Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW5228

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
200.094.968/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek. De beslissing van de voorzitter om de raadsman niet de gelegenheid te bieden om bepaalde brieven integraal voor te lezen, vormt weliswaar een inbreuk op het recht van de raadsman om de mondelinge toelichting naar eigen inzicht in te vullen, maar wordt gerechtvaardigd door de regels van het toepasselijke procesreglement. Om die reden vormt de beslissing zelf onvoldoende grond voor de conclusie dat er sprake was van (de schijn van) partijdigheid. Dat de (op zich juiste) beslissing van de voorzitter mede is gebaseerd op een onjuist argument levert evenmin (de schijn van) partijdigheid op. Door de raadsman de gelegenheid te bieden de brieven samen te vatten, heeft de voorzitter eventuele objectieve twijfel over haar onpartijdigheid afdoende weggenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 8 maart 2012

Rekestnummer 200.094.968/03

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Wrakingskamer

Beschikking in de zaak met zaaknummer 200.094.968/03

[verzoekster], wonende te [woonplaats]

Behandelend advocaat:

Mr. W.P.R. Peeters, kantoorhoudende te Rijsbergen,

verzoeker in het wrakingsincident.

Strekkende tot wraking van:

Mr. G.M. van der Meer

senior raadsheer in dit hof,

verweerder.

Het verloop van de procedure

Bij de sector civiel van het hof is een procedure aanhangig tussen [verzoekster] als appellante en de Raad voor de Kinderbescherming als geïntimeerde. Bij beschikking van 5 juli 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, [verzoekster] ontheven van het gezag over de minderjarigen [Kind 1], [Kind 2] en [Kind 3], en Bureau Jeugdzorg Gelderland benoemd tot voogd over deze minderjarigen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Bij beroepschrift, binnengekomen ter griffie op 4 oktober 2011, heeft [verzoekster] verzocht voornoemde beschikking van 5 juli 2011 te vernietigen.

Bij verweerschrift, binnengekomen ter griffie op 28 oktober 2011, heeft de Raad voor de Kinderbescherming het verzoek van [verzoekster] bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Ter zitting van 28 februari 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn:

- mr. Peeters, advocaat van appellant;

- dhr. [X], namens de Raad voor de Kinderbescherming;

- dhr. [Y], namens Bureau Jeugdzorg.

Op deze zitting is door mr. Peeters een verzoek gedaan dat strekt tot wraking van mr. G.M. van der Meer, voorzitter van de meervoudige rekestenkamer van 28 februari 2012.

Mr. Van der Meer heeft niet in de wraking berust.

Er is een proces-verbaal opgemaakt van het wrakingsverzoek. Dit proces-verbaal is door mr. Peeters ondertekend. Daarnaast zijn de aantekeningen die de griffier van de zitting heeft gemaakt door de griffier en door mr. Van der Meer ondertekend.

De voorzitter heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst.

Het wrakingsverzoek is behandeld door de wrakingskamer op 28 februari 2012. Verschenen zijn mr. Peeters, [verzoekster], appellante, en een door hem meegebrachte tolk in de Franse taal.

Mr. Peeters heeft het wrakingsverzoek mondeling toegelicht. Mr. Van der Meer heeft voorafgaand aan de terechtzitting desgevraagd aangegeven af te zien van haar recht om te worden gehoord.

De beoordeling

de ontvankelijkheid van het verzoek

1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig gedaan een ook overigens ontvankelijk.

de aanleiding voor het wrakingsverzoek

2. Uit de aantekeningen van de griffier van de zitting volgt dat de voorzitter aan mr. Peeters de gelegenheid heeft gegeven om het beroepschrift toe te lichten en dat mr. Peeters toen een brief van (of namens) appellante aan BJZ heeft voorgelezen. Vervolgens is hij begonnen met het voorlezen van het antwoord van BJZ op deze brief. Tijdens het voorlezen van deze brief heeft mr. Van der Meer hem onderbroken. De aantekeningen vermelden over wat er vervolgens is gebeurd het volgende:

"De voorzitter vraagt naar de relevantie van het voorlezen van deze brieven. We zijn hier vanwege de ontheffing van het gezag. Hebben de brieven hierop betrekking of zien deze op vervanging van de gezinsvoogdijinstelling. De voorzitter legt uit dat het niet de bedoeling is om allerlei nieuwe stukken in te brengen en wijst op de duur van de spreektijd, namelijk 10 minuten. De stukken hadden eerder in het geding kunnen worden gebracht. De behandeling van de zitting dient ter nadere toelichting van de reeds ingebrachte stukken en ter informatie van het hof. Er is geen sprake van een pleidooi zoals in civiele zaken. Het is niet de bedoeling dat er allemaal nieuwe stukken worden voorgelezen.

De advocaat merkt op dat dit in zijn ogen relevant is en dat hij ze toch graag wil voorlezen. De voorzitter geeft de advocaat de gelegenheid de stukken samen te vatten en geeft aan dat nog vijf minuten resteren van de spreektijd.

De advocaat maakt bezwaar tegen de inperking. Hij merkt op dat hij mag voorlezen wat hij wil en dat de voorzitter hem niet mag beperken. De voorzitter herhaalt wat hiervoor is gezegd. De advocaat deelt mee dat hij de voorzitter zal moeten wraken."

de gronden van het wrakingsverzoek

3. Het door mr. Peeters ondertekende proces-verbaal van het wrakingsverzoek luidt als volgt:

“(…)De motivering is dat de voorzitter mijn pleidooi heeft onderbroken en mij heeft verboden de relevantie aan te tonen van dat wat ik aan het zeggen was en dat was relevant voor de beeldschepping van het gedrag van de wederpartij jegens mijn cliënte, waaruit partijdigheid van de voorzitter blijkt. De voorzitter heeft mij het recht ontnomen te zeggen wat ik wil in mijn pleidooi. Dit zijn de feiten en omstandigheden die de gronden van het verzoek vormen en hierom wraak ik de voorzitter.(…)”

Ter toelichting op dit verzoek heeft mr. Peeters bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek nog aangegeven dat naar zijn oordeel sprake is van objectieve partijdigheid van mr. Van der Meer. Het is aan hem, als raadsman, om te bepalen op welke wijze hij de belangen van zijn cliënte het best kan dienen. In dat kader heeft hij de vrijheid om zelf te bepalen wat hij - binnen de hem toegemeten tijd - bij gelegenheid van de mondelinge behandeling wel of niet zegt of voorleest. Door hem (uiteindelijk) te beletten de tweede brief voor te lezen, heeft mr. Van der Meer het hem onmogelijk gemaakt op de door hem gewenste wijze de belangen van zijn cliënte te behartigen en hem aldus beperkt in zijn rechten als advocaat, aldus mr. Peeters.

de beoordeling van het wrakingsverzoek

4. Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 6 EVRM heeft een ieder recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.

5. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv/artikel 6 EVRM kan onderscheid gemaakt worden tussen subjectieve en objectieve aspecten van onpartijdigheid. Bij de subjectieve aspecten gaat het om de persoonlijke instelling van de rechter. Uit het wrakingsverzoek volgt, dat de subjectieve onpartijdigheid niet in het geding is. Mr. Peeters heeft ter toelichting op het verzoek ook uitdrukkelijk aangegeven dat het verzoek de objectieve onpartijdigheid van mr. Van der Meer betreft.

6. Bij de objectieve aspecten gaat het om feiten of omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke instelling van de rechter, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. De verzoeker hoeft niet te bewijzen dat die feiten of omstandigheden ook werkelijk tot vooringenomenheid hebben geleid: "legitimate doubt" kan voldoende zijn. De feiten waarop de verzoeker zich beroept moeten aannemelijk zijn geworden. Zij moeten zwaarwegende redenen opleveren voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid.

7. Het hof stelt bij de beoordeling van het verzoek voorop dat de rechter verantwoordelijk is voor een goed en ordelijk verloop van de zitting, met inachtneming van de fundamentele beginselen van een goede procesorde. Bij een meervoudige zitting rust die verantwoordelijkheid primair op de voorzitter. Daarbij heeft de voorzitter de vrijheid om de zitting naar eigen inzicht en in de eigen stijl te leiden.

8. De bevoegdheid van de rechter om een zitting naar eigen inzicht te leiden vindt zijn grens in de fundamentele beginselen van een goede procesorde, zoals het recht op hoor- en wederhoor. Dat recht brengt onder meer mee dat partijen in voldoende mate en op gepaste wijze in de gelegenheid worden gesteld zich over de zaak uit te laten. Daarbij is het in beginsel aan partijen zelf - en wanneer een advocaat is ingeschakeld, aan hun advocaat - om te bepalen op welke wijze en met welke argumenten zij hun zaak tijdens de zitting willen bepleiten. In beginsel, omdat partijen daarbij wel gebonden zijn aan de regels die de wet en het toepasselijke procesreglement stellen aan, bijvoorbeeld, de termijn voor het indienen van (nadere) stukken en de duur van het pleidooi. Die regels betreffen echter niet de inhoud van het pleidooi. De vrijheid van de rechter om de zitting naar eigen inzicht te leiden, brengt dan ook niet de bevoegdheid met zich om, naast de op grond van wet en procesreglement geldende beperkingen, een partij of diens advocaat te beletten het pleidooi op de door hem gewenste wijze in te richten en om in dat verband bepaalde stellingen in te nemen of argumenten aan te voeren. Dat is alleen anders in uitzonderlijke situaties, waarin de wijze waarop een partij invulling wil geven aan het pleidooi een ordelijk verloop van de zitting in de weg staat, bijvoorbeeld vanwege nodeloos kwetsend en grof taalgebruik door de desbetreffende partij, of in strijd komt met fundamentele beginselen van een behoorlijk proces.

9. In dit geval heeft mr. Van der Meer aanleiding gezien om mr. Peeters tijdens het pleidooi te onderbreken en hem (kritisch) te bevragen op de relevantie van de door hem (gedeeltelijk) voorgelezen brieven. Zij heeft er in dat verband ook op gewezen dat het brieven betreft, die niet in de procedure zijn ingebracht. Nadat mr. Peeters bleef bij zijn voornemen om de brieven voor te lezen, heeft mr. Van der Meer hem de gelegenheid gegeven de brieven samen te vatten. Toen mr. Peeters geen genoegen nam met het samenvatten van de brieven en persisteerde bij zijn wens de brieven voor te lezen, heeft mr. Van der Meer haar eerdere standpunt herhaald. Daarmee heeft zij mr. Peeters (de facto) verboden de brieven voor te lezen.

10. Het enkele feit dat de inhoud van de brieven naar het oordeel van mr. Van der Meer niet relevant is voor de beoordeling van het door [verzoekster] ingestelde beroep rechtvaardigt het beletten van het voorlezen van deze brieven niet. Mr. Peeters is in beginsel vrij om die stellingen te betrekken en argumenten aan te voeren, die hij als rechtsgeleerd raadsman van [verzoekster], in het belang van [verzoekster] relevant acht. Wanneer de brieven niet van belang zijn voor de zaak, kan dat in de beslissing tot uiting komen, maar niet in het beletten van mr. Peeters de brieven ter zitting, nog voor de beslissing genomen is en een weloverwogen oordeel gevormd kan zijn over de relevantie van de brieven, voor te lezen. In dit verband overweegt het hof dat mr. Van der Meer uiteraard wel haar twijfels over de relevantie van de brieven (indringend) aan mr. Peeters voor mocht houden, zodat hij in de gelegenheid was om de relevantie toe te lichten dan wel er voor te kiezen de brieven toch niet voor te lezen. Toen mr. Peeters desondanks, en naar mag mogen aangenomen weloverwogen, bleef bij zijn voornemen de brieven voor te lezen, stond het mr. Van der Meer niet vrij om enkel op grond van haar eigen visie over de relevantie van de brieven mr. Peeters de mogelijkheid te onthouden de brieven voor te lezen.

11. Mr. Van der Meer heeft mr. Peeters, blijkens de in zoverre niet door mr. Peeters weersproken aantekeningen van de griffier, ook gewezen op het feit dat de brieven niet eerder in de procedure waren ingebracht. Uit de aantekeningen volgt dat ook dit gegeven redengevend was voor de (uiteindelijke) weigering om de brieven voor te lezen. Het procesreglement verzoekschriftprocedures familie zaken, waarmee mr. Peeters - als door hem verklaard - bekend is, bepaalt over het indienen van stukken het volgende:

“1.1. 6 Beroep op stukken

Indien een belanghebbende zich op stukken beroept, worden (kopieën van) deze stukken als bijlagen overgelegd. Alle bijlagen worden (door)genummerd en er wordt een overzicht gegeven van de bijlagen. Indien deze belanghebbende in eerste aanleg al (een) bijlage(n) heeft overgelegd, worden de in hoger beroep over te leggen bijlagen doorgenummerd.

(…)

1.4.3 Indiening nadere stukken voorafgaand aan mondelinge behandeling

Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over.

Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende.

Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist.

Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

De regeling geldt voor alle stukken waarop een belanghebbende “zich beroept”. Door tijdens zijn mondelinge toelichting brieven voor te lezen ter adstructie van zijn betoog over de vooringenomenheid van BJZ, de wederpartij, tegenover zijn cliënte, heeft mr. Peeters zich op deze brieven “beroepen” in de zin van het procesreglement. Het staat vast dat mr. Peeters deze brieven niet, en zeker niet binnen de in het procesreglement vastgestelde termijn, had overgelegd. In dat licht bezien, bood het procesreglement mr. Van der Meer in beginsel de mogelijkheid om mr. Peeters te beletten de brieven integraal voor te lezen. Door de brieven voor te lezen, zouden deze - nu in de vorm van de mondelinge toelichting van mr. Peeters - alsnog deel uitmaken van de rechtsstrijd, dit in strijd met de regels van het procesreglement. Zoals hiervoor is overwogen, wordt het recht van een advocaat om zich over de zaak uit te laten wel beperkt door, onder meer, het toepasselijke procesreglement. Nu gesteld noch gebleken is dat het onmogelijk was om de desbetreffende brieven (tijdig) in het geding te brengen, vindt de beslissing om mr. Peeters te beletten de brieven integraal voor te lezen een deugdelijke grondslag in het procesreglement.

12. De slotsom is dat de beslissing van mr. Van der Meer om mr. Peeters niet de gelegenheid te bieden de brieven integraal voor te lezen weliswaar een inbreuk vormt op diens recht om de mondelinge toelichting naar eigen inzicht in te vullen, maar dat die inbreuk gerechtvaardigd wordt door de regels van het toepasselijke procesreglement. Om die reden vormt de beslissing zelf onvoldoende grond voor de conclusie dat bij mr. Van der Meer sprake was van te vermijden (schijn van) partijdigheid. De vraag die resteert is of het feit dat mr. Van der Meer haar (op zich juiste) beslissing mede heeft gebaseerd op een onjuist argument - dat van de relevantie van de brieven- wel (de schijn van) partijdigheid oplevert.

13. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Zoals is overwogen, staat het een rechter vrij een partij kritisch te bevragen op de relevantie van diens argumenten. Dat bevragen, en het kritische gehalte, levert op zichzelf nog niet de schijn van partijdigheid op. Mr. Van der Meer heeft bovendien weliswaar niet toegelaten dat de brieven werden voorgelezen, maar zij heeft mr. Peeters wel de gelegenheid geboden om de stukken samen te vatten. Daarmee heeft zij eventuele objectieve twijfel over haar onpartijdigheid afdoende weggenomen.

14. De slotsom is dat het wrakingsverzoek niet toewijsbaar is.

De beslissing:

Het gerechtshof (wrakingskamer):

- wijst het wrakingsverzoek af.

Aldus gewezen door mrs. H.J. Deuring, voorzitter, J.J. Beswerda en H. de Hek, leden van de wrakingskamer, en uitgesproken ter openbare zitting van dit hof van 8 maart 2012 in bijzijn van de griffier.