Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0973

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
BK 11/00099 Overdrachtsbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of het bezwaar van belanghebbende terecht niet ontvankelijk is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1122
FutD 2012-1024
V-N Vandaag 2012/926
V-N 2012/37.31.14

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00099

uitspraakdatum: 3 april 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 februari 2011, nummer AWB 10/1309, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende heeft op 25 januari 2007 op aangifte € 37.800 overdrachtsbelasting voldaan ter zake van de verkrijging van een complex onroerende zaken gelegen aan de a-straat 2 en 4 en b-straat 1A te L.

1.2 Belanghebbende heeft bij brief gedagtekend 19 februari 2010, ingekomen bij de Inspecteur op 22 februari 2010 bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte en verzocht om teruggaaf van het voldane bedrag aan overdrachtsbelasting.

1.3 De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De Inspecteur heeft ambtshalve geen teruggaaf van overdrachtsbelasting verleend.

1.4 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 10 februari 2011 ongegrond verklaard.

1.5 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.7 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2012 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende haar directeur A, bijgestaan door zijn echtgenote B en de gemachtigde C. Namens de Inpecteur is verschenen D.

1.8 De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

1.9 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Bij notariële akte van 29 december 2006 heeft belanghebbende voor een koopsom van € 630.000 de eigendom verkregen van de volgende onroerende zaken:

a. de bedrijfsruimte op de begane grond, plaatselijk bekend als b-straat 1A te L.;

b. de bedrijfsruimte op de begane grond, plaatselijk bekend als a-straat 2, te L.;

c. het twee/zevende onverdeeld aandeel in de liftruimtes op de begane grond en eerste en tweede verdieping, plaatselijk bekend als a-straat te L.;

d. de woning met bedrijfsruimte op de tweede verdieping, plaatselijk bekend als a-straat 4 te L.;

e. de woning met bedrijfsruimte op de tweede verdieping, plaatselijk bekend als a-straat 4 te L.;

f. de woning op de zolderverdieping met apart staande garage op de begane grond, plaatselijk bekend als a-straat 4, te L, alsmede het gebruik van het terras zich bevindende boven en uitmakende het platte dak van het appartementsrecht met index 8;

g. het twee/zevende onverdeeld aandeel in de liftruimtes op de begane grond en eerste en tweede verdieping, plaatselijk bekend als a-straat te L.

2.2 Blijkens het stempel is de onder 2.1 bedoelde akte geregistreerd in enkelvoud te Leeuwarden d.d. 5 januari 2007 en bedraagt de overdrachtsbelasting € 37.800.

2.3 De overdrachtsbelasting is op 25 januari 2007 op aangifte voldaan.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of het bezwaar van belanghebbende terecht niet ontvankelijk is verklaard.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Belanghebbende stelt dat zij niet bekend was met de mogelijkheid bezwaar aan te tekenen tegen de op aangifte voldane belasting en dat zij dit ook niet kon opmaken uit het op de akte van levering geplaatste stempel. Belanghebbende acht op grond van voormelde stellingen de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaar verschoonbaar. Belanghebbende heeft haar grief betreffende het handelen van de Rechtbank in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ter zitting ingetrokken.

3.3 De Inspecteur beantwoordt voormelde vraag bevestigend.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugwijzing van de zaak ter inhoudelijke behandeling naar de Inspecteur.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 17 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer moet de overdrachtsbelasting op aangifte worden voldaan.

4.2 Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2007, hierna: de AWR) vangt in afwijking van artikel 6:8 van de Awb de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van de voldoening onderscheidenlijk de afdracht. In artikel 6:7 van de Awb is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening van overdrachtsbelasting na het verstrijken van de in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn van zes weken is ingediend.

4.4 Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.5 Belanghebbende voert aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte van de overdrachtsbelasting. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan toegevoegd dat de Inspecteur bij het onder 2.2 bedoelde stempel van de Belastingdienst op de notariële akte van levering een rechtsmiddelverwijzing had moeten vermelden.

4.6 De door belanghebbende genoemde omstandigheid kan naar het oordeel van het Hof niet leiden tot het oordeel dat belanghebbende met het te laat indienen van het bezwaarschrift niet in verzuim is geweest. Voormeld artikel 22j aanhef en onderdeel b van de AWR geeft een eigen regeling voor de aanvang van de bezwaartermijn tegen de eigen voldoening zoals in casu van de overdrachtsbelasting. Een rechtsmiddelverwijzing zoals door belanghebbende gesteld is hierbij niet aan de orde. Onbekendheid met de –complexe- belastingwetgeving en de daarmee gemoeide wettelijke termijnen is een omstandigheid die naar het oordeel van het Hof voor risico van belanghebbende dient te blijven en in dezen geen verschoonbaarheid van het verzuim met zich brengt. In overeenstemming met de stand van de jurisprudentie ten tijde van de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte, was belanghebbende de in geschil zijnde overdrachtsbelasting verschuldigd. Van een overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn als gevolg van ontbrekende voorlichting door de Belastingdienst is naar het oordeel van het Hof geen sprake. Een wijziging in juridisch inzicht, ingegeven doordat kennis wordt genomen van nieuwe, na het verstrijken van de bezwaartermijn gewezen, jurisprudentie, brengt naar het oordeel van het Hof evenmin mee dat de bezwaartermijn verschoonbaar is overschreden (zie Hoge Raad 8 februari 2002, nr. 36 659, LJN AD9094) .

4.7 Naar het oordeel van het Hof is het stempel op de notariële akte van levering geen beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb. Het stempel dient er slechts toe de datum van de registratie van de notariële akte door de Belastingdienst vast te leggen. Nu artikel 19 van de AWR de heffing van belasting bij wege van voldoening op aangifte reeds uitputtend heeft geregeld, kan het stempel noch de registratie van de akte als een aanslag of een anderszins voor bezwaar vatbare beschikking gelden.

4.8 Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het Hof niet worden geoordeeld dat belanghebbende niet in staat is geweest tijdig bezwaar te maken. Ook anderszins is het Hof niet gebleken van aanknopingspunten om de onderhavige termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. J. Lamens in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 3 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (E. Polak)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 april 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.