Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4182

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
200.092.869/01 en 200.100.931/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY5917, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY5917
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever een geschillenregeling tussen de rechthebbende en de bewindvoerder niet wenselijk geoordeeld. Geen mogelijkheid in geval van een dergelijk geschil de rechter te adiëren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 6 maart 2012

Zaaknummers 200.092.869 en 200.100.931

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak met zaaknummer 200.092.869 van

1. [kind 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [kind 1],

2. [kind 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [kind 2],

hierna gezamenlijk te noemen: de rechthebbenden,

appellanten,

advocaat voorheen mr. R. van Asperen, kantoorhoudende te Groningen,

thans mr. B. van Dijk, kantoorhoudende te Groningen,

Belanghebbende:

Kompas Zuidlaren B.V.,

gevestigd te Zuidlaren,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

en in de zaak met zaaknummer 200.100.931 van

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

2. [de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

appellanten,

advocaat voorheen mr. R. van Asperen, kantoorhoudende te Groningen,

thans mr. B. van Dijk, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

1. [kind 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [kind 1],

2. [kind 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [kind 2],

hierna gezamenlijk te noemen: de rechthebbenden,

geïntimeerden,

ten deze in rechte vertegenwoordigd door:

Kompas Zuidlaren B.V.,

gevestigd te Zuidlaren,

hierna te noemen: de bewindvoerder.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 26 mei 2011, zaaknummers 487835/BM VERZ 10-5961 en 487835/BM VERZ 10-5971, BM: 2736, 2737, heeft de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen:

- het bedrag dat [kind 1] met ingang van 1 januari 2010 maandelijks ter zake van kostgeld aan de ouders dient te voldoen vastgesteld op € 350,- per maand;

- het bedrag dat [kind 2] over de periode 1 januari 2010 tot en met 27 mei 2010 ter zake van kostgeld aan de ouders dient te voldoen vastgesteld op

€ 210,- per maand;

- het bedrag dat [kind 2] vanaf 1 juni 2010 maandelijks ter zake van kostgeld aan de ouders dient te voldoen vastgesteld op € 350,- per maand;

- het bedrag dat [kind 1] en [kind 2] ieder maandelijks ontvangen ten behoeve van zak- en kleedgeld vastgesteld op € 100,-;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.092.869

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 25 augustus 2011, hebben de rechthebbenden verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren en te beslissen dat door de bewindvoerder aan de ouders, al of niet via de rekening van de rechthebbenden, wordt voldaan:

- dat gedeelte van de WAJONG-uitkering dat bestemd is voor de verpleging en verzorging;

- de tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten 2009 ad € 300,- van CAK;

- de tegemoetkoming chronisch zieken UWV ad € 350,- over 2009 en 2010;

- zak- en kleedgeld dat voor zowel [kind 1] als [kind 2] kan worden vastgesteld op € 70,- per week, en niet een hoger bedrag voor de een dan voor de ander;

met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van beide procedures.

In de zaak met zaaknummer 200.100.931

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 25 augustus 2011, hebben de ouders verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren en te beslissen dat door de bewindvoerder aan de ouders, al of niet via de rekening van de rechthebbenden, wordt voldaan:

- dat gedeelte van de WAJONG-uitkering dat bestemd is voor de verpleging en verzorging;

- de tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten 2009 ad € 300,- van CAK;

- de tegemoetkoming chronisch zieken UWV ad € 350,- over 2009 en 2010;

- zak- en kleedgeld dat voor zowel [kind 1] als [kind 2] kan worden vastgesteld op € 70,- per week, en niet een hoger bedrag voor de een dan voor de ander.

Blijkens de namens de ouders ter zitting gegeven toelichting hebben zij voorts bedoeld te verzoeken om de rechthebbenden te veroordelen in de kosten van beide procedures.

In beide zaken

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 10 oktober 2011, heeft de bewindvoerder de verzoeken bestreden.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 12 oktober 2011 met bijlagen en een brief van 27 oktober 2011 met bijlagen, beiden van mr. Van Asperen.

Ter zitting van 12 januari 2012 is de zaak behandeld. Verschenen is mr. Van Dijk. Het hof heeft voorts mr. Van Asperen toegestaan de zitting bij te wonen in zijn hoedanigheid van vertrouwenspersoon van zowel de rechthebbenden als de ouders. Namens de bewindvoerder zijn verschenen de heer [bewindvoerder 1] en de heer [bewindvoerder 2]. De appellanten zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De beoordeling

Nagekomen stukken

1. Het hof heeft ter zitting vastgesteld dat de beschikking waarvan beroep beslissingen bevat op twee afzonderlijke verzoekschriften, terwijl door de appellanten slechts één verzoekschrift is overgelegd. Het hof heeft partijen daarom gelast het in het procesdossier ontbrekende verzoekschrift alsnog zo spoedig mogelijk na de zitting aan het hof te doen toekomen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om uiterlijk twee weken na ontvangst van dit nader overgelegde stuk hierop schriftelijk te reageren.

2. De bewindvoerder heeft bij brief van 13 januari 2012, binnengekomen op de griffie van het hof op 20 januari 2012, het ontbrekende verzoekschrift met bijlagen overgelegd en tevens zijn reactie aan het hof kenbaar gemaakt.

3. Mr. Van Dijk heeft bij faxbericht van 25 januari 2012 eveneens het ontbrekende verzoekschrift met bijlagen overgelegd en tevens de reactie van de appellanten aan het hof kenbaar gemaakt.

4. Het hof stelt vast dat sprake is van een verzoekschrift van 27 december 2010 van de rechthebbenden tegen de bewindvoerder (hierna: verzoekschrift 1) en een verzoekschrift van 27 december 2010 van de ouders tegen de rechthebbenden (hierna: verzoekschrift 2).

5. Mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, zal het hof het hoger beroep splitsen in een hoger beroep dat gericht is tegen de beslissing van de kantonrechter op verzoekschrift 1, en dat is ingesteld door de rechthebbenden (zaaknummer 200.092.869), en een hoger beroep dat gericht is tegen de beslissing van de kantonrechter op verzoekschrift 2, en dat is ingesteld door de ouders van de rechthebbenden (zaaknummer 200.100.931).

In de zaak met zaaknummer 200.092.869

6. In verzoekschrift 1 hebben de rechthebbenden de kantonrechter verzocht vast te stellen dat zij maandelijks met ingang van 1 januari 2010 aan kost en inwoning ten behoeve van de verzorging door hun ouders (het hof begrijpt: aan hun ouders) betalen een bedrag van:

- dat gedeelte van de Wajong-uitkering dat bestemd is voor de verzorging;

- de tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten 2009 ad € 300,- van CAK;

- een passend bedrag aan kostgeld;

- de tegemoetkoming chronisch zieken UWV ad € 350,- over 2009 en 2010;

- de volledige vakantietoeslag die in mei wordt uitgekeerd;

- zak- en kleedgeld dat zowel voor [kind 1] als voor [kind 2] op € 70,- per week kan worden vastgesteld en niet een hoger bedrag voor de een dan voor de ander;

- de vergoeding van het CAK voor de ziektekosten die € 54,- per persoon per jaar bedraagt.

In de zaak met zaaknummer 200.100.931

7. In verzoekschrift 2 hebben de ouders de kantonrechter verzocht vast te stellen dat de rechthebbenden maandelijks met ingang van 1 januari 2010 aan kost en inwoning ten behoeve van de verzorging door hun ouders (het hof begrijpt: aan hun ouders) betalen een bedrag van:

- dat gedeelte van de Wajong-uitkering dat bestemd is voor de verzorging;

- de tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten 2009 ad € 300,- van CAK;

- een passend bedrag aan kostgeld;

- de tegemoetkoming chronisch zieken UWV ad € 350,- over 2009 en 2010;

- de volledige vakantietoeslag die in mei wordt uitgekeerd;

- zak- en kleedgeld dat zowel voor [kind 1] als voor [kind 2] op € 70,- per week kan worden vastgesteld en niet een hoger bedrag voor de een dan voor de ander;

- de vergoeding van het CAK voor de ziektekosten die € 54,- per persoon per jaar bedraagt.

In beide zaken

8. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kantonrechter ten aanzien van beide verzoeken beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Beide hoger beroepen richten zich tegen deze beslissing.

De vaststaande feiten

9. De rechthebbenden zijn tweelingzussen en geboren in 1970. Beide hebben een psychiatrische aandoening en een verstandelijke handicap. De rechthebbenden wonen sinds hun geboorte bij de ouders in huis.

10. Over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbenden is een bewind ingesteld. Bij beschikkingen van de kantonrechter te Groningen van 8 juli 2009 is Kompas Zuidlaren B.V. benoemd tot opvolgend bewindvoerder.

11. Bij beschikkingen van de kantonrechter te Groningen van 18 november 2008, hersteld bij beschikkingen van 26 januari 2009, is over de rechthebbenden een mentorschap ingesteld, waarbij mevrouw [mentor] van Masis Bewindvoering tot mentor is benoemd. Bij beschikkingen van 28 juli 2009 heeft dit hof deze beschikkingen bekrachtigd.

De overwegingen van het hof

In de zaak met zaaknummer 200.092.869

12. Op grond van artikel 1:438, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder.

13. In casu verzoeken de rechthebbenden in hoger beroep, kort gezegd, dat de bewindvoerder wordt veroordeeld om ter zake van kost en inwoning een bedrag uit het onder bewind staande vermogen uit te keren aan de ouders. Het hof stelt vast dat een dergelijke handeling juridisch dient te worden gekwalificeerd als een beheershandeling, nu het de normale exploitatie van de onder bewind gestelde goederen betreft.

14. De wet kent in geval van verschil van mening tussen de rechthebbende en de bewindvoerder over het te voeren beheer aan de rechthebbende niet de mogelijkheid toe de rechter te adiëren. Blijkens de wetsgeschiedenis (MvA, Kamerstukken II, 15 350, pagina 2 en verder) heeft de wetgever een dergelijke geschillenregeling niet wenselijk geoordeeld omdat deze niet strookt met het doel van het beschermingsbewind, te weten bescherming in vermogensrechtelijk opzicht van de rechthebbende. Bovendien werd gevreesd dat de animo om tot bewindvoerder benoemd te worden erg klein zou worden als de wet die mogelijkheid wel aan de rechthebbende zou bieden.

15. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de wet niet voorziet in een machtiging of vervangende toestemming indien de bewindvoerder, zoals in casu, weigert een beheershandeling te verrichten. Het hof zal het verzoek van de rechthebbenden daarom afwijzen als niet op de wet gegrond.

In de zaak met zaaknummer 200.100.931

16. Hoewel aan de ouders op grond van het bepaalde in de artikelen 1:432 en 1:433 als bloedverwanten in de rechte lijn wel bevoegdheden zijn toegekend ten aanzien van het instellen van een bewind over de goederen van de rechthebbenden, voorziet de wet naar het oordeel van het hof niet in een mogelijkheid voor de ouders om de kantonrechter te verzoeken de hoogte van het door de rechthebbenden aan hen te betalen bedrag voor kost en inwoning vast te stellen. Voor zover de ouders van mening zijn dat de rechthebbenden enige verplichting die zij jegens de ouders hebben niet nakomen, wat door de ouders in de onderhavige procedure overigens niet is gesteld, is de dagvaardingsprocedure de juiste rechtsingang. Ook het verzoek van de ouders zal daarom worden afgewezen als niet op de wet gegrond.

17. Hoewel de kantonrechter, gelet op het voorgaande, de inleidende verzoeken van de rechthebbenden en de ouders had dienen af te wijzen, zal het hof de bestreden beschikking niet vernietigen. Het hof neemt hiertoe in aanmerking dat geen der partijen vernietiging van de bestreden beschikking heeft verzocht. Voorts is ter zitting gebleken dat de bewindvoerder zich kan vinden in het in de bestreden beschikking bepaalde, terwijl het hof aanneemt dat ook de rechthebbenden en de ouders in geval van afwijzing van hun verzoeken in hoger beroep de bestreden beschikking in stand wensen te laten. Het hof zal mitsdien het door de rechthebbenden en de ouders in hoger beroep verzochte afwijzen en de bestreden beschikking noch bekrachtigen, noch vernietigen.

Kostenveroordeling

In de zaak met zaaknummer 200.092.869

18. Het hof ziet, los van de vraag of een proceskostenveroordeling gerechtvaardigd is indien een verzoek als niet op de wet gegrond wordt afgewezen, geen mogelijkheid om de bewindvoerder te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de hoger beroepsprocedure, zoals door de rechthebbenden verzocht, nu de bewindvoerder geen formele procespartij is in deze zaak. Het hof zal mitsdien bepalen dat iedere partij de eigen kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep draagt.

In de zaak met zaaknummer 200.100.931

19. Het hof ziet geen aanleiding om de rechthebbenden te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de hoger beroepsprocedure, zoals door de ouders verzocht, nu het verzoek van de ouders als niet op de wet gegrond zal worden afgewezen en er geen omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan het redelijk zou zijn de rechthebbenden in deze kosten te veroordelen. Het hof zal mitsdien bepalen dat iedere partij de eigen kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep draagt.

Slotsom

20. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

in de zaak met zaaknummer 200.092.869:

wijst het in hoger beroep verzochte af;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep draagt;

in de zaak met zaaknummer 200.100.931

wijst het in hoger beroep verzochte af;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, J.G. Idsardi en I.A. Vermeulen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 maart 2012 in bijzijn van de griffier.