Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4745

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
200.088.678-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Het is niet ondenkbaar dat een partij door tot executie over te gaan misbruik van recht maakt, bijv. in een situatie waarin die partij er zelf in ernstige mate debet aan is dat zijn wederpartij, die moet presteren, daartoe feitelijk niet in staat is. Feiten waarop eisende partij haar vordering baseert komen echter niet voldoende vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 1 mei 2012

Zaaknummer 200.088.678/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.H. de Milliano- Machielse, kantoorhoudende te Katwijk,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 21 april 2011 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 mei 2011 is door de vrouw hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van de man tegen de zitting van 14 juni 2011.

De conclusie van de appeldagvaarding luidt:

"te vernietigen het vonnis van de Voorzieningenrechter bij de Rechtbank te Assen op 21 april 2011 onder rolnummer 85928 / KG ZA 11-79 gewezen en opnieuw rechtdoende, de in eerste instantie door appellante ingestelde vorderingen alsnog geheel toe te wijzen en mitsdien geïntimeerde te veroordelen het door hem gelegde executoriaal derdenbeslag onder het UWV op te (doen) heffen op straffe van een onmiddellijk opeisbare boete van € 10.000 voor iedere dag dat geïntimeerde hiermee in gebreke blijft met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Er is een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door de man verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Assen, gewezen op 21 april 2011 onder zaak-/rolnummer 85928/kG ZA 11-79 te bekrachtigen, met veroordeling van mevrouw Luining in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

Beide procesdossiers zijn incompleet, doch waar de stukken betreffen tussen partijen gewezen uitspraken en processen-verbaal, mag bekendheid bij beiden partijen aanwezig worden verondersteld en zal het hof op de aanwezige stukken recht doen.

De grieven

De vrouw heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten:

1. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 21 april 2011 geen feiten vastgesteld. Het hof gaat uit van de navolgende feiten, die vaststaan als enerzijds gesteld en anderzijds niet gemotiveerd betwist, danwel blijkend uit niet betwiste stukken die door een van beide partijen in het geding zijn gebracht.

1.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.

1.2 Op 23 januari 2008 heeft de rechtbank te Assen bij vonnis onder rolnummer 48941 / HA ZA 04/809 de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap verdeeld, waarbij onder meer de voormalige echtelijke woning aan de vrouw is toegescheiden, onder bepaling dat zij de hypotheekschuld voor haar rekening moest nemen. In dat vonnis is tevens bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van Euro 212.263,75 dient uit te keren wegens overbedeling. Dit vonnis is onherroepelijk geworden. Ten aanzien van de voormalige echtelijke woning is onder r.o 2.10 bepaald:

De rechtbank zal de woning aan de vrouw toedelen voor Euro 675.000,00 waarbij zij de daarbij behorende hypothecaire schulden voor een bedrag groot (…) in totaal Euro 267.683,85 voor haar rekening dient te nemen onder de verplichting wegens overbedeling aan de man te voldoen een bedrag groot (…) Euro 203.658,07.

1.3 De woning is feitelijk nimmer op naam van de vrouw gesteld. Op 5 december 2008 is deze woning (executoriaal) verkocht in opdracht van de bank als hypotheekhouder.

1.4 Op 16 februari 2009 heeft de vrouw aan de rechtbank te Assen verzocht om benoeming van een rechter-commissaris om te komen tot een gerechtelijke rangregeling teneinde de opbrengst van de woning te verdelen. Op 20 november 2009 hebben partijen ten overstaan van de rechter-commissaris een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van hun geschil. Een deel van de opbrengst is aan ieder der partijen uitgekeerd en de notaris heeft nog een bedrag van Euro 83.848,20 in depot.

1.5 Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst het volgende overeengekomen, voor zover hier van belang:

1. "Partijen nemen in overweging dat de huidige procedure voortvloeit uit het geschil tussen partijen over de wijze waarop de executieopbrengst van hun voormalige echtelijke woning moet worden verdeeld en dat te dien aanzien van hun gezamenlijke crediteuren de rechter-commissaris in deze rechtbank een rangregeling heeft vastgesteld.

(…)

3. Partijen zijn het echter niet eens over de rechten en verplichtingen die zij jegens elkaar geldend kunnen maken en derhalve is tussen hen in zoverre in geschil gekomen het hetgeen resteert van de executieopbrengst tussen hen moet worden verdeeld. partijen hebben te dien aanzien ter comparitie alsnog overeenstemming bereikt, waartoe zij de navolgende afspraken hebben gemaakt.

(…)

6. Hetgeen na uitkering van voorgaande bedragen resteert zal door de notaris in depot worden gehouden, totdat partijen eensluidend hebben bericht dat het depot op de door hen aangegeven wijze kan worden uitgekeerd, dan wel dat uit een onherroepelijke uitspraak van de rechter volgt op welke wijze het depot kan worden uitgekeerd".

1.6 De man heeft op 1 maart 2011 uit hoofde van het onder 1.2 vermelde vonnis executoriaal derdenbeslag laten leggen onder het UWV op de WAO-uitkering van de vrouw.

De beslissing in eerste aanleg en de situatie nadien

2. De vrouw heeft, stellend dat de man geen enkel recht meer kan ontlenen aan het vonnis d.d. 23 januari 2008, schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis (door middel van voormeld beslag) verzocht. De voorzieningenrechter heeft de gevorderde voorziening geweigerd.

Ten aanzien van de spoedeisendheid

3. Het beslag betreft de WAO-uitkering, welke de vrouw tot levensonderhoud strekt.

De spoedeisendheid - die niet is betwist - is daarmee gegeven.

Met betrekking tot de grieven

4. Het hof heeft kennisgenomen van de klachten over de bejegening door de voorzieningenrechter, waarmee de vrouw de memorie van grieven aanvangt. Het hof is evenwel niet de voor dergelijke klachten aangewezen instantie (zie omtrent de klachtenregeling van de rechtbank Assen www.rechtspraak.nl), zodat het hof aan een en ander verder voorbij gaat.

5. Met de grieven heeft de vrouw het geschil ten volle aan het hof voorgelegd. De kernvraag is of de man al dan niet terecht tot executie van het vonnis kon en kan overgaan door beslag te leggen op de WAO-uitkering van de vrouw, op basis van het vonnis van 23 januari 2008.

6. Uitgangspunt is het volgende. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mede dat in een executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak aangevoerd kunnen worden, behoudens die welke nopen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid (3:13 BW). Dat laatste kan zich voordoen als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke kennelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.

7. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat niet is gesteld of gebleken dat zich de situatie voordoet dat het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of dat de tenuitvoerlegging van dat vonnis, op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan. Tegen dat oordeel is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof daarvan heeft uit te gaan.

8. De vrouw voert echter aan dat executie van het vonnis onrechtmatig is c.q. misbruik van recht oplevert. Daartoe stelt zij een aantal feitelijkheden, in de kern erop neerkomend dat het aan de man valt te verwijten dat de woning niet aan de vrouw is toebedeeld, maar door de bank executoriaal is verkocht. De man heeft een en ander gemotiveerd betwist.

9. Het hof acht het niet ondenkbaar dat executie van een vonnis, buiten de twee hiervoor onder 5 weergegeven situaties, misbruik van bevoegdheid kan opleveren, bijvoorbeeld in een situatie waar de wederpartij zelf in ernstige mate debet is aan een situatie welke meebrengt dat degene die moet presteren daartoe feitelijk niet in staat is. Nu echter de feiten waarop de vrouw haar standpunt baseert slechts zeer summier zijn onderbouwd en door de man gemotiveerd zijn betwist en uitgebreide bewijslevering (waartoe overigens door de vrouw niet eens een aanbod is gedaan) het kader van een kort geding te buiten gaat, staan deze feiten niet voldoende vast. Aan de beoordeling of de man in dit geval daadwerkelijk misbruik van bevoegdheid tot executie maakt, komt het hof derhalve niet toe.

10. De beslissing van de voorzieningenrechter dient derhalve in zoverre, onder aanvulling van gronden, te worden bekrachtigd.

11. In het feit dat partijen gewezen echtelieden zijn wordt voldoende aanleiding gevonden de kosten van de procedure te compenseren, zowel in eerste aanleg als ook in hoger beroep.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis d.d. 21 april 2011, waarvan beroep, voor wat betreft de daarin ten laste van de vrouw uitgesproken kostenveroordeling;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

en (deels) opnieuw rechtdoende:

belast ieder der partijen met de eigen kosten, in eerste aanleg en in hoger beroep.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, J.M. Rowel-van der Linde en J.H. Kuiper, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 1 mei 2012 in bijzijn van de griffier.