Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW5300

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
200.067.137/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg samenlevingsovereenkomst; maatstaf HR 22/09/2006, NJ 2006,521.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 3
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 900
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 8 mei 2012

Zaaknummer 200.069.137/01

(zaaknummer rechtbank: 99400/HA ZA 09-850)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging,

advocaat: mr. I.J. Woltman, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

advocaat: mr. C.W. van Weert, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 17 maart 2010 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 11 juni 2010 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 10 augustus 2010.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij een productie in het geding is gebracht, luidt:

"uitvoerbaar bij voorraad, om het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden d.d. 17 maart 2010 te vernietigen voorzover het de conventie betreft en alsnog opnieuw rechtdoende te beslissen dat de vorderingen van de vrouw zoals in de dagvaarding in eerste aanleg zijn verwoord, alsnog worden toegewezen, te weten dat de man aan de vrouw een bedrag ter hoogte van € 9.500,- dient te betalen terzake van de beëindiging van de samenlevingsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, dit met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] onder overlegging van producties verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 17 maart 2010, te bekrachtigen met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft drie als zodanig aangeduide grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. De volgende voor de beoordeling van het hoger beroep relevante feiten zijn tussen partijen niet in geschil:

1.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, en hebben van mei 2006 tot mei 2008 samengewoond.

1.2. De door partijen gezamenlijk bewoonde woning aan [adres] (hierna: de woning) is eigendom van [geïntimeerde].

1.3. Partijen zijn bij notariële akte van 15 februari 2008 een samenlevingsovereenkomst aangegaan.

1.4. In deze samenlevingsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

'VERKLARINGEN VOORAF

De comparanten verklaren:

Zij zijn in mei tweeduizend zes gaan samenwonen en zij voeren sinds dat tijdstip een gemeenschappelijke huishouding. Zij regelen hun vermogensrechtelijke verhouding als volgt.

(…)

Artikel 5. Woning in eigendom bij een van partijen.

1. Als een door partijen gemeenschappelijk bewoonde woning eigendom is van een van partijen, dan heeft de partij die eigenaar is van de woning ten opzichte van de andere partij geen recht op vergoeding voor het woonrecht van de andere partij. Partijen wensen de waardevermeerdering van de gezamenlijke bewoonde woning vanaf het moment van het sluiten van deze overeenkomst voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft, te laten komen. Partijen stellen vast dat de gezamenlijk bewoonde woning per vandaag een waarde heeft van drie honderd negen en vijftig duizend euro (€ 359.000,00). De waarde bij het einde van de samenleving zal worden gesteld op de op dat moment voor de woning laatstelijk vastgestelde waardering op grond van de Wet Waardering Onroerende Zaken. Een eventuele waardevermindering blijft voor rekening van de comparant sub 1.

2. (…)'

1.5. Blijkens een aanslagbiljet gemeentelijke heffingen van de gemeente [gemeente] met dagtekening 29 februari 2008 is aan [geïntimeerde] voor het belastingjaar 2008 een aanslag onroerende zaakbelasting opgelegd voor de woning. Daarbij is uitgegaan van een WOZ-waarde van € 378.000 met als waardepeildatum 1 januari 2007.

1.6. Bij brief van 21 juli 2009 heeft de gemeente [gemeente], voor zover van belang, het volgende aan [geïntimeerde] geschreven:

‘Naar aanleiding van uw verzoek om duidelijkheid aangaande de WOZ-waarde van het object [adres] per

1-1-2008, deel ik u het volgende mede.

In de loop van 2008 hebt u ons opmerkzaam gemaakt omtrent de eigendommen op de locatie [adres].

Gebleken is dat het perceel Bgm01 E 1154 ter grootte van 1770 m2 met daarop een berging /vrijstaand van 32 m2 niet uw eigendom is, maar dat van uw vader [vader van geïntimeerde] wonende te [woonplaats]. Derhalve was ten onrechte per 1-1-2008 dit perceel met gebouw ten onrechte in de woz-waarde betrokken, en had deze afgesplitst moeten worden. De waarde per 1 januari 2008 had € 20.000 lager moeten zijn, en derhalve vastgesteld moeten worden op € 358.000. Per 1 januari 2009 is deze correctie doorgevoerd in de bestanden.’

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. [appellante] heeft in conventie op grond van artikel 5 lid 1 van de op

15 februari 2008 gesloten samenlevingsovereenkomst betaling door [geïntimeerde] gevorderd van een bedrag van € 9.500,00. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Bij het einde van de samenleving in mei 2008 bedroeg de WOZ-waarde van de woning blijkens het aanslagbiljet gemeentelijke heffingen van

29 februari 2008 (belastingjaar 2008) € 378.000,00. Dat is ten opzichte van de tussen partijen vastgestelde waarde van € 359.000,-- een waardevermeerdering van € 19.000. De helft daarvan (€ 9.500,00) komt toe aan [appellante]. In reconventie heeft [geïntimeerde] afgifte van een aantal roerende zaken en betaling door [appellante] van (primair) een bedrag van € 25.500,00 gevorderd. Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen in conventie en in reconventie afgewezen. In hoger beroep gaat het alleen nog om de in conventie ingestelde vordering van [appellante] omdat tegen de afwijzing van de vordering in reconventie door [geïntimeerde] niet incidenteel is geappelleerd.

De grieven

3. De grieven stellen ook in appel de vraag aan de orde of [appellante] op de grondslag van artikel 5 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst bij het einde van de samenleving van partijen - mei 2008 - recht heeft op betaling door [geïntimeerde] van een bedrag van € 9.500,00. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of bij het einde van die samenleving sprake is van een waardemeerdering van de woning in de in artikel 5 lid 1 van de tussen hen op 15 februari 2008 gesloten samenlevingsovereenkomst bedoelde zin. Beantwoording van die vraag vergt uitleg van de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst, zoals de rechtbank met juistheid en in appel terecht niet bestreden heeft vooropgesteld (rov. 4.7. van het bestreden vonnis). Dat betekent dat de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst dient te worden uitgelegd met inachtneming van het zogeheten Haviltexcriterium, waarbij de rechter rekening dient te houden met alle bijzondere omstandigheden van het geval (vgl. HR 22 september 2006, NJ 2006, 521). De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4. Het hof stelt in dit verband voorop dat partijen, die sinds mei 2006 hebben samengewoond, op 15 februari 2008 een samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan en dat hun samenwoning kort daarop, per mei 2008, is beëindigd. Blijkens de tekst van artikel 5 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen beoogd te regelen dat de waardevermeerdering van de woning - die eigendom is van [geïntimeerde]- vanaf het moment van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst (15 februari 2008) voor rekening van beide partijen, ieder voor 50%, zou komen. Met het oog daarop hebben zij uitdrukkelijk bepaald dat ‘de gezamenlijk bewoonde woning per vandaag’ een waarde heeft van € 359.000,00 en dat de waarde ‘bij het einde van de samenleving’ zal worden gesteld op de ‘op dat moment’ voor de woning laatstelijk vastgestelde waardering op grond van de Wet Waardering Onroerende Zaken.

5. De samenwoning is per mei 2008 beëindigd, en volgens het hiervoor onder 1.5. genoemde aanslagbiljet gemeentelijke heffingen van 29 februari 2008 is voor het belastingjaar 2008 aan [geïntimeerde] een aanslag onroerende zaakbelasting opgelegd voor de woning, bij de vaststelling waarvan is uitgegaan van een WOZ-waarde van € 378.000,00. Volgens de letterlijke bewoordingen van artikel 5 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst zou dit inderdaad betekenen dat de waarde van de woning ‘bij het einde van de samenleving’ (per mei 2008) volgens de ‘laatstelijk vastgestelde waardering op grond van de Wet waardering Onroerende Zaken’ (het aanslagbiljet van 28 februari 2008) moet worden vastgesteld op € 378.000,00, zodat ten opzichte van de op 15 februari 2008 door partijen bepaalde waarde van € 359.000,00 sprake is van een waardestijging van € 19.000,00 waarvan 50% aan [appellante] toekomt.

6. Dat ziet echter voorbij aan het feit dat uit de onder 1.6. geciteerde brief van

21 juli 2009 van de gemeente [gemeente] onmiskenbaar volgt dat, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld (conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie sub 4.), per 1 januari 2008 ten onrechte het aan de vader van [geïntimeerde] in eigendom toebehorende perceel Bgm01 E 1154 van 1770 m2 met daarop een berging/vrijstaand van 32 m2 in de ‘woz-waarde’ is betrokken en dat op grond daarvan de waarde per 1 januari 2008 € 20.000,00 lager had moeten zijn, en dus vastgesteld had moeten worden op € 358.000,00. Dat dit onjuist zou zijn, is door [appellante] niet met kracht van argumenten betoogd. Gelet op deze bijzondere omstandigheid brengt een redelijke uitleg van artikel 5.1 van de samenlevingsovereenkomst mee dat bij de beoordeling van de vraag of per einde samenwoning van partijen sprake is van een waardestijging van de woning geen beslissende betekenis toekomt aan de in het aanslagbiljet van 28 februari 2008 vastgestelde WOZ-waarde, maar dat in ogenschouw moet worden genomen dat deze vaststelling per 1 januari 2008 onjuist is geweest en dat in werkelijkheid de waardevaststelling ‘bij het einde van de samenleving’ vastgesteld had moeten worden op € 358.000,00. [appellante] mag er daarom niet vanuit gaan dat sprake is van een waardestijging van de woning met € 19.000,00, en dat zij op grond van artikel 5 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst aanspraak zou hebben op de helft van dat bedrag.

7. Het argument van [appellante] dat wanneer de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2008 onjuist is vastgesteld, dit ook betekent dat de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2007 onjuist is vastgesteld en deze derhalve ook op € 20.000,00 lager moet worden vastgesteld, kan haar niet baten. Allereerst miskent dit argument dat de vaststelling in de samenlevingsovereenkomst dat de woning per 15 februari 2008 een waarde vertegenwoordigt van € 359.000,00 kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. De vraag of partijen met dat bedrag de WOZ-waarde hebben vastgesteld voor het belastingjaar 2007 en of, bij gebleken onjuistheid van de WOZ-waarde over het belastingjaar 2008, ook de WOZ-waarde over 2007 niet juist is, kan in het midden blijven omdat dit aan de overeengekomen vaststelling niet meer kan afdoen. In de tweede plaats volgt zonder concrete onderbouwing - die door [appellante] niet wordt gegeven - uit het enkele feit dat de WOZ-waarde voor het jaar 2008 onjuist is vastgesteld nog niet noodzakelijkerwijs dat dit voor het jaar 2007 eveneens, en in dezelfde mate, het geval is geweest. Of dat het geval is zou kunnen blijken uit informatie van de gemeente dat ook per 1 januari 2007 ten onrechte het aan de vader van [geïntimeerde] toebehorende perceel grond met berging ‘in de woz-waarde (is) betrokken’ en dat dientengevolge de WOZ-waarde per 1 januari 2007 eveneens € 20.000,00 lager had moeten zijn, maar zodanige informatie ontbreekt.

8. Het (algemeen geformuleerde) bewijsaanbod van [appellante] wordt gepasseerd omdat geen concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aan het voorgaande kunnen afdoen. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

Slotsom en kosten

9. De grieven falen en het bestreden vonnis zal, voor zover in conventie gewezen, worden bekrachtigd. Anders dan [geïntimeerde] heeft bepleit (memorie van antwoord sub 42) ziet het hof onvoldoende aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten tussen voormalige partners worden gecompenseerd, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 17 maart 2010 voor zover in conventie gewezen,

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep, met dien verstande dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. M.C.D. Boon-Niks, voorzitter, R.A. van der Pol en M.A. Koene en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dinsdag 8 mei 2012 in bijzijn van de griffier.