Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW1960

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
200.093.833/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ0291, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ0291
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betwisting en inroeping van staat. Art 1:209 en 211 BW. Artikel 1:209 BW biedt aan een kind geen mogelijkheid om zijn persoonlijke staat volgens de wet aan te tasten, gelet op de wetssystematiek en de bedoeling van de wetgever.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 209
Burgerlijk Wetboek Boek 1 211
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/94 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 15 maart 2012

Zaaknummer 200.093.833

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat mr. S. Kousedghi, kantoorhoudende te 's-Gravenhage.

Belanghebbende:

[geïntimeerde],

domicilie kiezend te Amsterdam.

in zijn hoedanigheid van erfgenaam van wijlen [de overledene],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaten mr. P.A.H. Tjong-A-Hung, kantoorhoudende te Amsterdam en

mr. A.D. Leuftink, kantoorhoudende te Naarden.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 7 oktober 2009 (zaaknummer 156230 / FA RK 09-1164) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank) de beslissing op het verzoek van [appellant] aangehouden om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen als belanghebbende te worden gehoord.

Bij beschikking van 17 juni 2011 heeft de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 13 september 2011, heeft [appellant] verzocht de beschikkingen van de rechtbank van 7 oktober 2009 en van 17 juni 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van [appellant] om de betwisting van de afstamming van [appellant] volgens de geboorteakte (als zoon van [appellant]) en de inroeping van de werkelijke staat van [appellant] (als de biologische zoon van [de overledene]) gegrond te verklaren, alsmede de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Curaçao te bevelen om de geboorteakte van [appellant] te corrigeren en daarin de persoonsgegevens van [appellant] door te halen met gelijktijdige vermelding van de persoonsgegevens van [de overledene] als de vader van [appellant], kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 24 oktober 2011, heeft [geïntimeerde] het verzoek bestreden en primair verzocht de beschikkingen waarvan beroep te bekrachtigen. Voor het geval [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek, heeft [geïntimeerde] subsidiair verzocht de verzoeken van [appellant] alsnog af te wijzen en te bepalen dat alle getuigen die [appellant] heeft voorgesteld gehoord dienen te worden waarbij [geïntimeerde] in de gelegenheid zal worden gesteld voor een contra-enquête, waarbij [geïntimeerde], voor zover er enige bewijslast op hem rust, ter onderbouwing van zijn stellingen getuigen kan aandragen. Voorts verzoekt [geïntimeerde] [appellant] te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede te bepalen dat er over de proceskostenveroordeling wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum van uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 21 oktober 2011 met bijlagen van mr. Kousedghi en een brief van 6 februari 2012 met bijlagen van mr. Tjong-A-Hung.

Ter zitting van 17 februari 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn [appellant], bijgestaan door mr. Kousedghi en [geïntimeerde], bijgestaan door mr. Tjong-A-Hung en mr. Leuftink. Mr. Leuftink heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota. Het hof heeft de pleitnota aan de hand waarvan mr. Kousedghi het woord heeft willen voeren geweigerd, omdat deze niet voldeed aan de in artikel 1.4.4 van het Procesreglement Verzoekschriftprocedures Familiezaken Gerechtshoven (hierna: het procesreglement) gegeven norm.

Vaststaande feiten

1. [appellant] is [in 1950] geboren staande het huwelijk van [appellant] (hierna: [de vader].) en [de moeder].

2. In 1990 is [appellant] ermee bekend geworden dat vermoedelijk [de vader]. niet zijn biologische vader was. Het vermoeden werd geuit dat [de overledene] dit zou zijn.

3. [de overledene] is op 1 oktober 2003 overleden.

4. In het DNA-onderzoeksrapport van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) d.d. 5 januari 2006 wordt geconcludeerd dat op basis van het hen aangeleverde DNA-materiaal [appellant] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het kind van [de overledene] is.

5. [appellant] heeft bij het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen en Aruba een verzoek ingediend tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [de vader]. Bij beschikking van 21 juni 2006 is [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek op grond van verjaring. Tegen deze beslissing heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Bij eindbeschikking van 20 februari 2007 heeft het hof de bestreden beschikking bevestigd, waarna [appellant] cassatie heeft ingesteld bij de Hoge Raad. Bij beschikking van 11 juli 2008 heeft de Hoge Raad het door [appellant] ingestelde cassatieberoep verworpen. [appellant] heeft vervolgens een procedure aangespannen bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, in welke procedure blijkens mededeling van [appellant] ter zitting thans nog niet is beslist.

6. Bij inleidend verzoekschrift van 13 maart 2009 heeft [appellant] de rechtbank verzocht de betwisting van de staat van [appellant] (als de zoon van [appellant]) en de inroeping van de werkelijke staat van [appellant] (als de biologische zoon van [de overledene]) gegrond te verklaren, alsmede de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand in de Nederlandse Antillen te bevelen om de geboorteakte van [appellant] te corrigeren en daarin de persoonsgegevens van [appellant] door te halen met gelijktijdige vermelding van de persoonsgegevens van [de overledene] als de vader van [appellant].

7. Bij de beschikking van 17 juni 2011 heeft de rechtbank op het verzoek van [appellant] beslist zoals hiervoor is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. [appellant] heeft tegen deze beschikking en de tussenbeschikking van de rechtbank van 7 oktober 2009 hoger beroep ingesteld.

De overwegingen

* Het hoger beroep gericht tegen de tussenbeschikking van 7 oktober 2009

8. Nu [appellant] geen grieven heeft gericht tegen de tussenbeschikking van de rechtbank van 7 oktober 2009 dient het ingestelde hoger beroep tegen die beschikking te worden afgewezen.

* Het procesdossier in hoger beroep

9. [geïntimeerde] heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat het verzoek van [appellant] dient te worden afgewezen, nu niet alle processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg door [appellant] aan het hof zijn overgelegd en [appellant] evenmin de nadere verklaring van [geïntimeerde], zoals door [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegd bij akte van 23 november 2010, in het geding heeft gebracht.

10. Het hof stelt vast dat er in eerste aanleg drie zittingen bij de rechtbank zijn geweest, te weten op 15 juni 2009, 9 februari 2010 en 20 september 2010. Het hof beschikt over het proces-verbaal van de zitting van 20 september 2010, namens [appellant] bij zijn beroepschrift overgelegd als productie 6, en het proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2009, namens [appellant] overgelegd bij brief van 21 oktober 2011. Het proces-verbaal van de zitting van 9 februari 2010 is niet overgelegd.

11. Gebleken is dat het proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2009 door [appellant] niet aan (de advocaten van) [geïntimeerde] is gestuurd. Nu dit proces-verbaal echter bij partijen bekend mag worden verondersteld, kan niet worden gesproken van onvolledigheid van stukken op grond waarvan het verzoek van [appellant] dient te worden afgewezen. Ook het ontbreken van het proces-verbaal van de zitting van 9 februari 2010 acht het hof hiervoor onvoldoende, nu op deze zitting blijkens de beschikking van 22 juni 2010 slechts het verzoek van [geïntimeerde] tot tussenkomst als partij aan de orde is geweest. Het hof acht het voorts aannemelijk dat mr. Kousedghi, zoals zij ter zitting heeft gesteld, het proces-verbaal van 9 februari 2010 wel heeft opgevraagd bij de rechtbank, doch niet heeft ontvangen.

12. Hoewel [geïntimeerde] terecht naar voren heeft gebracht dat [appellant] heeft verzuimd de nadere verklaring van [geïntimeerde] in het geding te brengen, is dit verzuim naar het oordeel van hof hersteld doordat dit stuk alsnog bij brief van 6 februari 2012 namens [geïntimeerde] in het geding is gebracht.

13. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen reden het verzoek van [appellant] af te wijzen wegens het niet volledig overleggen in hoger beroep van het procesdossier in eerste aanleg.

* De betwisting van staat

14. [appellant] heeft verzocht de betwisting van zijn afstamming volgens zijn geboorteakte als zoon van [de vader]. gegrond te verklaren. Dit verzoek heeft [appellant] gebaseerd op artikel 1:209 BW, welk artikel bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft. Het hof stelt voorop dat een drietal niveaus van persoonlijke staat van elkaar moeten worden onderscheiden.

De persoonlijke staat zoals die volgt uit de wet

15. Het eerste niveau is de persoonlijke staat zoals die volgt uit de wet. Tussen partijen is niet in geschil dat de persoonlijke staat van [appellant] volgens de wet 'zoon van [de vader].' is, nu [appellant] staande het huwelijk van zijn moeder en [de vader]. is geboren. De persoonlijke staat volgens de wet kan slechts veranderen door een gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. Hiertoe staan [appellant] evenwel na de onherroepelijke beschikking van de Hoge Raad van 11 juli 2008 geen rechtsmiddelen meer ter beschikking. Zijn persoonlijke staat volgens de wet staat dan ook vast.

De persoonlijke staat zoals die volgt uit de geboorteakte

16. De persoonlijke staat die volgt uit de wet wordt vastgelegd in een akte. Met de akte van geboorte kan de staat volgens de wet worden bewezen. Blijkens de in eerste aanleg overgelegde geboorteakte is de persoonlijke staat van [appellant] volgens zijn geboorteakte eveneens die van zoon van [de vader]. De persoonlijke staat van [appellant] volgens zijn geboorteakte stemt derhalve overeen met de persoonlijke staat van [appellant] volgens de wet. Dat de akte overigens onjuist is, is gesteld noch gebleken. De stelling van [appellant] dat de vermelding van [de vader]. als vader van [appellant] in de geboorteakte vals is passeert het hof, nu de ten tijde van de geboorte van [appellant] geldende vaderschapsregel immers met zich meebracht dat [de vader]. werd aangemerkt als de juridische vader van [appellant] en als zodanig in de geboorteakte diende te worden vermeld.

De persoonlijke staat die men bezit

17. Bij het ontbreken van een persoonlijke staat volgens de wet, dan wel een discrepantie tussen de persoonlijke staat volgens de wet en de persoonlijke staat zoals die volgt uit de geboorteakte, bezit men ook een staat. Bezit van staat kan worden afgeleid uit de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt en die er naar zijn uiterlijke vorm op duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking tot iemand staat (HR 7 november 2003, NJ 2004, 98, m.nt. SW).

De beoordeling

18. Naar het oordeel van het hof kan van een betwisting van staat als bedoeld in artikel 1:209 BW in casu geen sprake zijn. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de staat van [appellant] zowel volgens de wet als volgens zijn geboorteakte die van 'zoon van [de vader].' is. Slechts indien er een discrepantie zou bestaan tussen de persoonlijke staat van [appellant] volgens de wet en de persoonlijke staat van [appellant] volgens zijn geboorteakte, kan sprake zijn van een betwisting van staat. Het bezit van staat zou in casu ook uitsluitend in dat geval een rol van betekenis spelen in de beoordeling van het verzoek. Deze systematiek is naar het oordeel van het hof in overeenstemming met het uitgangspunt dat een kind in beginsel slechts één juridische vader kan hebben.

19. Anders dan [appellant] stelt, biedt naar het oordeel van het hof artikel 1:209 BW - naast de procedure voor de ontkenning van het vaderschap van artikel 1:200 BW - aan een kind geen mogelijkheid om zijn persoonlijke staat volgens de wet aan te tasten, gelet op de wetsystematiek en de bedoeling van de wetgever.

20. Op grond van het voorgaande zal het verzoek van [appellant] om de betwisting van zijn afstamming volgens de geboorteakte gegrond te verklaren worden afgewezen.

* De inroeping van staat

21. [appellant] heeft verder verzocht de inroeping van zijn werkelijke staat als zoon van [de overledene] gegrond te verklaren en dit verzoek gebaseerd op artikel 1:211 BW. Het hof stelt voorop dat met het inroepen van staat in artikel 1:211 BW wordt gedoeld op de inroeping van de persoonlijke staat volgens de wet. Nu de persoonlijke staat van [appellant] volgens de wet vast staat, zoals overwogen onder rechtsoverweging 15, kan van een inroeping van staat geen sprake zijn. Het hof zal daarom ook [appellant]s verzoek om de inroeping van zijn werkelijke staat gegrond te verklaren, afwijzen.

22. Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan de beoordeling van het verzoek van [appellant] om de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Curaçao te bevelen om zijn geboorteakte te corrigeren.

De proceskosten

23. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door [appellant] en [geïntimeerde] verzocht, af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt terzake de proceskosten en zal de kosten van het geding daarom compenseren, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Slotsom

24. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

wijst af het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 7 oktober 2009;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 17 juni 2011 waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijst het door [appellant] verzochte af;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, voorzitter, A.H. Garos en J.H. Bosch en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 maart 2012 in bijzijn van de griffier.