Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW2943

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
200.098.925-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een van de vele procedures waarin twee zonen strijden over de verdeling van de nalatenschap van wijlen hun moeder en echtgenote. In het onderhavige kort geding wordt in wezen staking van de door de bodemrechter bevolen executie gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 17 april 2012

Zaaknummer 200.098.925/01

(zaaknummer rechtbank: 128785 / KG ZA 11-270)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant 1], en

2. [appellant 2]

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant 2],

appellanten in het principaal appel, geïntimeerden in het incidenteel appel, tevens eisers in het incident,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna ook gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het incidenteel appel, appellant in het incidenteel appel, tevens verweerder in het incident,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaten: mr. N.G. van Breukelen, kantoorhoudende te Roden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 7 november 2011 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, sector civielrecht (hierna: de voorzieningenrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 2 december 2011 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 20 december 2011.

De grieven van [geïntimeerde] zijn vermeld in de dagvaarding in hoger beroep. Daarin is tevens een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij voorraad van het bestreden vonnis opgeworpen. De conclusie van deze dagvaarding (met twee producties) luidt:

"(…)

I. het vonnis in kort geding d.d. 7 november 2011 door de Rechtbank te Groningen (…) gewezen te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden, alsnog geïntimeerde in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hem deze vorderingen te willen ontzeggen;

II. vader te veroordelen om binnen zes weken na betekening van dit vonnis mee te werken aan de levering van de landbouwgrond, kadastraal bekend: [adres], groot 17 hectare aan [appellant 1], onder de voorwaarde dat [appellant 1] onder de notaris zal storten een bedrag ad € 229.500,- dat door de notaris zal worden overgeboekt op de boedelrekening met het nummer 10.32.20.763, zulks onder verbeurte van een direct opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 500,- voor elke dag dat vader daarmee in gebreke blijft;

III. vader te veroordelen om binnen zes weken na dagtekening dezes de totale opbrengst van het melkquotum, alsmede de staking van zijn eenmanszaak bij de fiscus te hebben aangegeven en van deze aangiften kopieën te hebben gestuurd aan appellanten zulks onder verbeurte van een direct opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 500,- voor elke dag dan wel dagdeel dat vader daarmee in gebreke blijft;

IV. vader te willen veroordelen in de kosten van beide procedures;

V. het af te geven arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

in het incident:

VI. de tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 7 november 2011 van de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring te willen schorsen c.q. op te heffen, een en ander voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad."

[appellanten] hebben van eis geconcludeerd.

[geïntimeerde] heeft een antwoordconclusie in het incident genomen en daarin geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering dan wel voorwaardelijke toewijzing.

Voorts heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met vijf producties) genomen.

De conclusie in het principale appel luidt:

”I. Dat het Uw Gerechtshof moge behagen om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar

bij voorraad, de grieven in het spoedappèl van [appellanten], niet-ontvankelijk te

verklaren, dan wel deze af te wijzen.

II. [appellanten] te veroordelen in de proceskosten en griffierechten van deze procedure.”

De conclusie in het incidentele appel luidt:

“I. Dat het uw Gerechtshof moge behangen (het hof leest: behagen) om bij arrest, voor

mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het Kort Geding vonnis van 7 november 2011,

door de Rechtbank Groningen tussen partijen gewezen, bekend onder zaaknummer

128785/KG ZA 11-270, te vernietigen op het punt van de laatste deelzin “onder de

voorwaarde dat … stort of doet storten.” van punt 5.1 van het Kort Geding vonnis en

opnieuw recht doende, zo nodig onder aanvulling en of verbetering der gronden;

II. [appellanten] te veroordelen tot betaling van de door [appellanten] verschuldigde dwangsommen

aan [geïntimeerde] vanaf 21 december 2011 tot en met de dag der algehele voldoening

conform punt 5.2. van het Kort Geding vonnis van 7 november 2011 of als [geïntimeerde]

door Uw Edelachtbare Hof gehouden wordt aan het storten van het bedrag van

€ 100.000,00 (zegge: één honderd duizend Euro) op de boedelrekening conform punt

5.1 van het Kort Geding vonnis van 7 november 2011, de door [appellanten] aan [geïntimeerde]

verschuldigde dwangsom op dit bedrag van € 100.000,00 (zegge: één honderd duizend

Euro) in mindering wordt gebracht of een bedrag zoals Uw Edelachtbare Hof in goede

justitie bepaalt;

III. [appellanten] te veroordelen in de proceskosten en het griffierecht van deze procedure.”

Bij arrest van 14 februari 2012 heeft het hof de incidentele vordering van [appellanten] afgewezen met aanhouding van een beslissing aangaande de kosten in het incident tot het eindarrest. De inhoud van het arrest van 14 februari 2012 wordt hier beschouwd te zijn herhaald en ingelast.

Vervolgens is doorgeprocedeerd in de hoofdzaak, waartoe [geïntimeerde] ter voorbereiding op de zitting vier nadere producties heeft overgelegd.

Op 22 februari 2012 is de zaak mondeling behandeld en hebben partijen hun zaak door hun advocaten doen bepleiten, [appellanten] door mr. F.P. van Dalen en [geïntimeerde] door mr. N.G. van Breukelen.

[appellanten] hebben ter zitting bezwaar gemaakt tegen overlegging van de producties 6 t/m 8 (overgelegd bij brief van 16 februari 2012) nu deze producties volgens hen te laat zijn overgelegd. Het hof gaat aan dit bezwaar voorbij. De producties zijn van beperkte omvang en zijn vrijwel alle aan [appellanten] bekend. Voorts is in dit (door [appellanten] aanhangig gemaakt) spoedappel volgens art. 9.1.11 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven overlegging van stukken tot vier dagen voor de zitting mogelijk, aan welke termijn [geïntimeerde] zich gehouden heeft. Tegen overlegging van productie nummer 9 (kortgeding vonnis van 17 februari 2012 door de rechtbank Groningen tussen partijen gewezen) is geen bezwaar gemaakt.

Vervolgens hebben partijen het hof verzocht arrest te wijzen op basis van de voor het pleidooi overgelegde stukken.

De beoordeling

1. Deze zaak is er een van vele procedures waarin partijen al jaren procederen over de verdeling van de nalatenschap van [mevrouw A] wijlen de echtgenote van [geïntimeerde], respectievelijk de moeder van [appellanten]

Spoedeisendheid

2. Ter zake van de spoedeisendheid verschillen partijen van mening. [geïntimeerde] is 84 jaar oud en heeft gesteld dat zijn leeftijd een voorziening in kort geding rechtvaardigt.

3. Hoewel een hoge leeftijd onvoldoende is om alleen op basis daarvan een spoedeisend belang aan te nemen, kan die leeftijd wel een rol spelen indien sprake is van aanvullende omstandigheden, zoals in deze zaak het geval is. De huidige levensstandaard van [geïntimeerde] is sterkt begrensd door zijn huidige inkomen. Onweersproken is gesteld dat [geïntimeerde] zijn vermogen steeds heeft beschouwd als oudedagsvoorziening. Zolang het gemeenschappelijke vermogen tussen partijen niet verdeeld is, is [geïntimeerde] aangewezen op een AOW-uitkering en hij moet blijven wonen in een aanleunwoning terwijl hij het buitenleven gewend is. Daarbij komt dat er nog geprocedeerd wordt tussen partijen en dat het einde van die procedures niet op korte termijn te verwachten is.

4. Onder die omstandigheden is er een voldoende spoedeisend belang bij een voorziening in kortgeding. Daarmee faalt grief III in het principaal appel.

Feiten

5. [mevrouw A.] is overleden [in 2001]. [geïntimeerde] en [mevrouw A.] waren gehuwd in gemeenschap van winst en verlies. In haar testament heeft [mevrouw A.] als haar enige erfgenamen [appellant 1] en [appellant 2] aangewezen.

6. In het bodemgeschil aangaande de verdeling van de nalatenschap heeft de rechtbank Groningen op 10 februari 2010 eindvonnis gewezen. [geïntimeerde] heeft de beslissingen uit voormeld vonnis door notaris [naam] laten uitwerken in een concept verdelingsakte. Tevens heeft [geïntimeerde] door de notaris een concept leveringsakte laten opstellen waarin wordt gerefereerd aan een op 18 mei 2011 tussen [geïntimeerde] enerzijds en [X] anderzijds ondertekende koopovereenkomst. De concept leveringsakte strekt ertoe dat [geïntimeerde] 10 van de 17 hectare aan hem toegedeelde landbouwgrond aan [adres] levert aan [X] voor een bedrag van € 250.000,-.

7. [appellanten] hebben in de bodemzaak hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van 10 februari 2010. Dit hoger beroep is bij het hof aanhangig onder nummer 200.073.985.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

8. In dit door [geïntimeerde] aanhangig gemaakte kort geding heeft hij in eerste aanleg

- samengevat - gevorderd dat [appellanten] worden veroordeeld tot (a) primair het ondertekenen van en het verlenen van volledige medewerking aan de concept verdelingsakte, en (b) subsidiair het meewerken aan de overdracht aan [geïntimeerde] van het perceel landbouwgrond.

9. In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter in conventie de vordering onder (a) afgewezen en de vordering onder (b) toegewezen als volgt:

"(…)

5.1. veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] om binnen zes weken na betekening van dit vonnis mee te werken aan de levering van de landbouwgrond (kadastraal bekend: [adres]) aan [geïntimeerde], onder de voorwaarde dat [geïntimeerde] op het moment dat hij over de grond kan beschikken terstond een bedrag groot € 100.000,00 op de boedelrekening met het nummer 103220763 stort of doet storten,

5.2. bepaalt dat [appellant 1] en [appellant 2] voor iedere dag dat zij in strijd handelen met het onder 5.1 bepaalde, aan [geïntimeerde] een dwangsom verbeuren van € 500,00, zulks tot een maximum van € 200.000,00,

5.3. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

(…)"

10. De oorspronkelijk reconventionele vorderingen van [appellanten], inhoudende dat [geïntimeerde] een bepaald bedrag diende te storten op de boedelrekening alsmede een machtiging als bedoeld in art. 3:174 BW met betrekking tot de koop en levering van de grond aan een derde, zijn door de voorzieningenrechter afgewezen.

11. Wijzigingen van eis in appel

11.1. Wijziging van eis van [appellanten] in appel

Bij dagvaarding in hoger beroep hebben [appellanten] hun vorderingen, zoals ingesteld in eerste aanleg in reconventie, gewijzigd in die zin dat zij hun vordering tot verlening van een onherroepelijke volmacht tot verkoop en levering aan een derde van het onder genoemde perceel weiland niet hebben gehandhaafd. Zij vorderen thans [geïntimeerde] te veroordelen op straffe van verbeurte van een dwangsom - mee te werken aan de levering van dat perceel aan [appellant 1] onder de voorwaarde dat [appellant 1] onder de notaris zal storten een bedrag van € 229.550,- dat door de notaris zal worden overgeboekt op de boedelrekening. Voorts hebben [appellanten] bij dagvaarding in appel hun eis aangevuld met de vordering [geïntimeerde] te veroordelen, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom tot, kort gezegd, het doen van aangifte bij de fiscus van de totale opbrengst van het melkquotum en van de staking van zijn onderneming onder verstrekking van kopieën van die aangiftes aan [appellanten]

11.2. Wijziging van eis van [geïntimeerde] in appel

Bij memorie van antwoord in principaal appel/memorie van grieven in incidenteel appel heeft [geïntimeerde] zijn in eerste aanleg ingestelde vorderingen gewijzigd in die zin dat hij daaraan heeft toegevoegd de vordering [appellanten] te veroordelen tot betaling van de door hen aan [geïntimeerde] verschuldigde dwangsommen, althans, zo begrijpt het hof, te beslissen dat de door [appellanten] verschuldigde dwangsommen in mindering worden gebracht op het door hem [geïntimeerde] — ingevolge het bepaalde onder 5.1 van het dictum van het beroepen vonnis op de boedelrekening te storten bedrag van € 100.000,-.

11.3. Toelaatbaarheid van de eiswijzigingen in hoger beroep

Partijen hebben over en weer geen bezwaren van formele aard tegen de hiervoor weergegeven wijzigingen van eis te berde gebracht. Het hof ziet ook ambtshalve geen grond om die wijzigingen niet toelaatbaar te achten, zodat recht zal worden gedaan met inachtneming van die wijzigingen. Dit brengt al direct mee dat [appellanten] geen belang hebben bij hun grief XIV, omdat die gericht is tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van hun vordering tot verlenen van een machtiging ex artikel 3:170 BW, welke vordering in appel niet is gehandhaafd. Bedoelde grief kan dan ook onbesproken blijven.

De resterende grieven in het principaal appel

12. [appellanten] vorderen in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en veroordeling van [geïntimeerde] binnen zes weken na betekening van dit arrest mee te werken aan levering van de landbouwgrond aan [appellant 1] tegen een prijs van € 229.500,- en tot het doen van belastingaangifte.

13. Daartoe hebben [appellanten] aangevoerd: dat [geïntimeerde] in het kader van de verdeling een aanzienlijk bedrag aan [appellanten] moet betalen (grief I); dat tussen [geïntimeerde] en [X] geen koopovereenkomst tot stand is gekomen (grief II); dat [geïntimeerde] geen zwaarwegend belang heeft bij de levering van de landbouwgrond (grief V); dat het ontbreken van een belastingaangifte door [geïntimeerde] onzekerheid geeft aangaande de afwikkeling van de verdeling (grieven VI t/m X); dat het bij levering van de landbouwgrond door [geïntimeerde] op de boedelrekening te betalen bedrag (veel) hoger moet zijn dan € 100.000,- (grieven XI t/m XII) . De overige grieven (XV t/m XVI) missen naast de voorgaande grieven zelfstandige betekenis.

14. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

15. In haar eindvonnis van 10 februari 2010 dat uitvoerbaar bij voorraad is, heeft de rechtbank in de bodemzaak een wijze van verdeling van de nalatenschap bepaald die onder meer inhoudt dat de landbouwgrond wordt toebedeeld aan [geïntimeerde] (dictum 3.4. onder b.) en dat [appellanten] binnen één maand na betekening van het vonnis dienen mee te werken aan de overdracht daarvan aan [geïntimeerde]

16. De voorzieningenrechter heeft [appellanten] veroordeeld mee te werken aan deze levering van de landbouwgrond, en heeft daaraan een dwangsom verbonden alsmede de voorwaarde (hoewel [appellanten] zulks niet had gevorderd) dat [geïntimeerde] op het moment dat hij over de grond kan beschikken terstond een bedrag van € 100.000,- dient te betalen op de boedelrekening. [appellanten] vorderen in hoger beroep vernietiging van dat kortgedingvonnis maar vooral een afwijking van het vonnis in de bodemzaak.

17. Voorop staat het volgende. De rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (HR januari 2011, LJN: BP0015, NJ 2011, 304).

18. Dat geen sprake is van een misslag heeft het hof reeds uitgebreid gemotiveerd in zijn tussen partijen gewezen (incidentele) tussenarrest van 14 februari 2012. Hetgeen het hof daar onder 8. heeft overwogen wordt hier overgenomen en geldt onverminderd ook in de hoofdzaak in dit kort geding.

19. In datzelfde arrest heeft het hof overwogen dat ook van een nieuw feit geen sprake is (r.o. 9). De in dit verband in kort geding door [appellanten] aangedragen feiten en omstandigheden zijn alle, al dan niet expliciet, meegewogen in het oordeel van de bodemrechter. Aan een te verrichten belangenafweging komt het hof daarmee niet toe.

20. Hetgeen [appellanten] voor het overige in hun grieven aanvoeren om het hof er van te overtuigen dat een van de bodemrechter afwijkende beslissing moet worden genomen snijdt geen hout. Of de bodemrechter met de door [appellanten] aangedragen feiten en omstandigheden in zijn beslissing meer rekening had moeten houden staat in dit kort geding niet ter discussie maar is onderwerp van debat in het hoger beroep in de bodemprocedure. Nu van een kennelijke misslag noch van nieuwe feiten is gebleken, komt het hof aan een weging van die argumenten immers niet toe. Het hof dient zijn oordeel af te stemmen op dat van de bodemrechter en zal dat ook doen.

21. Bij pleidooi hebben [appellanten] nog betoogd dat het oordeel van de voorzieningenrechter neerkomt op een gedeeltelijke uitvoering van de boedelverdeling hetgeen, aldus [appellanten], zou leiden tot onevenwichtigheden die zich later niet of moeilijk laten herstellen.

22. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Een grief van de onder 21 weergegeven inhoud is niet kenbaar uit de appeldagvaarding. Het eerst bij pleidooi aanvoeren van een dergelijk bezwaar betekent dat sprake is van een nieuwe grief. Daartegen verzet zich de in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel. Deze regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven en verweren die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd. (HR 19 juni 2009, LJN BI8771, NJ 2010, 154). Van een reden om uitzondering te maken op die in beginsel strakke regel, bijvoorbeeld doordat [geïntimeerde] met de nieuwe grief heeft ingestemd, is niet gebleken.

23. Ten overvloede overweegt het hof dat het hier bedoelde betoog van [appellanten] ook inhoudelijk niet kan slagen. Het ziet er aan voorbij dat de rechtsplicht tot verdeling van de gehele boedel besloten ligt in het bodemvonnis van 10 februari 2010. Het onderhavige kort geding dient er vooral toe om een deel van die verplichtingen (de levering van landbouwgrond aan [geïntimeerde]) te versterken met een dwangsom. Zou in kort geding uitsluitend (subsidiair) levering van de landbouwgrond zijn gevorderd dan zou [geïntimeerde] bij die vordering belang missen daar hij reeds over een titel in die zin beschikt in het bodemvonnis. Van een veroordeling tot gedeeltelijke boedelverdeling is daarom geen sprake.

24. Ten slotte hebben [appellanten] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hun belangen door een thans reeds overdragen van de landbouwgrond aan [geïntimeerde] ontoelaatbaar en/of onherstelbaar worden geschonden.

Incidenteel appel

25. Het hof zal ook de incidentele grieven gezamenlijk beoordelen. Deze grieven beogen ten eerste een veroordeling van [appellanten] dwangsommen te voldoen die zij, volgens [geïntimeerde], op basis van het vonnis van 7 november 2011 verschuldigd zijn.

26. Ter zitting heeft het hof de raadsvrouwe van [geïntimeerde] er op gewezen dat [geïntimeerde] reeds beschikt over een titel op grond waarvan de door hem gevorderde dwangsommen verschuldigd zijn, te weten het vonnis van 7 november 2011. Een vonnis waarbij een veroordeling op straffe van verbeurte van een dwangsom is uitgesproken, geeft de bevoegdheid dwangsommen te executeren. Voor de executie van de dwangsommen is geen nieuwe titel vereist; het enkele feit van de niet-voldoening aan de veroordelingen waaraan de dwangsommen zijn verbonden volstaat.

27. Voor zover de onderhavige vordering in kort geding dient om in rechte vast te stellen dat sprake is van het niet-voldoen aan de veroordelingen waaraan de dwangsommen zijn verbonden, is zij evenmin toewijsbaar nu een kortgeding procedure zich daarvoor niet leent. Het kort geding is immers bedoeld om maatregelen te treffen die naar hun aard voorlopig en tijdelijk zijn. Daarom kan [geïntimeerde] geen declaratoire uitspraak vorderen waarin de tussen partijen bestaande rechtsverhouding wordt vastgesteld. De vordering zal worden afgewezen.

28. De raadsvrouwe van [geïntimeerde] heeft nog betoogd dat het ten tweede male veroordelen tot een dwangsom zou bijdragen aan de bewustheid bij [appellanten] dat tot betaling moet worden overgaan. Zulks kan, wat er van een dergelijk betoog ook moge zijn, niet afdoen aan hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen.

29. In de tweede plaats maakt [geïntimeerde] bezwaar tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij een bedrag van € 100.000,- op de boedelrekening moet (doen) storten. Ook aan dit bezwaar gaat het hof voorbij. Reeds thans rust op [geïntimeerde] de rechtsplicht om conform het bodemvonnis van 10 februari 2010 (r.o. 3.4. onder c) aan [appellanten] een bedrag van € 204.162,- te voldoen in verband met overbedeling wegens toedeling van de landbouwgrond. De voorzieningenrechter heeft die betalingsverplichting nader gepreciseerd door te bepalen dat van dit bedrag € 100.000,- moet worden voldaan op de boedelrekening, althans zo verstaat het hof de uitspraak van de voorzieningenrechter.

30. In dat verband hebben [appellanten] weliswaar betoogd dat het hier bedoelde bedrag moet worden verhoogd tot € 200.000,- maar zij hebben dit niet vertaald in een zelfstandige vordering. Die vordering zou overigens zijn afgewezen nu daarmee een veroordeling wordt gevraagd welke reeds besloten ligt in het bodemvonnis dat het hof als kortgedingrechter tot leidraad strekt. Nu ook deze vordering niet zal worden toegewezen, falen alle grieven.

Slotsom

31. Zowel in het principaal als in het incidenteel appel falen alle grieven. Het hof zal vanwege de familieverhoudingen de proceskosten compenseren in die zin dat ieder van partijen haar eigen kosten draagt, daaronder begrepen de kosten betreffende het incident.

De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het hoger beroep en bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten, daaronder begrepen de kosten in het incident, in die zin dat ieder der partijen haar eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. G. van Rijssen, voorzitter, R.A. Zuidema en F.J. Streppel en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 17 april 2012 in bijzijn van de griffier.