracht, met een houten balk, althans een zwaar, stomp voorwerp, tegen/op het hoofd en/of tegen/op de linkeronderarm te slaan;

Zaak met parketnummer 18-650962-10 (gevoegd):

primair:

hij op of omstreeks 14 september 2010 te [plaats 2] ter uitvoering van de/het door verdachte voorgenomen misdrijven/misdrijf om aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] met een (wijn)fles, althans met een zwaar voorwerp, met kracht op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 14 september 2010 te [plaats 2] opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] met een (wijn)fles, althans met een zwaar voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] letsel hebben/heeft bekomen en/of pijn hebben/heeft ondervonden;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs (18-650962-10):

De raadsman heeft ter zitting van het hof aangevoerd, dat het resultaat van de meervoudige fotoconfrontatie ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 3] dient te worden uitgesloten van het bewijs. Er is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu in strijd met het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek is gehandeld.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof stelt vast dat bij het uitvoeren van de meervoudige fotoconfrontatie niet conform de regels zoals gesteld in het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek, Staatsblad 2002, 46 (hierna: Besluit), is gehandeld. Echter, uit het Besluit, de bijbehorende Nota van toelichting en jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt, dat de regels zoals gesteld in het besluit, alleen betrekking hebben op een confrontatie in persoon. In casu was er sprake van een meervoudige fotoconfrontatie. Dit maakt, dat de regels in het Besluit niet van toepassing zijn op een geval zoals in casu. Het verweer van de raadsman moet dan ook worden verworpen.

Het hof merkt verder op, dat uit niets blijkt dat niet-naleving van de - in dit geval niet van toepassing zijnde - regels zoals deze zijn neergelegd in het Besluit, van invloed is geweest op de betrouwbaarheid van (de uitkomst van) de fotoconfrontatie. Het hof constateert dat het proces-verbaal van de gehouden fotoconfrontatie een voldoende gedetailleerde beschrijving geeft van de wijze waarop de fotoconfrontatie is verricht. Aangeefster herkende verdachte voor 100%. De herkenning van verdachte bij de fotoconfrontatie is op grond van voorgaande voldoende toetsbaar en wordt in samenhang met voornoemde omstandigheden en de overige bewijsmiddelen betrouwbaar geacht. Het hof gebruikt deze herkenning dan ook voor de bewijsconstructie.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd, dat niet voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde voor het overige wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Overweging met betrekking tot het bewijs (18-670384-10):

De raadsman heeft gesteld dat het daderschap van verdachte niet kan worden bewezen en bovendien in het onderzoek sprake is geweest van zogenaamde tunnelvisie. De raadsman concludeert tot vrijspraak.

Het hof volgt de raadsman niet in zijn verweer. Het hof stelt vast dat uit de processen-verbaal van verrichtingen van politie kan volgen dat, ook nadat verdachte relatief kort nadat de feiten werden gepleegd onder verdachte omstandigheden in de nabijheid van de plaats delict werd gesignaleerd en later aangehouden, het politieonderzoek zich nadien niet enkel op verdachte heeft toegespitst. Naast onderzoek gericht op verdachte, is op neutrale wijze voortgegaan met onder meer buurtonderzoek en het inschakelen van media teneinde getuigen te vinden. Het hof vindt in de opzet en uitvoering van het onderzoek van politie géén aanleiding te oordelen dat van aanvang aan de focus enkel op verdachte lag waarbij ieder alternatief scenario bij voorbaat in het onderzoek was uitgesloten of onvoldoende is onderzocht.

Voor wat betreft de bewezenverklaring van het daderschap van de verdachte inzake de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-670384-10 sluit het hof zich aan bij hetgeen door de rechtbank in haar vonnis is overwogen en beslist. Deze overweging luidt als volgt:

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de beide slachtoffers 's ochtends vroeg, iets voor 06:30 uur, uit het niets door een onbekende man met een balk tegen het hoofd zijn geslagen. Het slachtoffer [slachtoffer 2] spreekt in haar verklaring enkel over de aanwezigheid op het perron van haar, het andere slachtoffer en de onbekende man die met de balk sloeg. Zij merkte bovendien op dat die onbekende man hen aansprak in de, naar zij dacht, Duitse taal. Politieonderzoek ter plaatse leverde geen spoor van een aanwezige dader op. Uit de verklaring van de machinist blijkt dat verdachte omstreeks 07:14 uur is gezien, lopend langs het spoor, op een afstand van ongeveer 2,5 tot 3,5 km van het station [plaats 1]. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt vervolgens dat verdachte om ongeveer 08:00 uur nog weer 3,5 km verderop, richting [plaats 3], lopend langs het spoor is aangetroffen en daar is aangehouden. Verder blijkt dat de politieambtenaren die verdachte aanhielden voorafgaand aan de aanhouding geen andere personen langs het spoor hebben gezien.

Aan het feit dat verdachte kort na de op het station te [plaats 1] gepleegde feiten is gezien langs het spoor, lopend en zich verwijderend van dat station hecht de rechtbank bewijswaarde. Verdachte heeft ondanks dat hiernaar herhaaldelijk is gevraagd geen verklaring willen geven voor zijn aanwezigheid toen en daar. De rechtbank zal dit meewegen bij het waarderen van de bewijskracht.

Voorts weegt de rechtbank mee dat zij bewezen acht dat verdachte zich op 14 september 2010, te [plaats 2], heeft schuldig gemaakt aan buitensporig, volstrekt willekeurig en onverklaarbaar geweld en dat verdachte voor dit feit uit de inverzekeringstelling is ontslagen op 17 september 2010. De rechtbank constateert verder dat verdachte in 2007 voor het plegen van soortgelijk geweld is veroordeeld in Noorwegen.

Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat er op het station van [plaats 1] in de vroege ochtend van 18 september 2010 buitensporig, onverklaarbaar en volstrekt willekeurig geweld is gepleegd en verdachte korte tijd daarna is aangetroffen langs de spoorbaan, lopend vanuit de richting van het station te [plaats 1] in de richting van [plaats 3] en er niet is gebleken van aanwezigheid van andere verdachte personen, leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat verdachte de man moet zijn geweest die het geweld pleegde op het station in [plaats 1]. De rechtbank komt, de bewijsmiddelen waarderend, tot deze conclusie met name ook omdat verdachte geen enkele verklaring heeft willen geven voor zijn aanwezigheid langs de spoorbaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden met een voldoende mate van zekerheid uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte uit het niets is komen aanlopen, met een balk voor de slachtoffers is gaan staan, iets heeft gezegd en vervolgens eerst het slachtoffer [slachtoffer 1] op zijn hoofd en direct daarna, ondanks afwerend roepen, het slachtoffer [slachtoffer 2] op haar hoofd heeft geslagen en daarna nogmaals in de richting van het hoofd van slachtoffer [slachtoffer 2]. Door met een balk op het hoofd te slaan met zoveel kracht bestaat naar het oordeel van de rechtbank zonder enige twijfel de kans op de dood. Uit de bewezen gedragingen kan zonder meer opzet op de dood worden afgeleid. Dat de beide slachtoffers niet om het leven zijn gekomen is op geen enkele wijze aan verdachte te danken.

Met de rechtbank ontleent het hof aan de bewijsmiddelen (zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen) in combinatie met de hiervoor geformuleerde bewijsoverwegingen de overtuiging dat het de verdachte is geweest die de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met een houten balk tegen het hoofd heeft geslagen. In aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank neemt het hof het volgende in aanmerking.

* De delicten zijn begaan op zaterdagochtend, 18 september 2010, enkele minuten voor half zeven, op het station van het dorpje [plaats 1]. Het is een feit van algemene bekendheid dat het dorpje [plaats 1] een relatief kleine gemeenschap betreft en rondom is omgeven door landerijen. Als aangeefster [slachtoffer 2] het perron betreedt merkt zij tegen de haar onbekende aangever [slachtoffer 1] op dat deze er ook vroeg bij is en ziet zij (totdat de dader ten tonele verschijnt) geen andere personen (p. 167). Dat het in [plaats 1] rondom het tijdstip van de delicten nog geen drukte van belang was lijkt ook bevestiging te vinden in de resultaten van het buurtonderzoek (p. 41-44) waaruit blijkt dat meerdere respondenten rond half zeven nog in bed lagen.

* De door aangeefster [slachtoffer 2] genoemde uiterlijke kenmerken van de dader (p. 96: een blanke man van buitenlandse afkomst, hij sprak een vreemde taal, vrij grote man met een vol gezicht en een stevig/krachtig postuur, kort licht stekelig haar) zijn zodanig specifiek dat, uitgaand van een doorsnee populatie, een groot deel van de mensen als dader kan worden uitgesloten - de verdachte niet, zijn signalement is met die opgegeven uiterlijke kenmerken verenigbaar zoals het hof aan de hand van de na de aanhouding van de verdachte vervaardigde foto1 en tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft kunnen vaststellen.

* Als 'innerlijk kenmerk' van de dader heeft te gelden dat hij in staat moet zijn tot het ongeprovoceerd, onverhoeds en zonder kenbaar motief uitoefenen van grof geweld op/tegen het hoofd van hem onbekende schijnbaar willekeurige en weerloze personen. Indachtig het delict in Noorwegen in 2007 en de thans ook bewezenverklaarde feiten te [plaats 2] op 14 september 2010 - waarbij in beide zaken tevens sprake was van ongeprovoceerd, onverhoeds en zonder kenbaar motief uitoefenen van geweld tegen het hoofd van die (3) aangevers - moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte ook aan dit "innerlijk kenmerk" voldoet.

Het hof betrekt de omschreven wijze van aanwenden van geweld, zoals bij dit arrest onder parketnummer 18-650962-10 (Groningen) tevens bewezen wordt verklaard, bij de bewijsoverweging van de ten laste gelegde feiten ([plaats 1]) nu sprake is van belangrijke overeenkomsten in de feitelijke gang van zaken.

* Verdachte is kort nadat de feiten op het station te [plaats 1] waren gepleegd, aangetroffen in het baanvak tussen de stations [plaats 1] en - het daaropvolgend station - [plaats 3], in de landerijen aldaar lopend langs de spoorrails, ver van voor het openbaar verkeer openstaande wegen. Verdachte bewoog zich al lopend in de richting van [plaats 3], derhalve van het station te [plaats 1] vandaan. Voor zijn aanwezigheid op de plaats van zijn aanhouding heeft de verdachte, ofschoon hem daarnaar meermalen en nadrukkelijk is gevraagd, nimmer een verklaring gegeven. In algemene bewoordingen heeft de verdachte - kennelijk ter verklaring van zijn niet-verklaren - bij herhaling gewezen op het feit dat hij wel vaker na stevig alcoholgebruik een black-out gepaard gaand met geheugenverlies had beleefd. Met andere woorden, zo begrijpt het hof, het feit dat hij geen verklaring gaf voor zijn aanwezigheid op een hoogst ongebruikelijke locatie moest hem niet worden aangerekend, diende te worden toegeschreven aan onmacht in plaats van onwil om de vraag te beantwoorden. Deze stelling van de verdachte overtuigt het hof allerminst. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat de verdachte geen enkel concreet inzicht heeft gegeven in wat hij waar in de nacht voor de gebeurtenissen op het station van [plaats 1] heeft gedaan. Daarnaast ontbreken overtuigende aanwijzingen die erop kunnen duiden dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding zodanig onder invloed van alcohol verkeerde dat daardoor zijn beweerdelijke amnesie zou kunnen worden verklaard.

* Het hof houdt het ervoor dat verdachte - zoals hij ook heeft verklaard - de vraag naar zijn aanwezigheid ter plaatse niet heeft willen beantwoorden.

* Indien wordt uitgegaan van de gegevens betreffende tijd en plaats als vermeld in de eerste alinea van de bewijsoverweging van de rechtbank (zoals hiervoor weergegeven) en wordt aangenomen dat de verdachte zich in een rechte lijn (langs het spoor) en met een eenparige snelheid heeft voortbewogen, dan plaatst hem dat op/nabij de plaats delict ten tijde van het delict.

* Enige reële contra-indicatie voor het daderschap van de verdachte ontbreekt.

Uit deze feiten en omstandigheden in onderling verband bezien leidt het hof af dat de kans dat de dader een andere persoon was dan de verdachte als verwaarloosbaar klein moet worden aangemerkt. Het hof acht het boven redelijke twijfel verheven dat het de verdachte is geweest die in de vroege ochtend van 18 september 2010 op het station te [plaats 1] mevrouw [slachtoffer 2] en de heer [slachtoffer 1] heeft neergeslagen.

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er bij verdachte sprake was van voorbedachte raad. Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Het hof stelt vast dat verdachte zelf geen inzicht heeft gegeven in de gebeurtenissen op het station van [plaats 1] op 18 september 2010. Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat verdachte uit het niets kwam aanlopen met een balk in zijn handen, voor haar en [slachtoffer 1] ging staan, iets heeft gezegd wat zij niet verstond en vervolgens [slachtoffer 1] en haarzelf met de balk heeft geslagen. Andere getuigen die iets (hebben) kunnen verklaren over het incident en de momenten daaraan voorafgaand zijn er niet. [slachtoffer 1] heeft door het excessieve geweld dat door verdachte op hem is uitgeoefend vanwege het als gevolg daarvan ontstane hersenletsel in het geheel nooit een relevante verklaring kunnen afleggen.

Het hof is van oordeel dat door dit gebrek aan informatie over de feitelijke gang van zaken niet met voldoende zekerheid is vast te stellen wat zich direct voorafgaand, in de nabijheid van/ op het perron heeft afgespeeld voordat verdachte - aldus aangeefster [slachtoffer 2] - uit het niets kwam aanlopen en in het bezit van een houten balk voor zijn slachtoffers ging staan. Bij gebrek aan informatie omtrent de omstandigheden kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of verdachte voorafgaand aan het toebrengen van de slagen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tijd en gelegenheid heeft gehad tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Ook de (zeer korte) tijdspanne tussen het moment van slaan door verdachte van [slachtoffer 1] tot het (tweemaal) slaan van [slachtoffer 2] maakt dit voor het ten laste gelegde feit ten aanzien van [slachtoffer 2] niet anders.

Op grond van het bovenstaande is het hof - in tegenstelling tot de rechtbank en de advocaat-generaal - van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met voorbedachte raad heeft gepoogd te doden. De overige bestanddelen van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde kunnen - zoals hiervoor uiteengezet - wel worden bewezen, zodat verdachte zal worden veroordeeld wegens tweemaal poging tot doodslag.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-670384-10 onder 1 primair en 2 primair en in de zaak met parketnummer 18-650962-10 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 18-670384-10:

1 primair:

hij op 18 september 2010 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1], met kracht, met een houten balk, althans een zwaar, stomp voorwerp, tegen/op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair:

hij op 18 september 2010 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2], meermalen, met kracht, met een houten balk, althans een zwaar, stomp voorwerp, tegen/op het hoofd en tegen/op de linkeronderarm heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 18-650962-10 (gevoegd):

primair:

hij op of omstreeks 14 september 2010 te [plaats 2] ter uitvoering van de/het door verdachte voorgenomen misdrijven/misdrijf om aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] met een wijnfles met kracht op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-670384-10 onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde levert op, telkens:

poging tot doodslag.

het in de zaak met parketnummer 18-650962-10 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

In het tussenarrest van het hof d.d. 28 juli 2011 is gelast dat (nogmaals) onderzoek diende te worden gedaan naar de persoon van verdachte en zijn geestvermogens. Verdachte is derhalve opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum. Naar aanleiding van het onderzoek is door R.J.P. Rijnders, psychiater, en A.T. Spangenberg, klinisch psycholoog een rapport opgesteld d.d. 15 maart 2012. Uit dit rapport blijkt dat verdachte niet volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek. Het rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Aangezien er in het onderzoek te weinig zicht gekregen is op de persoon en de persoonlijkheid van betrokkene, kunnen ondergetekenden derhalve niet met zekerheid een uitspraak doen over de vraag of betrokkene, ten tijde van het ten laste gelegde, al dan niet lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis.

Ondergetekenden menen dat er sprake is van nauwelijks tot niet te bevatten strafbare feiten met een welhaast bizar karakter, maar kunnen deze feiten (indien bewezen) in dit beperkte onderzoek niet verklaren vanuit een gedragskundige optiek. Aangezien het niet mogelijk is een uitspraak te doen over de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis, kan derhalve ook niets worden gezegd over de eventuele doorwerking hiervan in het ten laste gelegde. Ondergetekenden onthouden zich daarom van een advies met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid.

Gelet op de inhoud van voornoemd rapport is het hof bij gebreke aan contra-indicaties, van oordeel dat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Nu is gebleken dat verdachte het ten laste gelegde volledig valt toe te rekenen en er ook anderszins geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van enkele dagen schuldig gemaakt aan vier zeer ernstige geweldsdelicten tegen volstrekt willekeurige slachtoffers. Nadat verdachte op 17 september 2010 rond het middaguur in vrijheid was gesteld na de eerste twee feiten te hebben gepleegd, pleegde hij in de vroege ochtend van de volgende dag reeds de volgende twee feiten.

Alle vier feiten betreffen buitengewoon ernstige feiten, waarbij het handelen van verdachte ernstige schade heeft toegebracht aan het leven en de gezondheid van vier mensen. Het is allerminst aan het handelen van verdachte te danken dat alle slachtoffers zijn aanval hebben overleefd. Met name de slachtoffers van de feiten in [plaats 1] zijn zwaar getroffen, zo blijkt onder meer uit de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2], zoals zij die d.d. 24 mei 2012 ter zitting van het hof heeft afgelegd. Aangever [slachtoffer 1] heeft als gevolg van het door verdachte op hem uitgeoefende buitensporige geweld nimmer een (slachtoffer)verklaring kúnnen afleggen, waaruit reeds blijkt hoe ernstig de gevolgen ook thans voor hem moeten zijn. Uit zijn medische en sociale gegevens blijkt in ieder geval van zeer ernstige en naar moet worden aangenomen blijvende lichamelijke en psychologische gevolgen.

Behalve het leed dat verdachte de slachtoffers heeft aangedaan, hebben de feiten grote gevoelens van onrust en onveiligheid met zich gebracht in de samenleving en zorgden zij voor een geschokte rechtsorde.

Verdachte heeft volstrekt geen inzicht (kunnen) (ge)geven in het waarom van zijn handelen. Hij heeft daarentegen telkens verklaard zich niets meer te kunnen herinneren van de ten laste gelegde feiten. Hierdoor blijft de waaromvraag ten aanzien van alle feiten volledig onbeantwoord hetgeen naar de ervaring heeft geleerd het verwerkingsproces van slachtoffers bepaald pleegt te bemoeilijken. Aan het onderzoek omtrent zijn persoon in het Pieter Baan Centrum heeft hij niettemin slechts ten dele willen meewerken. Conclusies omtrent een eventuele stoornis van de geestvermogens en/of een gebrekkige ontwikkeling dan wel omtrent het risico van recidive konden dan ook niet worden getrokken. Uit het voorgaande maakt het hof op dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft willen aanvaarden voor hetgeen hij heeft misdaan. Evenzeer blijkt dat de verdachte kennelijk niet de bereidheid heeft om de risico's voor toekomstige gewelddadige excessen - welke risico's blijkens het verleden onmiskenbaar aan hem lijken te kleven - nader te doen onderzoeken. Er bestaan geen aanwijzingen dat de verdachte niet bij machte zou zijn een andere opstelling te kiezen, dat hem gedragsalternatieven/keuzemogelijkheden zouden ontbreken. Eén en ander biedt weinig aansporing tot een vergeeflijke afdoening.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten. Wel blijkt uit het dossier dat verdachte in 2007 in Noorwegen is veroordeeld wegens een ernstig geweldsdelict en dat hij in Litouwen is veroordeeld onder meer wegens verkrachting. Het hof weegt deze eerdere veroordelingen mee in de strafoplegging.

Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf van lange duur. Hoewel het hof komt tot een andere juridische waardering van twee van de ten laste gelegde feiten acht het hof de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. Het hof zal verdachte daarom een gevangenisstraf van twaalf jaren opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-670384-10 onder 1 primair en 2 primair en in de zaak met parketnummer 18-650962-10 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-670384-10 onder 1 primair en 2 primair en in de zaak met parketnummer 18-650962-10 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. J.A.A.M. van Veen en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 7 juni 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Veen voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Dit betreft fotonr.[nummer], vervaardigd in september 2010 - vgl. proces-verbaal Simultane bewijsconfrontatie, voorzien van nr.[nummer], opgemaakt door [verbalisant 1], deel uitmakend van Bijlage A behorend bij het proces-verbaal verzoek gerechtshof Leeuwarden opgemaakt door [verbalisant 2], gesloten op 2 september 2011.