Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4867

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
200.094.600/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 19 april 2012

Zaaknummer 200.094.600

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

voorheen wonende te [woonplaats], thans verblijvende te [verblijfplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.S. Dunant Maurits, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Friesland en Flevoland, locatie Leeuwarden,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

Belanghebbenden:

1. de pleegouders,

wonende op een voor de moeder geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders,

en

2. Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

de voogd van de minderjarigen

hierna te noemen: BJZ.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 29 juni 2011 (zaaknummer: 111058 / FA RK 11-419) heeft de rechtbank Leeuwarden de moeder ontheven van het gezag over de minderjarigen [kind 1] ([kind 1]), geboren [in 2005] en [kind 2] ([kind 2]), geboren [in 2006] en daarbij BJZ benoemd tot voogd over de beide minderjarigen. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 27 september 2011, heeft de moeder verzocht de beschikking van 29 juni 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de raad tot ontheffing van haar van het gezag over de twee kinderen, en tot benoeming van BJZ tot voogd, alsnog af te wijzen. Kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 6 december 2011, heeft de raad het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder het verweerschrift van BJZ, binnengekomen bij het hof op 21 december 2011, waarin eveneens wordt verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Ter zitting van 24 februari 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat, de heer W. Kelderhuis namens de raad, mevrouw B. Otto en

mevrouw mr. S. Polak namens BJZ. Mr. Polak heeft het woord - mede - gevoerd aan de hand van de door haar overlegde pleitaantekeningen.

Hoewel behoorlijk opgeroepen zijn niet verschenen ter zitting: de pleegouders.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. De minderjarigen [kind 1] en [kind 2] zijn geboren uit de relatie van de moeder met de heer [biologische vader]. [kind 1] is door haar biologische vader erkend. [kind 2] is (recent) door de heer [(stief)vader] erkend.

De moeder was tot de bestreden beschikking met het gezag over de minderjarigen belast.

2. Uit de relatie met de heer [biologische vader] is [in 2008] voorts geboren de minderjarige [kind 3]. Ook [kind 3] is erkend door en draagt de geslachtsnaam van de heer [(stief)vader].

3. Uit de relatie van de moeder met de heer [(stief)vader] is [in 2011] de minderjarige [kind 4] geboren.

4. [kind 1] en [kind 2] staan sinds 14 juni 2007 onder toezicht van BJZ. Sinds december 2007 zijn ze, krachtens machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter, in een (crisis-)pleeggezin geplaatst. Sinds 6 maart 2008 verblijven zij samen in het huidige pleeggezin.

5. Ten aanzien van [kind 3] is op 29 juni 2010 een (voorlopige) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uitgesproken. [kind 3] woont sinds 30 juni 2010 in hetzelfde pleeggezin als [kind 1] en [kind 2].

6. Ten aanzien van [kind 4] is sinds 4 mei 2011 een ondertoezichtstelling van kracht. [kind 4] woont bij zijn ouders.

7. De minderjarigen [kind 3] en [kind 4] zijn niet betrokken in de onderhavige procedure. Het beroep ziet uitsluitend op de gezagsbeslissing van de rechtbank ten aanzien van [kind 1] en [kind 2].

Het oordeel van het hof

8. Overeenkomstig het bepaalde in art. 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder worden ontheven van het gezag over zijn of haar kind op de grond dat hij of zij ongeschikt of onmachtig is zijn of haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Op grond van het bepaalde in art. 1:268 lid 1 BW kan de ontheffing niet worden uitgesproken, ingeval de ouder zich tegen ontheffing verzet. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien er sprake is van een van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel. In dit geval is alleen het bepaalde onder a van belang. Dit houdt in dat een ontheffing, ondanks verzet van de ouder, uitgesproken kan worden indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in art 1:254 BW af te wenden.

9. Vast staat dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] inmiddels langer hebben geduurd dan de hiervoor genoemde termijnen. Beide kinderen zijn op zeer jonge leeftijd, ze waren toen respectievelijk twee en een jaar oud, uit huis geplaatst, omdat zij ernstig in hun geestelijke en lichamelijke belangen werden bedreigd. Zij groeien thans in het gezin van de pleegouders voorspoedig op, worden goed verzorgd en zijn goed gehecht aan de pleegouders. Het belang van een goede verdere ontwikkeling van de kinderen vergt naar het oordeel van het hof dat een einde wordt gemaakt aan de onzekerheid omtrent hun toekomstperspectief. Uit de beschikbare gegevens, waaronder die uit het raadsrapport d.d. 3 maart 2011 dat aan het verzoek tot ontheffing ten grondslag ligt, is in dit verband gebleken dat het opvoedingsperspectief van [kind 1] en [kind 2] niet bij de moeder, maar bij de pleegouders ligt. Op grond daarvan ontbreekt het vooruitzicht op terugkeer van de kinderen naar de moeder, zodat het doel van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing er niet meer is.

10. Met de raad en BJZ is het hof van oordeel dat er duidelijkheid en zekerheid moet komen over de toekomst van deze twee kinderen. De kinderen hebben in het verleden in de thuissituatie bij de moeder veel meegemaakt: er was sprake van (huiselijk) geweld en drugsgebruik, veel wisselende situaties en wijziging van woonplaats. Er werd onvoldoende voorzien in de eerste levensbehoeften. De kinderen hebben (mede) daardoor veel schade opgelopen. Bij [kind 1] is sprake van een hechtingsstoornis en PTSS. [kind 2] is gediagnosticeerd met ADHD en ODD.

11. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat het uitsluitend scheppen van praktische voorwaarden (woonruimte en meer zicht op de financiën) geen voorwaarden voor de kinderen zijn om terug te keren naar de moeder, nog daargelaten dat de woonruimte die de moeder thans in [verblijfplaats] heeft, slechts voor de duur van één jaar blijkt te zijn.

12. Overigens is ook de moeder van oordeel dat terugkeer van de kinderen op dit specifieke moment niet aan de orde is. Zij benadrukt dan ook dat zij instemt met de voortduring van het verblijf van de kinderen in het huidige gezin, althans voor dit moment. Mede daarom kan het gezag gewoon bij haar blijven rusten, zo is haar mening. Het hof deelt de mening van de moeder niet nu uit alles blijkt dat zij met regelmaat de kinderen belast door hun te zeggen dat zij weer bij haar komen wonen.

13. De moeder maakt bij herhaling keuzes, al dan niet onder invloed van derden, die tegen de belangen van de kinderen ingaan. Het recent erkennen van twee van haar kinderen door [(stief)vader] is hiervan een duidelijk en schrijnend voorbeeld.

14. Het hof is ervan overtuigd geraakt dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] te vervullen. Dat de moeder thans de zorg draagt voor [kind 4] - haar jongste zoon, geboren [in 2011]- maakt dat oordeel niet anders. [kind 4] staat sedert 4 mei 2011 onder toezicht en zijn situatie is niet zonder meer vergelijkbaar met de situatie van [kind 1] en [kind 2]. Het hof merkt daarbij op dat ook de situatie van [kind 3], de jongste dochter van de moeder aanvankelijk (kennelijk) goed leek, maar [kind 3] uiteindelijk ook voor haar tweede verjaardag met een machtiging uit huis is geplaatst. [kind 3] was toen ernstig verwaarloosd en werd met hematomen in haar hals aangetroffen.

15. Gelet op het vooroverwogene is het hof van oordeel dat ontheffing van het gezag in het belang is van [kind 1] en [kind 2], omdat ontheffing hun rust, duidelijkheid en zekerheid zal geven met betrekking tot hun toekomst. Voor een goede wederkerige hechting van de kinderen aan de pleegouders is dat van groot belang.

16. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

Aldus gegeven door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, A.H. Garos en M.P. den Hollander, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 19 april 2012 in bijzijn van de griffier.