Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW2527

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
24-001075-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft een verdachte vrijgesproken van art. 6 WvW94. Het hof heeft in het arrest overwogen:

'Het hof is van oordeel dat het feit dat verdachte niet op het beeldscherm heeft gekeken, niet kan bijdragen aan de mate van onvoorzichtig handelen. Verdachte heeft niet op het beeldscherm gekeken omdat hij onbekend was met het systeem en hij omdat hij geen uitleg heeft gekregen over wat er op het beeldscherm extra was waar te nemen. Verdachte ging er - zoals het hof begrijpt - vanuit dat hetgeen hij op het beeldscherm kon waarnemen ook gedekt werd door de spiegels. Hierdoor kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat verdachte - door te verzuimen op het beeldscherm te kijken - aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend is geweest.'

Het hof heeft de verdachte ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde, te weten overtreding van artikel 5 WvW94 veroordeeld tot een geldboete van € 600,-, subsidiair 12 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

Het hof heeft ten aanzien van dat feit overwogen:

'Om ter zake van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen is vereist dat de gedraging van verdachte zodanig is geweest dat daardoor het verkeer op de weg in gevaar is gebracht of dat het verkeer is gehinderd. Het artikel stelt als minimumeis een zekere mate van concreet gevaarscheppend gedrag. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is - zoals al eerder is overwogen - naar voren gekomen dat verdachte heeft verzuimd om op het beeldscherm te kijken. Dit verzuim maakt dat niet gezegd kan worden dat verdachte al die handelingen heeft verricht die redelijkerwijs van hem als beroepschauffeur verwacht mochten worden.

Het hof is derhalve van oordeel dat - hoewel niet gezegd kan worden dat verdachte door dit verzuim aanmerkelijk onvoorzichtig en/of aanmerkelijk onoplettend is geweest - wel gesteld kan worden dat verdachte door te verzuimen op het beeldscherm te kijken concreet gevaar heeft veroorzaakt.'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001075-10

Uitspraak d.d.: 13 april 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 26 april 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 maart 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het primair ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. C. Grondsma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 2 september 2009 in de gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met genoemde trekker met oplegger,

welke trekker met oplegger was voorzien van vier rechter buitenspiegels en/of een camerasysteem waardoor voor verdachte hetgeen zich afspeelde aan de rechterzijde naast of direct voor zijn motorrijtuig waarneembaar was, althans waardoor verdachte zich aan de rechterzijde naast of direct voor zijn motorrijtuig bevindend verkeer tijdig heeft kunnen opmerken en/of waarnemen,

op de kruising of splitsing van de [straat] en/of de [straat] en/of de [straat], gezien vanuit de rijrichting van verdachte, naar rechts af te slaan, en/of daarbij zich er niet, althans niet voldoende, van heeft vergewist (door middel van zijn rechter buitenspiegels en/of zijn camerasysteem en/of anderszins) dat er zich geen verkeer aan de rechterzijde naast of direct voor zijn motorrijtuig bevond, en een zich (rechts) naast en/of (rechts) voor verdachte bevindende fietsster niet voor te laten gaan en/of geen vrije doorgang te verlenen, tengevolge waarvan een botsing en/of aan- en/of overrijding is ontstaan tussen het door verdachte bestuurde motorrijtuig en die fietsster en/of haar fiets, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 2 september 2009 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig (trekker met oplegger), met genoemde trekker met oplegger,

welke trekker met oplegger was voorzien van vier rechter buitenspiegels en/of een camerasysteem waardoor voor verdachte hetgeen zich afspeelde aan de rechterzijde naast of direct voor zijn voertuig waarneembaar was, althans waardoor verdachte zich aan de rechterzijde naast of direct voor zijn voertuig bevindend verkeer tijdig heeft kunnen opmerken en/of waarnemen,

op de kruising of splitsing van de [straat] en/of de [straat] en/of de [straat], gezien vanuit de rijrichting van verdachte, naar rechts is afgeslagen, en/of daarbij zich er niet, althans niet voldoende, van heeft vergewist (door middel van zijn rechter buitenspiegels en/of zijn camerasysteem en/of anderszins) dat er zich geen verkeer aan de rechterzijde naast of direct voor zijn voertuig bevond, en een zich (rechts) naast en/of (rechts) voor verdachte bevindende fietsster niet voor heeft laten gaan en/of geen vrije doorgang verleend, tengevolge waarvan een botsing en/of aan- en/of overrijding is ontstaan tussen het door verdachte bestuurde voertuig en die fietsster en/of haar fiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Door de verdediging is ter zitting van het hof aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, nu de gedragingen van verdachte niet als aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend kunnen worden aangemerkt en derhalve geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voor de beantwoording van de vraag of een verdachte schuld heeft gehad aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte deze bewuste dag te [plaats] op de [straat] reed en rechtsaf wilde slaan naar de [straat]. In verband met het feit dat het verkeerslicht op rood stond moest verdachte wachten. Op het moment dat het verkeerslicht op groen sprong is verdachte eerst opgereden en is na ongeveer 3 meter rechtsaf geslagen. Hierbij heeft verdachte - zoals hij zelf heeft verklaard - in de spiegels gekeken en heeft hij geen fietser waargenomen. Op het moment dat verdachte de bocht was ingedraaid voelde verdachte iets onder zijn vrachtwagen. Naar aanleiding van gebarende mensen besloot verdachte te stoppen. Toen verdachte de vrachtwagen tot stilstand had gebracht bleek hem dat hij een fietsster had overreden. Deze fietsster is aan haar verwondingen overleden.

Uit de stukken die zich in het dossier bevinden, waaronder het proces-verbaal van de VerkeersOngevalsAnalyse (hierna VOA) en de foto's die zijn gemaakt tijdens een reconstructie van het ongeval blijkt - gelet op de aangetroffen veeg/afdruksporen op de rechterbanden en de recente veegsporen aan de rechterzijde van de vrachtwagen - dat het vrijwel zeker is dat de fiets via de rechter voorzijde van de vrachtwagen onder de vrachtwagen terecht is gekomen. De fietsster heeft zich dus hoogstwaarschijnlijk rechts voor de vrachtwagen bevonden. Gezien die (waarschijnlijke) positie van de fietsster heeft verdachte, gelet de foto's van de reconstructie, haar niet via zijn spiegels kunnen waarnemen. Uit de foto's van de reconstructie valt af te leiden dat verdachte haar wel op het beeldscherm behorende bij het camerasysteem heeft kunnen zien. Op foto's nummer 42 en 43 is namelijk te zien dat een fietser, die zich bevindt rechtsvoor de vrachtwagen, op het beeldscherm is waar te nemen. Nu op deze foto's is te zien dat zowel de fiets als een deel van de persoon naast die fiets is waar te nemen is het hof van oordeel dat - los van de lengte van het slachtoffer - ook het slachtoffer te zien moet zijn geweest. De stelling van de raadsvrouw dat de reconstructie niet de feitelijke situatie weergeeft, omdat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk kleiner was dan de man die tijdens de reconstructie haar plaats heeft ingenomen, treft daarom geen doel.

Verdachte heeft verklaard dat de vrachtwagen waarin hij die dag reed was uitgerust met een camerasysteem. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het camerabeeld op het beeldscherm. Verdachte heeft daartoe aangevoerd dat het rijden met een dergelijke camera hem onbekend is. Enkele vrachtwagens van de Aldi - het bedrijf waarvoor verdachte werkzaam is - zijn uitgerust met een camerasysteem. Volgens verdachte zijn deze vrachtwagens daarmee uitgerust in verband met het testen van deze camera's. De beeldschermen bevinden zich in de betreffende vrachtwagens op verschillende plekken. Zo zijn er vrachtwagens waar het scherm bovenop het dashboard is bevestigd en zijn er vrachtwagens waar het beeldscherm rechtsboven in de cabine hangt. In de auto van verdachte was het beeldscherm geplaatst in het midden van het dashboard, iets hoger dan de middenconsole.

Verdachte heeft aangegeven dat hij al ruim twintig jaar vrachtwagenchauffeur is en dat hij altijd alleen op de spiegels rijdt. Verdachte is derhalve goed bekend met het rijden op de spiegels. Verdachte heeft ook niet eerder een aanrijding veroorzaakt.

Verdachte heeft verklaard dat er op de vrachtwagen waarin hij deze bewuste dag reed veel spiegels bevestigd waren en dat het rijden op de spiegels uit verschillende handelingen bestaat. Het hof begrijpt hieruit dat bij het rijden op de spiegels, de spiegels in een bepaalde volgorde bekeken moeten worden om een optimale veiligheid te garanderen. Uit de rapportage van de VOA is af te leiden dat het camerasysteem niet komt in de plaats van de spiegels maar dat het een aanvulling is op de spiegels. Immers, de camera registreert niet alle door de spiegels bestreken zichtlijnen. Het besturen van de vrachtwagen vereist een bepaalde volgorde van kijken naar de spiegels. In die volgorde dient op enig moment het kijken naar het beeldscherm ingepast te worden. Onduidelijk blijft wanneer dit moet gebeuren. Ook heeft verdachte over het gebruik van de camerasystemen, als aanvulling op de spiegels, geen instructie gehad. Hem is niet verteld hoe de camera's werken en hem is ook niet verteld wat een camera kan toevoegen aan het rijden op de spiegels. Het was verdachte - zoals het hof begrijpt - niet duidelijk wat de directe meerwaarde was van deze camera. Verdachte heeft verder verklaard dat de vrachtwagen waarin hij reed niet zijn 'vaste' vrachtwagen was. Verdachte heeft aangegeven dat men bij de Aldi geen 'eigen' vrachtwagens heeft en dat hij meestal iedere dag in een andere vrachtwagen rijdt. Het hof leidt hieruit af dat verdachte ook op die manier niet bekend is geraakt met dit camerasysteem.

Om tot een veroordeling ter zake artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid. In zijn algemeenheid geldt dat uit de enkele omstandigheid dat een verdachte een fietser aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien, hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest, niet kan volgen dat een verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen. De aanmerkelijke onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid zal uit de gedraging van de verdachte moeten blijken.

Het hof is van oordeel dat het feit dat verdachte niet op het beeldscherm heeft gekeken, niet kan bijdragen aan de mate van onvoorzichtig handelen. Verdachte heeft niet op het beeldscherm gekeken omdat hij onbekend was met het systeem en hij omdat hij geen uitleg heeft gekregen over wat er op het beeldscherm extra was waar te nemen. Verdachte ging er - zoals het hof begrijpt - vanuit dat hetgeen hij op het beeldscherm kon waarnemen ook gedekt werd door de spiegels. Hierdoor kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat verdachte - door te verzuimen op het beeldscherm te kijken - aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend is geweest.

Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Bewijsoverweging

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Om ter zake van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen is vereist dat de gedraging van verdachte zodanig is geweest dat daardoor het verkeer op de weg in gevaar is gebracht of dat het verkeer is gehinderd. Het artikel stelt als minimumeis een zekere mate van concreet gevaarscheppend gedrag. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is - zoals al eerder is overwogen - naar voren gekomen dat verdachte heeft verzuimd om op het beeldscherm te kijken. Dit verzuim maakt dat niet gezegd kan worden dat verdachte al die handelingen heeft verricht die redelijkerwijs van hem als beroepschauffeur verwacht mochten worden.

Het hof is derhalve van oordeel dat - hoewel niet gezegd kan worden dat verdachte door dit verzuim aanmerkelijk onvoorzichtig en/of aanmerkelijk onoplettend is geweest - wel gesteld kan worden dat verdachte door te verzuimen op het beeldscherm te kijken concreet gevaar heeft veroorzaakt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging gekregen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 september 2009 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig (trekker met oplegger), met genoemde trekker met oplegger, welke trekker met oplegger was voorzien van vier rechter buitenspiegels en een camerasysteem waardoor verdachte het aan de rechterzijde naast of direct voor zijn voertuig bevindend verkeer tijdig heeft kunnen opmerken en/of waarnemen,

op de kruising van de [straat] en de [straat] en de [straat], gezien vanuit de rijrichting van verdachte, naar rechts is afgeslagen, en daarbij zich er niet voldoende van heeft vergewist, door middel van zijn camerasysteem dat er zich geen verkeer aan de rechterzijde naast of direct voor zijn voertuig bevond, en een zich rechts voor verdachte bevindende fietsster niet voor heeft laten gaan en/of geen vrije doorgang verleend,

tengevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen het door verdachte bestuurde voertuig en die fietsster en haar fiets, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het subsidiair bewezen verklaarde levert op de overtreding:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg. Verdachte heeft een ernstig verkeersongeluk veroorzaakt doordat hij bij het naar rechts afslaan een fietsster niet heeft laten passeren, omdat hij haar niet heeft gezien. Deze fietsster is hierdoor onder de vrachtwagen terechtgekomen en is hierdoor overleden. De omstandigheid dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde laat onverlet dat er een causaal verband is tussen het verkeersgedrag van verdachte en de dood van het slachtoffer.

Het hof houdt ten gunste van verdachte rekening met diens blanco strafblad en diens persoonlijke omstandigheden zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ter zitting van het hof was verdachte zichtbaar aangedaan. Verdachte heeft nog iedere dag last van het gegeven dat door zijn handelen iemand is overleden. Verdachte is inmiddels weer werkzaam als chauffeur. Verdachte heeft aangegeven dat hij het soms nog lastig vindt om aan het verkeer deel te nemen.

Uit het reclasseringsrapport, d.d. 26 januari 2010, blijkt dat verdachte sterk lijdt onder de gevolgen van de aanrijding en dat hij op emotioneel gebied fors uit zijn evenwicht is geraakt. Uit het rapport blijkt dat verdachte destijds hulp heeft gezocht. De raadsvrouw heeft aangegeven dat verdachte de bezoeken aan de psycholoog ondertussen weer heeft hervat. De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Dit zou de kans op een terugval vergroten en dit zou ervoor kunnen zorgen dat verdachte - indien hij lange tijd niet kan rijden - nadien niet meer durft te gaan rijden.

Het hof zal een lagere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd nu het hof verdachte vrij zal spreken van het primair ten laste gelegde.

Het hof is van oordeel dat voor een overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 een geldboete van zeshonderd euro een passende sanctie is. Het hof zal deze boete in termijnen opleggen.

Het hof zal tevens aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 3 (drie) termijnen van 1 maand, elke termijn groot EUR 200,00 (tweehonderd euro).

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Hofstra, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 13 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.