Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW5380

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
BK 11/00154 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Het gaat in dat verband om de bevoegdheid van de Inspecteur om overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een navorderingsaanslag aan belanghebbende op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1305
V-N 2012/42.6 met annotatie van Redactie
FutD 2012-1375 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2012/1506 met annotatie van Mr. A.A. Fase
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00154

uitspraakdatum: 8 mei 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 maart 2011, nummer AWB 10/1884, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.012. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 189.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 31 maart 2011, verzonden op 1 april 2011, ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2012 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede B, namens de Inspecteur, bijgestaan door C.

1.7 De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Het Hof ziet aanleiding de feiten, anders dan de Rechtbank, als volgt vast te stellen.

2.1 Belanghebbende, geboren 5 februari 1967, is in de periode van 18 april 2006 tot en met 31 december 2006 in dienstbetrekking geweest bij D B.V. Aan belanghebbende is door de Inspecteur een (deels vooringevuld) aangiftebiljet IB/PVV 2006 toegestuurd in verband met een vermoedelijke teruggaaf. Op de vooringevulde aangifte is niet het in 2006 genoten loon bij D B.V. van € 24.244 vermeld. Belanghebbende heeft van D B.V. een jaaropgaaf 2006 ontvangen met opgave van het door hem genoten loon. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet op 7 januari 2008 zonder wijzigingen ondertekend en teruggestuurd en heeft daarbij aangifte gedaan van uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.768.

2.2 De aanslag IB/PVV 2006 is met dagtekening 5 september 2008 conform de ingediende aangifte opgelegd.

2.3 Op 25 april 2010 heeft belanghebbende nogmaals een aangifte IB/PVV 2006 ingediend en hij heeft daarbij aangifte gedaan van uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.012. In deze aangifte heeft belanghebbende ook aangifte gedaan van het door hem genoten loon bij D B.V. (hierna: de inhoudingsplichtige) ten bedrage van € 24.244.

2.4 Aan belanghebbende is naar aanleiding van de tweede aangifte een navorderingsaanslag IB/PVV 2006 opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.012.

2.5 De Inspecteur heeft bij zijn verweerschrift gegevens gevoegd van de ten aanzien van belanghebbende bij de Inspecteur bekende inkomensgegevens. De Inspecteur heeft prints overgelegd uit de zogenaamde FI-base, een databestand van de Inspecteur waarin loon- en uitkeringsgegevens van belastingplichtigen zijn opgenomen. Het door belanghebbende genoten loon afkomstig van de inhoudingsplichtige ontbreekt hierop.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Het gaat in dat verband om de bevoegdheid van de Inspecteur om overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een navorderingsaanslag aan belanghebbende op te leggen.

3.2 De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – gestelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.3 Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – gestelde vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de bestreden navorderingsaanslag.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Voor eerst en vooraf

4.1 De ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg is van openbare orde en dient derhalve door het Hof ambtshalve te worden getoetst. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep, en de datum van terpostbezorging van het beroepschrift in het bijzonder, in eerste aanleg overweegt het Hof als volgt.

4.2 Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 Awb in samenhang met artikel 26c, van de AWR bedraagt de beroepstermijn zes weken en vangt de termijn aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen voor de dag van de bekendmaking. Bij verzending per post is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. De dagtekening van de uitspraak op het bezwaar is vrijdag 16 juli 2010. Er is niet gesteld dat de uitspraak na deze datum bekend is geworden. De termijn eindigde daarom op vrijdag 27 augustus 2010. Het beroepschrift is ontvangen op 31 augustus 2010. Dit is na afloop van de termijn, doch binnen een week na afloop daarvan. Het Hof heeft aan de hand van de poststempel op de enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden kunnen vaststellen dat deze door TPG Post is geplaatst op zondag 29 augustus 2010. Belanghebbendes stelling dat het beroepschrift op vrijdag 27 augustus 2010 ter post is bezorgd is daarmee aannemelijk te achten, aangezien, naar de ervaring leert, bij een terpostbezorging op die datum na 18:00 uur het poststuk op de zondag daarop volgend wordt gestempeld.

Ten gronde

4.3 Op grond van artikel 16, eerste lid, AWR (tekst: 2006) kan de inspecteur, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Niet in geschil is dat belanghebbende niet te kwader trouw is.

4.4 Het geschil spitst zich, naar partijen desgevraagd ter zitting eenparig hebben verklaard, uitsluitend toe op het antwoord op de vraag of de omstandigheid dat belanghebbende in het onderhavige jaar inkomsten uit dienstbetrekking (hierna: de looninkomsten) heeft genoten een feit is dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Belanghebbende stelt dat de inhoudingsplichtige de looninkomsten in 2006 aan de Belastingdienst heeft verstrekt. Hij verwijst hiervoor naar een verklaring van de inhoudingsplichtige “dat de loonheffing op tijd wordt betaald, dat de jaaropgaven op tijd worden verzonden en dat er nooit een verzuimbrief is ontvangen of een verzuimaanslag is opgelegd”. Voort stelt belanghebbende dat de Inspecteur onderzoek had moeten doen naar de looninkomsten, aangezien, naar het Hof begrijpt, de inspecteur loonbelasting de van de inhoudingsplichtige afkomstige gegevens met betrekking tot de afgedragen loonbelasting had moeten doorzenden aan de Inspecteur die bevoegd was ten aanzien van aanslag IB/PVV van belanghebbende, en dat, indien zulks door fouten in de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst niet geschiedt, dat voor rekening van de Inspecteur moet komen. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt onder meer nog aangevoerd dat in het onderhavige geval sprake was van een onverplichte aangifte die deels door de Belastingdienst vooringevuld was, dat het aangegeven inkomen lager was dan het wettelijk minimumloon, en dat er over latere jaren wel loongegevens van de inhoudingsplichtige bij de Inspecteur bekend waren. Met deze argumenten heeft hij evenwel, naar hij desgevraagd ter zitting heeft bevestigd, niet bedoeld nadere, zelfstandige grieven te poneren.

4.5 De Inspecteur heeft tegenover de grief van belanghebbende gesteld dat hij bij de (primitieve) aanslagregeling niet beschikte over gegevens ten aanzien van de looninkomsten (in de zogenoemde “FI-base” of “NIG-base”). De Inspecteur heeft betwist dat de bedoelde gegevens door de inhoudingsplichtige aan de inspecteur loonbelasting zijn verstrekt. De Inspecteur stelt dat hij eerst door het indienen van de tweede aangifte bekend is geworden met de looninkomsten. Tot dan toe was hierover door de Inspecteur geen informatie ontvangen.

4.6 Niet in geschil is dat belanghebbende in 2006 loon heeft genoten van de inhoudingsplichtige van € 24.244. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van de Inspecteur dat hij ten tijde van de (primitieve) aanslagregeling niet bekend was met deze looninkomsten, althans dat deze niet waren opgenomen in de “FI-base” dan wel de “NIG-base”. Het standpunt van belanghebbende komt er – voor die situatie - op neer dat de Inspecteur, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden van het geval, in het kader van de (primitieve) aanslagregeling gehouden was tot nader onderzoek.

4.7 Gelet op hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht met betrekking tot de inhouding en afdracht van loonbelasting door de inhoudingsplichtige op basis van de bij deze ingewonnen informatie, acht het Hof geloofwaardig dat de inhoudingsplichtige de relevante inkomensgegevens tijdig aan de inspecteur loonbelasting heeft verstrekt.

4.8 De Hoge Raad heeft in het arrest van 15 december 1999, nr. 34 940, LJN AA4337, BNB 2000/114, geoordeeld: “Indien (…) de belastingplichtige stelt dat sprake is van een ambtelijk verzuim, en het feit dat de inspecteur aanleiding tot navordering geeft, is vastgelegd in een van een andere eenheid van de Belastingdienst afkomstig renseignement, zal de inspecteur - als de partij die daartoe het beste in staat kan worden geacht - aannemelijk dienen te maken niet alleen dat dit renseignement ten tijde van de regeling van de primitieve aanslag nog niet in het dossier van de belastingplichtige aanwezig was, maar óók dat het toen zijn eenheid nog niet had bereikt, dan wel dat het renseignement weliswaar bij de eenheid was binnengekomen, doch op zodanig tijdstip dat het ten tijde van het regelen van de aanslag redelijkerwijs nog niet in het dossier van de betrokken belastingplichtige kon zijn gedeponeerd.”

4.9 Het Hof acht de in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad gegeven bewijslastverdeling ook aangewezen in het onderhavige geval. De Inspecteur op wie aldus de last rust aannemelijk te maken dat de door de inhoudingsplichtige aan een andere eenheid van de Belastingdienst verstrekte gegevens met betrekking tot de looninkomsten ten tijde van de (primitieve) aanslagregeling niet in de voor hem toegankelijke gegevensbestanden waren opgenomen, is, naar het oordeel van het Hof, in die bewijslast niet geslaagd. Indien en voor zover problemen met de koppeling van geautomatiseerde gegevensbestanden van de Belastingdienst er de oorzaak van zouden zijn dat de desbetreffende gegevens door de Inspecteur niet raadpleegbaar waren, is een omstandigheid welke voor rekening van de Inspecteur dient te komen. Het Hof is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van een feit dat de Inspecteur niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn, zodat er geen wettelijke grond is voor navordering. Het gelijk is dan ook aan belanghebbende.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond

5. Proceskosten

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2,5 punten ? wegingsfactor 1 ? € 437= € 1.092,50 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, en 2,5 punten ? wegingsfactor 1 ? € 437= € 1.092,50 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve op € 2.185.

6. Beslissing

Het Hof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vernietigt de bestreden navorderingsaanslag,

– vernietigt de bestreden beschikking heffingsrente,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.185 en

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 41 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 112 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 8 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 mei 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.