Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0526

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
BK 04/00630 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:842, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende gerechtigd is tot de betreffende bankrekeningen bij KB Lux?

2. Heeft de Inspecteur de microfiches onrechtmatig dan wel in strijd met het internationale vertrouwensbeginsel verkregen?

3. Heeft de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld bij zijn verzoeken om informatie?

4. Heeft de Inspecteur het evenredigheidsbeginsel dan wel het zorgvuldigheids¬beginsel geschonden bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

5. Heeft de Inspecteur terecht de bewijslast omgekeerd?

6. Heeft de Inspecteur een redelijke schatting van de inkomsten en het vermogen gemaakt?

7. Heeft de Inspecteur terecht en tot de juiste bedragen boeten opgelegd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/1581 met annotatie van deLange-Snijders
FutD 2012-1008
V-N Vandaag 2012/879

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummers 04/00630 tot en met 04/00632

uitspraakdatum: 27 maart 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het beroep van

X, wonende te Z (hierna: belanghebbende)

in het geding tussen

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen (hierna: de Inspecteur)

en belanghebbende

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 1990 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 16.897 (€ 7.668) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 8.026 (€ 3.642) vastgesteld.

1.2 Aan belanghebbende is over het jaar 1991 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 15.449 (€ 7.010) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 6.034 (€ 2.738) vastgesteld.

1.3 Aan belanghebbende is over het jaar 1992 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 16.413 (€ 7.449) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 5.435 (€ 2.466) vastgesteld.

1.4 Aan belanghebbende is over het jaar 1993 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 15.951 (€ 7.238) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 4.480 (€ 2.033) vastgesteld.

1.5 Aan belanghebbende is over het jaar 1994 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 11.189 (€ 5.077) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 2.644 (€ 1.200) vastgesteld.

1.6 Aan belanghebbende is over het jaar 1995 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 11.662 (€ 5.292) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 2.443 (€ 1.109) vastgesteld.

1.7 Aan belanghebbende is over het jaar 1996 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 45.037 (€ 20.436). Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 13.481 (€ 6.117) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 2.746 (€ 1.246) vastgesteld.

1.8 Aan belanghebbende is over het jaar 1997 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 49.660 (€ 22.535). Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 15.797 (€ 7.168) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 2.981 (€ 1.353) vastgesteld.

1.9 Aan belanghebbende is over het jaar 1998 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 43.404 (€ 19.699). Tevens heeft de Inspecteur bij beschikking een boete van fl. 12.644 (€ 5.738) opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 1.975 (€ 896) vastgesteld.

1.10 Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 62.742 (€ 28.471). Tevens heeft de Inspecteur bij beschikking een boete van fl. 16.685 (€ 7.571) opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 2.106 (€ 956) vastgesteld.

1.11 Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 60.361 (€ 27.391). Tevens heeft de Inspecteur bij beschikking een boete van fl. 15.657 (€ 7.105) opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 1.409 (€ 639) vastgesteld.

1.12 Aan belanghebbende is over het jaar 1991 een navorderingsaanslag vermogensbelasting (VB) opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 4.856 (€ 2.204) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 2.302 (€ 1.045) vastgesteld.

1.13 Aan belanghebbende is over het jaar 1992 een navorderingsaanslag VB opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 4.816 (€ 2.185) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 1.876 (€ 851) vastgesteld.

1.14 Aan belanghebbende is over het jaar 1993 een navorderingsaanslag VB opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 4.640 (€ 2.106) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 1.534 (€ 696) vastgesteld.

1.15 Aan belanghebbende is over het jaar 1994 een navorderingsaanslag VB opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 4.888 (€ 2.218) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 1.370 (€ 621) vastgesteld.

1.16 Aan belanghebbende is over het jaar 1995 een navorderingsaanslag VB opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 4.680 (€ 2.124) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 1.104 (€ 501) vastgesteld.

1.17 Aan belanghebbende is over het jaar 1996 een navorderingsaanslag VB opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 4.744 (€ 2.153) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 992 (€ 450) vastgesteld.

1.18 Aan belanghebbende is over het jaar 1997 een navorderingsaanslag VB opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur een verhoging van fl. 5.312 (€ 2.410) zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 999 (€ 453) vastgesteld.

1.19 Aan belanghebbende is over het jaar 1998 een navorderingsaanslag VB opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur bij beschikking een boete van fl. 5.600 (€ 2.541) opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 872 (€ 396) vastgesteld.

1.20 Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een navorderingsaanslag VB opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur bij beschikking een boete van fl. 6.181 (€ 2.805) opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 777 (€ 353) vastgesteld.

1.21 Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een aanslag VB opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur bij beschikking een boete van fl. 5.124 (€ 2.325) opgelegd en een beschikking heffingsrente van fl. 392 (€ 178) vastgesteld.

1.22 Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 2000 en VB voor de jaren 1991 tot en met 2000 en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. Eveneens heeft hij de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen, alsmede de kwijtscheldingsbesluiten en de boetebeschikkingen (hierna samen: boeten) gehandhaafd.

1.23 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. Het beroepschrift (met een bijlage) is op 18 juli 2004 bij het Hof ingekomen. De motivering van het beroep (met bijlagen) heeft het Hof op 24 april 2007 ontvangen. De Inspecteur heeft op 28 juni 2007 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.24 In het kader van het vooronderzoek zijn partijen door een raadsheer-commissaris van het Hof gehoord op 20 april 2011. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A als de gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde), alsmede mr. B namens de Inspecteur. Van het horen is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan beide partijen is toegestuurd. Voorafgaand aan dit onderzoek heeft het Hof op 18 april 2011 een nader stuk van belanghebbende ontvangen.

1.25 Op 9 mei 2011 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. Hierop heeft de Inspecteur in zijn conclusie van dupliek (met bijlagen), ingekomen bij het Hof op 10 juni 2011, gereageerd.

1.26 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in beroep zijn overgelegd.

1.27 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. B namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. C.

1.28 De gemachtigde heeft ter zitting van 21 juni 2011 een pleitnota (met bijlagen) overgelegd en voorgelezen. Tegen de overlegging van de bijlagen heeft de Inspecteur geen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft ter zitting berekeningen overgelegd, waartegen de gemachtigde geen bezwaar heeft gemaakt. Voorafgaand aan deze zitting zijn bij het Hof op 31 mei 2011 nadere stukken van belanghebbende ingekomen. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat is toegestuurd aan partijen.

1.29 De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde en belanghebbende, alsmede mr. B namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. C, D en E. Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. Ter zitting heeft belanghebbende twee pleitnota’s overgelegd en voorgelezen. Tegen overlegging van de daarbij gevoegde bijlagen heeft de Inspecteur geen bezwaar gemaakt. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende, X, is geboren op 21 november 1944 en is gehuwd met F, geboren op 26 augustus 1946. Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak bestaande uit het vervaardigen en verkopen van betonnen tuinbeelden. Eerder heeft belanghebbende gipsen beeldjes vervaardigd en verkocht en in 1993 is belanghebbende begonnen met de verkoop van sportkleding. Naast winst uit onderneming heeft belanghebbende enkele jaren ook een (aanvullende) uitkering van de Sociale Dienst genoten.

2.2 Belanghebbende is bij de Belastingdienst bekend voor de IB/PVV. Uit de aangiften IB/PVV over de jaren 1992 tot en met 2000 volgt een belastbaar inkomen dat in hoogte varieert tussen fl. 7.192 en fl. 13.231.

2.3 Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie te België spontaan inlichtingen verstrekt aan de Belastingdienst op basis van het bepaalde in de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) van 19 december 1997, bestaande uit fotokopieën van microfiches met gegevens over rekeningen bij Kredietbank Luxembourg (hierna: KB Lux) op naam van inwoners van Nederland (hierna: de microfiches). In de begeleidende brief en in de daarbij gevoegde nota is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"In het kader van de regeling "spontane uitwisseling van inlichtingen" heb ik de eer u hierbij een nota toe te zenden betreffende inlichtingen over inwoners van uw land. (…)

Hierbij worden u fotokopieën van microfiches overgemaakt die afkomstig zijn uit het gerechtelijk dossier lastens KREDIETBANK NV en die in origineel in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie van Brussel. Deze microfiches bevatten gegevens in verband met financiële rekening(en) bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-LUX) op naam van inwoners van uw land. (…)

Deze zending bevat fotocopieën van de afgedrukte microfiches: (…)

De gegevens zijn afkomstig uit de interne administratie/boekhouding van KB Lux. De onderverdeling per nationaliteit is door KB/Lux zelf gemaakt. Vermits per klant slechts een beperkt aantal gegevens beschikbaar zijn (naam en eventueel naam van de partner, voornamen) zal het niet steeds mogelijk zijn de identificatie van de klant met 100% zekerheid te bepalen. Beide vermeldingen maken een oordeelkundig gebruik van de overgemaakte informatie noodzakelijk. (…) "

2.4 De Belastingdienst/FIOD heeft na ontvangst van de microfiches een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de rekeninghouders waarvan de gegevens op de afdrukken van de microfiches waren vermeld. Dit onderzoek is later bekend geworden als het Rekeningenproject.

2.5 Op de van de Bijzondere belastinginspectie te België ontvangen fotokopie van een microfiche staan onder andere de volgende gegevens vermeld:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994"

en

"00-000000-15-0000 00 0040 VUE X/F 1.350,61"

en

"00-000000-70-0000 00 0678 VUE X/F 900.000"

en

"00-000000-11-0000 00 0860 TER LDO X/F 104.186,01"

en

"00-0000000-43-0000 00 0860 VUE X/F 0,03"

2.6 De Inspecteur heeft het totale saldo op 31 januari 1994 op de rekening 00-000000 berekend op fl. 438.465,92, uitgaande van de op de microfiches vermelde saldo’s en valutacodes. Het betreft drie zichtrekeningen (VUE) waarbij de rekening die eindigt op het nummer 0040 luidt in Nederlandse guldens, de rekening die eindigt op nummer 0678 luidt in Franse francs en de rekening waarvan het nummer eindigt op 0860 luidt in Australische dollars. De andere rekening met de aanduiding “TER” betreft een termijnrekening dan wel een spaarrekening, luidende in Australische dollars.

2.7 Op 29 januari 2002 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek door de Inspecteur plaatsgevonden. Hiervan is op 26 juni 2003 een rapport opgesteld. De Inspecteur heeft belanghebbende daarbij voorgehouden over gegevens te beschikken die wijzen op het bestaan van mogelijk ten name van belanghebbende gestelde buitenlandse bankrekeningen.

2.8 In de brief van 4 februari 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een gesprek, waarbij hij belanghebbende heeft verzocht afschriften van buitenlandse rekeningen mee te nemen onder verwijzing naar artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en hij belanghebbende heeft gewezen op de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast (hierna: “de omkering van de bewijslast”), indien de gevraagde informatie niet wordt verstrekt.

2.9 Op 7 maart 2002 heeft een gesprek tussen de Inspecteur en belanghebbende plaatsgevonden, waarbij belanghebbende heeft ontkend buitenlandse bankrekeningen aan te houden. Hij heeft zich bereid verklaard mee te werken aan het opvragen van de rekeninggegevens bij KB Lux. Hiertoe heeft de Inspecteur hem een voorbeeldbrief toegestuurd. Belanghebbende heeft ervoor gekozen een eigen brief op te stellen, waarin hij onder meer het volgende heeft geschreven:

“(…)Volgens de belastingdienst zijn wij rekeninghoud(st)ers (geweest) bij uw bank (…)”

2.10 Deze en in soortgelijke bewoordingen gestelde brieven heeft belanghebbende aan KB Lux verstuurd, maar KB Lux heeft nimmer op deze schriftelijke verzoeken gereageerd.

2.11 In zijn brief van 9 augustus 2002 heeft belanghebbende de Inspecteur bericht, dat hij nog geen reactie van de KB Lux heeft ontvangen.

2.12 In een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling van G, ambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, gedagtekend 7 oktober 2002, is onder meer opgenomen:

"Betreft: Onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de Kredietbank Luxembourg t.n.v.

X/F

Ik,

G,

ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD-ECD/kantoor Haarlem en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, aktenummer 000001 /0 Dha, verklaar het volgende.

Door mij is een onderzoek ingesteld naar de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna KB Lux).

Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).

De rekeninghouders staan hier op verschillende manieren vermeld:

a) Voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

b) Voornamen (doop c.q. geboortenamen) met achternaam

c) Voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan gevolgd worden door

1) Een liggend streepje en een tweede achternaam

2) Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

3) Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan weer gevolgd worden door

I. Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

II. Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

In geval van mogelijkheid 2 of 3 worden de rekeninghouders veelal aangeduid met hun aanspreektitel

M (= Monsieur)

Mme (= Madamme)

Melle (= Mademoiselle)

Het cliëntenbestand KB Lux is door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

Indien een rekening meer dan één rekeninghouder heeft, is er uit het BVR-bestand door B/KIR de volgende selectie gemaakt waarbij de voorwaarde is gesteld dat de (eerste) voorletter zoals die in het BVR-bestand staat vermeld bij ten minste één van de achternamen overeenkomt met de eerste letter van de voor c.q. doopnaam (letter) zoals die op de microfiches staat vermeld.

a) alle combinaties van beide achternamen waarbij in BVR de relatie gehuwd (met) staat vermeld.

b) alle combinaties van beide achternamen die in BVR op hetzelfde adres wonen (hebben gewoond)

c) alle combinaties van beide achternamen die in BVR onder hetzelfde dossiernummer staan (stonden) vermeld.

Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

Door de FIOD-ECD/kantoor Haarlem/afdeling Digitaal Ondersteuningsteam is uit het door B/KIR gemaakte bestand een nadere selectie gemaakt. Alleen die combinaties van namen zijn in de selectie ter nadere identificatie opgenomen waarbij er of géén voornaam na matching met het RDW-bestand bekend was, dan wel na matching de voornaam uit het RDW-bestand gelijk was aan de voornaam van het cliëntenbestand KB Lux.

(…)

Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam: X/F

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: X gehuwd met Mw. F.

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komen één hit voor, waarbij X en F partners zijn. Dit is X, geboren op 21-11-1944 met sofinummer 0000.00.00 en F, geboren op 26-08-1946 met sofinummer 0710.71.702.

4. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de eerste voornaam van X is: X.

5. Ik zie in het BVR-bestand dat X sinds 16-12-1971 gehuwd is met F.

Conclusie.

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie X met F als rekeninghouder in aanmerking, zoals die onder voornoemd punt 3 staat vermeld.

Opgemaakt op ambtseed, gesloten en getekend te Haarlem op 07 oktober 2002."

2.13 Op 1 november 2002 heeft een volgend gesprek tussen belanghebbende en de Inspecteur plaatsgevonden.

2.14 Bij brief van 15 november 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende zijn voornemen bekend gemaakt (navorderings)aanslagen op te leggen. De Inspecteur stelt wegens gebrek aan informatie genoodzaakt te zijn een schatting te maken van de door belanghebbende verschuldigde belasting en verzoekt belanghebbende daarom alsnog de door hem gestelde vragen te beantwoorden.

2.15 De Inspecteur heeft belanghebbende in een brief van 9 december 2002 meegedeeld, dat hij voornemens is navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 en VB 1992 en de aanslag VB 2000 op te leggen. Hij stelt belanghebbende tevens in kennis van zijn voornemen bij alle navorderingsaanslagen, ook die over de jaren 1992 tot en met 2000, boeten op te leggen. De hoogte van de boeten heeft de Inspecteur in deze brief als volgt gemotiveerd:

“Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) (…).

Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat u tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dat verplicht is.

De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven.

Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken.

Ik merk het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(en) teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het Boete besluit). Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen. (…)

Ik wil hierbij nog opmerken dat in de situatie waarin u alsnog volledige medewerking wilt verlenen en bereid bent mij volledige openheid van zaken te geven voordat de aanslagen worden opgelegd, de boeten zullen worden vastgesteld op 50%.”

2.16 Nadat de Inspecteur belanghebbende bij brief van 17 december 2002 heeft meegedeeld de boeten op te leggen onder verwijzing naar de eerder toegezonden kennisgeving, zijn met als dagtekening 31 december 2002 de navorderingaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991, alsmede de aanslag VB 2000 opgelegd.

2.17 Vervolgens heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en heeft een briefwisseling tussen belanghebbende en de Inspecteur plaatsgevonden.

2.18 De Inspecteur heeft belanghebbende op 25 april 2003 van zijn voornemen in kennis gesteld boeten op te leggen bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 2000 en VB 1992 tot en met 1999.

2.19 Nadat de Inspecteur bij brief van 15 mei 2003 een mededeling van de op te leggen boeten aan belanghebbende heeft toegestuurd, zijn met dagtekening 31 mei 2003 de andere navorderingsaanslagen opgelegd.

Getuigenaanbod

2.20 Het Hof heeft op grond van artikel 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een raadsheer-commissaris opgedragen een gedeelte van het vooronderzoek in bovengenoemde zaken te verrichten. Gelet op de lange duur van de procedure en de inmiddels gewezen jurisprudentie wenste het Hof door partijen geïnformeerd te worden over de omvang van het geschil. Op de zitting van de raadsheercommissaris van 20 april 2011 is belanghebbende in de gelegenheid gesteld een conclusie van repliek in te dienen. In de conclusie van repliek heeft belanghebbende opgemerkt dat hij het gerechtshof te ’s Gravenhage heeft verzocht mr. H (hierna: H) als getuige te horen.

2.21 In de uitnodiging voor de zitting van 21 juni 2011 staat vermeld dat partijen getuigen kunnen meebrengen. Belanghebbende heeft geen getuigen opgeroepen ter zitting van het Hof en heeft evenmin getuigen meegebracht. In zijn pleitnota voor deze zitting heeft belanghebbende verzocht een datum vast te stellen voor het verhoor van H. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen het door hem aangeboden bewijs te leveren.

2.22 Belanghebbende heeft de Inspecteur in zijn brief van 22 juni 2011 verzocht de namen te verstrekken van personen die in de nieuwsbrieven met NN 11, NN 12, NN 13, NN 19, NN 25, NN 30, NN 31 en NN 32 zijn aangeduid. De Inspecteur heeft in zijn brief van 28 juni 2011 deze namen verstrekt. Deze personen worden hierna aangeduid als de nieuwsbrief-getuigen.

2.23 In de brief van 27 juni 2011 heeft belanghebbende het Hof meegedeeld, dat 4 oktober 2011 de meest geschikte datum is voor het houden van een getuigenverhoor.

2.24 Het Hof heeft partijen daarop bij aangetekende brief van 28 juli 2011 uitgenodigd voor de zitting van 4 oktober 2011 waarbij in de uitnodiging is opgemerkt dat partijen getuigen kunnen meebrengen.

2.25 Belanghebbende heeft in de brief van 14 september 2001 het Hof meegedeeld, dat hij de nieuwsbrief-getuigen heeft verzocht voor het Hof te willen verschijnen om als getuige te worden gehoord. De nieuwsbrief-getuigen hebben te kennen gegeven niet (vrijwillig) te zullen verschijnen. Belanghebbende heeft vervolgens aangekondigd ter zitting van 4 oktober 2011 het Hof te zullen verzoeken de door hem aan te geven nieuwsbrief-getuigen op te roepen op grond van artikel 8:63, derde lid, van de Awb.

2.26 Het Hof heeft de Inspecteur verzocht te reageren op deze brief van belanghebbende. De Inspecteur heeft in zijn brief van 21 september 2011 aangegeven dat belanghebbende het Hof onjuist heeft geïnformeerd; belanghebbende heeft de nieuwsbrief-getuigen niet verzocht of opgeroepen te getuigen op de zitting van het Hof van 4 oktober 2011, noch hebben alle nieuwsbrief-getuigen geweigerd te komen.

2.27 In zijn brief van 26 september 2011 heeft het Hof belanghebbende meegedeeld, dat het in de brief van 14 september 2011 vervatte verzoek wordt afgewezen. Belanghebbende is gevraagd het Hof zo spoedig mogelijk te informeren welke getuigen hij op de zitting van 4 oktober 2011 wenst te horen.

2.28 Belanghebbende heeft op de zitting van het Hof op 4 oktober 2011 geen van de nieuwsbrief-getuigen noch H meegenomen om een getuigenverklaring af te leggen. Belanghebbende heeft wel nieuwsbrief-getuigen benaderd voor de zitting van het gerechtshof te Arnhem op 13 oktober 2011. Enkele getuigen hebben aangegeven daar ook te verschijnen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende gerechtigd is tot de betreffende bankrekeningen bij KB Lux?

2. Heeft de Inspecteur de microfiches onrechtmatig dan wel in strijd met het internationale vertrouwensbeginsel verkregen?

3. Heeft de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld bij zijn verzoeken om informatie?

4. Heeft de Inspecteur het evenredigheidsbeginsel dan wel het zorgvuldigheids¬beginsel geschonden bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

5. Heeft de Inspecteur terecht de bewijslast omgekeerd?

6. Heeft de Inspecteur een redelijke schatting van de inkomsten en het vermogen gemaakt?

7. Heeft de Inspecteur terecht en tot de juiste bedragen boeten opgelegd?

3.2 Belanghebbende beantwoordt de vragen 2, 3 en 4 bevestigend en de overige vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslagen, de boete- en de heffingsrentebeschikkingen en vermindering van de aanslag VB 2000 tot een vermogen van nihil.

3.3 De Inspecteur beantwoordt de vragen 2, 3 en 4 ontkennend en de overige vragen bevestigend en meent dat hij terecht, maar tot te hoge bedragen de (navorderings)aanslagen en boeten heeft opgelegd. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de (navorderings)aanslagen, tot verhoging van de kwijtscheldingen en tot vermindering van de boeten tot op de bedragen die door hem in zijn conclusie van dupliek overgelegde herberekeningen zijn genoemd.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in de processen-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

Identificatie

4.1 Tussen partijen is niet meer in geschil dat de microfiches gegevens bevatten van houders van rekeningen bij KB Lux. Evenmin is in geschil dat KB Lux over de bij haar aangehouden tegoeden jaarlijks rente heeft vergoed.

4.2 De Inspecteur stelt dat belanghebbende gerechtigd is tot de op de microfiches genoemde bankrekeningen bij KB Lux. Belanghebbende bestrijdt dat. De bewijslast ten aanzien van de door belanghebbende betwiste stelling dat hij in het tijdvak waarop de onder 1.1 tot en met 1.21 genoemde (navorderings)aanslagen zien, inkomsten heeft genoten en over vermogen heeft beschikt rust op de Inspecteur. De Inspecteur heeft hiervoor het volgende aangedragen. Na een eerste identificatie van belanghebbende als rekeninghouder bij KB Lux heeft de FIOD, na de ontkenning van belanghebbende gerechtigd te zijn tot de betreffende bankrekeningen, een proces-verbaal van identificatie opgemaakt. Dit onder 2.12 aangehaalde proces-verbaal is door G op 7 oktober 2002 opgemaakt. Uit dat proces-verbaal volgt, dat in het BVR-bestand van de Belastingdienst de combinatie van X en F als partners slechts eenmaal voorkomt en wel in het geval van belanghebbende en zijn echtgenote.

4.3 Belanghebbende brengt hier tegen in dat verschillende personen de naam X dragen, zodat de identificatie zoals verricht door de Inspecteur niet uniek is. Voorts oppert belanghebbende de mogelijkheid dat zijn persoonsgegevens door een onjuiste adressering bij derden terecht is gekomen, die hiervan misbruik hebben gemaakt door onder zijn naam een bankrekening bij de KB Lux te openen. Daarnaast stelt hij dat hij nooit de beschikking heeft gehad over een dusdanig omvangrijk vermogen; zijn inkomsten waren te laag om een zodanig vermogen te kunnen vormen en hij heeft nooit een prijs of een erfenis ontvangen van een dergelijke omvang. Zijn pogingen om duidelijkheid te krijgen bij KB Lux dat hij geen rekeninghouder is, hebben niets opgeleverd.

4.4 Het Hof overweegt het volgende. De Inspecteur maakt met het onder 2.12 genoemde onderzoek aannemelijk dat de combinatie van een X in combinatie met een persoon genaamd F uniek is. Het feit dat in het proces-verbaal ook eenmaal over “X” wordt gesproken, vat het Hof op als een kennelijke verschrijving. Dat de naam X niet uniek is, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur ook niet betwist, doet hier niet aan af. Belanghebbende heeft voorts tegen het resultaat van het onderzoek ingebracht, dat het identificatieproces in het Rekeningenproject niet 100% betrouwbaar is. Hiervoor ontbreken naar het oordeel van het Hof voldoende aanwijzingen. De verwijzing door belanghebbende naar de brief van de Belastingdienst Holland-Midden, kantoor Leiden, van 16 mei 2011, is daartoe onvoldoende gelet op daarover afgelegde verklaring door de Inspecteur. Deze heeft bij monde van C, die destijds bij de behandeling van die zaak betrokken is geweest, toegelicht dat in die betreffende zaak enige twijfel was ontstaan over de identificatie van een belastingplichtige met de naam “Y”. Die twijfel vormde de reden om de aan die belastingplichtige opgelegde navorderingsaanslagen te vernietigen. In de onderhavige zaak bestaat volgens de Inspecteur geen twijfel dat de naamcombinatie X/F een unieke combinatie van namen is. Tegenover de verwijzing naar de brieven die belanghebbende aan de KB Lux heeft verstuurd, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof geloofwaardig verklaard, dat het in Luxemburg geldende bankgeheim het de KB Lux verbiedt te reageren op verzoeken zoals die door belanghebbende zijn geformuleerd. Belanghebbendes stelling dat er mogelijk sprake is van identiteitsfraude, staat eveneens niet aan het vorenbedoelde bewijsvermoeden in de weg, omdat daarvoor onvoldoende concrete aanwijzingen naar voren zijn gebracht. Het enkele feit dat belanghebbende een laag inkomen heeft gehad, staat er niet aan in de weg dat hij op andere wijze een vermogen heeft kunnen opbouwen.

4.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot het bewijsvermoeden, dat belanghebbende gerechtigd is tot de bankrekeningen bij KB Lux. Het Hof heeft belanghebbende ter zitting van 21 juni 2011 ervan op de hoogte gebracht, dat het Hof uit de unieke naamcombinatie “X/F” en uit de omstandigheid dat belanghebbende niets concreets daartegenin heeft gebracht het vermoeden heeft ontleend dat belanghebbende de betreffende rekeninghouder is. Daarna is hij in de gelegenheid gesteld het vermoeden te ontzenuwen.

4.6 Belanghebbende heeft hierop herhaald dat de KB Lux hem geen informatie verstrekt, dat hij wegens zijn lage inkomen niet in staat is geweest om een dusdanig groot vermogen te vormen, dat er meer personen met de naam X zijn en dat er sprake zou kunnen zijn van identiteitsfraude.

4.7 Met hetgeen hij aldus naar voren heeft gebracht, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof het bewijsvermoeden niet ontzenuwd. Anders dan belanghebbende betoogt, acht het Hof belanghebbende wel in staat (een begin van) tegenbewijs te leveren. Indien immers belanghebbende zich vergezeld van getuigen bij KB Lux had vervoegd met het verzoek of hij over de saldi van de desbetreffende bankrekeningen zou kunnen beschikken, zou een weigering van dat verzoek als tegenbewijs hebben kunnen dienen. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting van het Hof uitdrukkelijk geweigerd een dergelijk verzoek bij KB Lux te doen. Hij draagt hiervoor aan dat hij zich niet als een gerechtigde tot een bankrekening wenst te presenteren, omdat hij die hoedanigheid niet heeft. De voor de weigering aangedragen argumenten vormen naar het oordeel van het Hof een onvoldoende verklaring voor het zwaarwegende belang van belanghebbende om niet als gerechtigde tot de rekeningen aangemerkt te worden (vergelijk Hoge Raad 26 april 2011, 09/00107, LJN BP0058 en de conclusie van de A-G, onderdeel 34 e.v.).

4.8 Nu belanghebbende het door het Hof geuite vermoeden niet heeft ontzenuwd, zal het Hof ervan uitgaan, dat belanghebbende in de onderhavige jaren gerechtigd was tot de bankrekeningen bij KB Lux.

Onrechtmatig verkregen bewijs/ Strijd met internationaal vertrouwensbeginsel

4.9 Belanghebbende stelt dat de fotokopieën van de microfiches op onrechtmatige wijze zijn verkregen.

4.10 De Inspecteur bestrijdt deze stellingen met een verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 14 november 2006, nummer 02324/05, LJN AX7471, NJ 2007/179 en 21 maart 2008, nummer 43050, LJN BA8179, BNB 2008/159 (hierna: de Nauta-arresten).

4.11 In zijn arrest van 31 mei 2011, nr. P.10.2037, heeft het Belgische Hof van Cassatie vastgesteld dat de Belgische Staat door middel van een gesimuleerde huiszoeking de beschikking heeft gekregen over de microfiches, zodat de Staat niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar stafrechtelijke vervolging van bepaalde verdachten.

4.12 Ook al heeft de Belgische Staat naar Belgisch recht de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen, dan nog bestaat er geen aanwijzing dat de Belgische overheid zelf de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches. Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen waaruit zou volgen dat de Nederlandse belastingautoriteiten bij de verkrijging van de gegevens van de Belgische overheid een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen heeft geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geoordeeld. Het Hof is daarom, mede gelet op de Nauta-arresten, van oordeel dat de Belastingdienst de microfiches niet op een wijze heeft verkregen die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht.

4.13 Daarnaast stelt belanghebbende dat bij het verkrijgen van het bewijs het internationale vertrouwensbeginsel is geschonden. Volgens belanghebbende houdt dit vertrouwensbeginsel in, dat de Nederlandse belastingdienst erop mag vertrouwen dat de Belgische belastingdienst de daar geldende voorschriften heeft nageleefd bij de verkrijging van de informatie en als dat vertrouwen geschonden is, de verkregen informatie niet mag worden gebruikt. Nu ter zake van de verkrijging in België door een Belgische overheidsdienaar een onrechtmatige daad is begaan en deze daad zozeer indruist tegen wat van een redelijk handelende overheid kan en mag worden verwacht, had de Nederlandse overheid de gegevens volgens belanghebbende niet mogen gebruiken.

4.14 Ter onderbouwing van de schending heeft belanghebbende aangegeven H als getuige te willen horen. Tijdens de zitting van het Hof van 21 juni 2011 heeft belanghebbende van de daartoe geboden mogelijkheid geen gebruik gemaakt. In de brief van 27 juni 2011 heeft hij aangegeven, dat 4 oktober 2011 de meest geschikte datum is voor het houden van een getuigenverhoor. Op de zitting van 4 oktober 2011 is H wederom niet als getuige ter zitting verschenen. Als verklaring hiervoor draagt belanghebbende aan dat hij in de week voor de zitting met H heeft gebeld en dat deze toen heeft aangeven voor deze zittingsdatum verhinderd te zijn. Belanghebbende stelt H eerst in een zo laat stadium als getuige te hebben uitgenodigd, omdat hem tijdens de zitting van 21 juni 2011 niet duidelijk was geworden dat hij tijdens de zitting van 4 oktober 2011 in de gelegenheid zou worden gesteld H als getuige te horen. Hij was eerst na ontvangst van het proces-verbaal van die zitting hiermee bekend geraakt.

4.15 Het Hof overweegt over dit getuigenaanbod het volgende. Belanghebbende heeft al in zijn conclusie van repliek het voornemen geuit om H als getuige te horen. In zijn pleitnota voor de zitting van 21 juni 2011 en tijdens deze zitting heeft hij dit verzoek geconcretiseerd. In samenspraak met belanghebbende is een zittingsdatum vastgesteld waarop getuigen gehoord kunnen worden. Het Hof acht de verklaring van belanghebbende dat hij niet wist dat hij H op de zitting van 4 oktober 2011 als getuige kon meebrengen niet geloofwaardig, te meer niet nu aan hem een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 21 juni 2011 is toegestuurd. Belanghebbende heeft ter zitting van 4 oktober 2011 evenmin een concreet aanbod gedaan, wanneer H wel gehoord zou kunnen worden. Gelet op het voorgaande is belanghebbende naar het oordeel van het Hof voldoende in de gelegenheid gesteld H ter zitting te horen en is er geen reden het onderzoek te heropenen om belanghebbende opnieuw in de gelegenheid te stellen H als getuige te horen.

4.16 Belanghebbende heeft voorts I (hierna: I) als getuige aangedragen, omdat hij wetenschap zou hebben dat de microfiches in België onrechtmatig zijn verkregen. I is een voormalige medewerker van de Belastingdienst en één van de nieuwsbrief-getuigen. Belanghebbende heeft I echter niet opgeroepen omdat hij verwacht dat deze zich zal beroepen op zijn zwijgrecht en belanghebbende anders geconfronteerd zal worden met hoge proceskosten voor een zitting waarin I als getuige niets kan of wil verklaren.

4.17 De redenen om I niet als getuige op te roepen of mee te brengen zijn terug te voeren op een bewuste keuze van belanghebbende, zodat het Hof ervan uitgaat dat belanghebbende afziet van het horen van I als getuige.

4.18 Naar het oordeel van het Hof ligt het op de weg van belanghebbende een schending van het door hem gestelde internationale vertrouwensbeginsel gemotiveerd te stellen en daarvan bewijs te leveren. De Inspecteur bestrijdt dat van een dergelijke schending sprake is, omdat het hem is toegestaan strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs voor de belastingheffing te gebruiken onder de in de Nauta-arresten genoemde voorwaarden. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof onvoldoende gesteld, waaruit volgt dat de Inspecteur andere rechtsregels heeft geschonden bij de verkrijging van de microfiches dan waaraan het Hof hiervoor onder 4.12 heeft getoetst. Het beroep op een internationaal vertrouwensbeginsel is reeds hierom ongegrond.

4.19 Nu geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs en evenmin is gebleken van een schending van internationaal recht, ziet het Hof geen reden de microfiches als bewijsmiddel uit te sluiten.

Schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.20 Belanghebbende klaagt voorts er over dat de verwijzing door de Inspecteur in zijn verzoeken om informatie naar de strafrechtelijke bepalingen van artikel 68 en 69 van de AWR, is te beschouwen als het uitoefenen van ongeoorloofde druk op belanghebbende. Belanghebbende heeft geen inlichtingen verstrekt over de KB Lux rekening, zodat van het verkrijgen van informatie onder druk geen sprake is. Ook overigens is het Hof niet gebleken van enig handelen van de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Evenredigheidsbeginsel/zorgvuldigheidsbeginsel

4.21 De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een dagtekening van 31 december 2002 of 31 mei 2003. Niet gesteld of gebleken is dat aan belanghebbende uitstel is verleend voor het doen van de desbetreffende aangiften. De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1997 en de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 1998 zijn opgelegd op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn was verstreken. Vaststaat dat deze navorderingsaanslagen zijn opgelegd met inachtneming van de zogenoemde verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR.

4.22 Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 juni 2009 (gevoegde zaken X en Passenheim-van Schoot), C 155/08 en C-157/08, LJN BI8987, leidt het Hof af dat de artikelen 49 en 56 van het EU-verdrag zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. Beschikken de belastingautoriteiten wel over die aanwijzingen, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

4.23 Het in punt 47 van het in de vorige rechtsoverweging vermelde arrest van het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel verzet zich ertegen dat de inspecteur met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, ook na het hiervoor bedoelde tijdsverloop gebruik maakt van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR een navorderingsaanslag op te leggen op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, derde lid, van de AWR is verstreken. De rechtvaardiging die het Hof van Justitie aanwezig heeft geacht voor de aan toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR verbonden beperking van het vrije verkeer, is gelegen in het waarborgen van de doeltreffendheid van de fiscale controles en het bestrijden van belastingfraude. Die rechtvaardiging is er niet wanneer ten aanzien van (inkomsten uit) buitenlandse tegoeden de navorderingstermijn, die voor (inkomsten uit) binnenlandse tegoeden zou gelden, verder wordt overschreden dan uit het eerder bedoelde tijdsverloop voortvloeit (vergelijk Hoge Raad 26 februari 2010, nr. 43.050bis, LJN BJ9092, BNB 2010/199).

4.24 Belanghebbende is van mening dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden omdat de navorderingsaanslagen niet met een redelijke voortvarendheid zijn voorbereid en opgelegd. Hij gaat er daarbij van uit dat de Inspecteur ruim voor december 2002 de beschikking heeft gehad over een of meerdere stukken die betrekking hebben op de identificatie van belanghebbende en de omvang van het te corrigeren bedrag. Nu de Inspecteur zich onvoldoende heeft ingespannen de navorderingsaanslagen tijdig op te leggen, is hij volgens belanghebbende niet voldoende voortvarend geweest bij het opleggen van de navorderingsaanslagen. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van deze stelling aangeboden de nieuwsbrief-getuigen te horen. Belanghebbende heeft verklaard de nieuwsbrief-getuigen niet te hebben opgeroepen, omdat een aantal van hen op 13 oktober 2011 ter zitting van het gerechtshof te Arnhem in andere KB Luxprocedures gehoord zouden worden. Belanghebbende heeft verzocht om schorsing van het onderzoek ter zitting, omdat hij de processen-verbaal van het getuigenverhoor van de nieuwsbrief-getuigen door het gerechtshof Arnhem op 13 oktober 2011 bij dit Hof wil inbrengen. Het Hof heeft ter zitting geen reden gezien voor een aanhouding van de zaken en ziet nu evenmin reden tot heropening van het onderzoek, nu belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld de nieuwsbrief-getuigen ter zitting van het Hof te horen.

4.25 De Inspecteur meent dat hij wel voldoende voortvarend is geweest. Hij verwijst daarvoor naar de briefwisseling zoals die onder 2.8 en volgende is opgenomen en betwist dat hij begin 2002 reeds de beschikking had over informatie benodigd voor de te corrigeren bedragen. De gegevens van degenen die inzage in hun KB Lux-rekening hebben gegeven zijn in de loop van 2002 projectmatig ingezameld, waarbij in oktober 2002 uit het verkregen cijfermateriaal de schattingen van de inkomsten en vermogens hebben plaatsgevonden van degenen die ontkennen gerechtigd te zijn tot een KB Lux-rekening.

4.26 Het Hof overweegt het volgende. Belanghebbende heeft in het begin van het jaar 2002 ontkend rekeninghouder van een KB Lux-rekening te zijn. Nadat belanghebbende deze ontkenning meerdere malen heeft herhaald, heeft de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld contact op te nemen met KB Lux. Nadat deze pogingen voor belanghebbende geen resultaat opleverden, heeft de Inspecteur in oktober 2002 een identiteitsverificatie laten plaatsvinden en heeft hij belanghebbende in november 2002 opnieuw in de gelegenheid gesteld de rekeninggegevens te verstrekken. Vervolgens heeft hij in zijn brief van 9 december 2002 een overzicht gegeven van de voorgenomen correcties. Door op deze wijze te handelen heeft de Inspecteur de zorgvuldigheid betracht die noodzakelijk is bij het onderzoek naar het opleggen van (navorderings)aanslagen en boeten van deze omvang, zodat hij na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen dat belanghebbende rekeninghouder was bij KB Lux niet meer tijd heeft laten verstrijken dan noodzakelijkerwijs is gemoeid met het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting. Dit zou anders kunnen zijn als, zoals belanghebbende stelt, de Inspecteur begin 2002 al op de hoogte was van de te corrigeren bedragen. Dat laatste heeft het Hof evenwel niet kunnen vaststellen. Uit de door de Inspecteur hiervoor onder 4.25 gegeven toelichting volgt, dat de omvang van de correcties is bepaald aan de hand van degenen die inzage in hun KB Lux-rekening hebben gegeven. Dit kan eerst in de loop van 2002 zijn geschied. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

4.27 Belanghebbende is eerst enige maanden later, op 16 april 2003, door de Inspecteur in kennis gesteld van zijn voornemen de navorderingsaanslagen met boeten op te leggen. De navorderingsaanslagen en boeten zijn op 31 mei 2003 opgelegd. Gelet op de hoeveelheid navorderingsaanslagen en boeten die opgelegd moesten worden en de zorgvuldige handelwijze die bij het opleggen daarvan betracht moet worden, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur met redelijke voortvarendheid de navorderingsaanslagen heeft voorbereid en vastgesteld.

4.28 Het Hof acht, gelet op het vorenoverwogene, geen schending van het evenredigheidsbeginsel aanwezig.

4.29 Belanghebbende bepleit voorts dat het evenredigheidsbeginsel dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel met zich meebrengt dat navorderingsaanslagen die binnen de periode van vijf jaar (artikel 16, derde lid, van de AWR) zijn opgelegd eveneens voortvarend opgelegd dienen te worden. Het arrest van het Hof van Justitie behandelt de rechtvaardiging van de overschrijding van de termijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR, zodat deze niet ziet op de toepassing van artikel 16, derde lid, van de AWR. Geen rechtsregel dwingt de Inspecteur ertoe binnen de hem gegeven termijn van vijf jaar, de navorderingsaanslagen met voldoende voortvarendheid op te leggen. Niet gebleken is dat de Inspecteur daarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.

Omkering van de bewijslast

4.30 De Inspecteur heeft belanghebbende meermaals verzocht om gegevens en inlichtingen over vermogensbestanddelen in het buitenland waartoe belanghebbende gerechtigd is. De Inspecteur heeft daarbij onder verwijzing naar de artikelen 47, eerste lid, artikel 25, zesde lid, onderdeel b en artikel 27e, onder b van de AWR (tekst 2004) belanghebbende gewezen op de omkering van de bewijslast indien belanghebbende de gevraagde gegevens en inlichtingen niet zou verstrekken. Nu, gelet op het vorenoverwogene, vaststaat dat belanghebbende gerechtigd is tot de bankrekeningen bij KB Lux, had hij deze gegevens desgevraagd aan de Inspecteur moeten verstrekken. Belanghebbende heeft de door de Inspecteur gevraagde gegevens niet verstrekt. Daarmee heeft hij niet voldaan aan artikel 47, eerste lid, aanhef en letter a, van de AWR en heeft de Inspecteur terecht de bewijslast omgekeerd. Hieruit vloeit voort dat het Hof het beroep met betrekking tot de (nagevorderde) belasting op grond van het bepaalde in artikel 27e, onder b, van de AWR ongegrond dient te verklaren, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Belanghebbende heeft voor dat laatste onvoldoende aangedragen.

Schatting

4.31 Uit de gegevens van rekeninghouders van KB Lux die op de microfiches staan vermeld en die inzicht hebben gegeven in hun rekeninggegevens (hierna: bekenners), volgt volgens de Inspecteur dat het saldo dat op de microfiches staat vermeld, niet overeenstemt met de werkelijk aangehouden tegoeden bij KB Lux. De inkomsten en het vermogen heeft de Inspecteur daarom geschat aan de hand van de gegevens van de bekenners.

4.32 De Inspecteur heeft bij zijn conclusie van dupliek een bijlage gevoegd met een herberekening van de belastbare inkomens voor de IB/PVV en belastbare vermogens voor de VB waarbij hij de factor 1,5 die hij in zijn eerdere berekening heeft toegepast, heeft geëlimineerd. Belanghebbende heeft hiertegen ingebracht, dat hij niet kan controleren of voor de VB de oudedagsvrijstelling en de ondernemingsvrijstelling op juiste wijze zijn toegepast. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur de belastbare inkomsten en vermogens niet onredelijk geschat. Het Hof gaat hierna uit van de bedragen van de (navorderings)aanslagen IB/PVV en VB zoals die zijn genoemd in de bijlage bij de conclusie van dupliek.

Boeten

4.33 De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen die zien op de jaren 1992 tot en met 1997 opgelegd met een 100% verhoging waarvan hij geen kwijtschelding heeft verleend. Voor de daaropvolgende jaren heeft de Inspecteur belanghebbende boeten van 100% opgelegd. Hij stelt dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan en rekent als strafverzwarende omstandigheid aan dat gebruik is gemaakt van een buitenlandse bankrekening in een land met een bankgeheim. Hierdoor onttrok belanghebbende de Inspecteur het zicht op de tegoeden en de inkomsten daaruit. Bovendien is de verzwegen belasting zowel absoluut als relatief omvangrijk.

4.34 Belanghebbende is van mening dat de boeten ten onrechte opgelegd zijn, omdat hij niet tot de bankrekeningen gerechtigd is geweest. Subsidiair stelt belanghebbende dat bij het opleggen van de boeten rekening moet worden gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn geringe financiële draagkracht en zijn gezondheids¬problemen. Daarnaast stelt hij dat de redelijke termijn is overschreden.

4.35 Het beboetbare feit betreft het in ieder van de onderhavige jaren opzettelijk niet in het aangiftebiljet IB/VB vermelden van de inkomsten uit de KB Lux-rekeningen en het saldo van deze bankrekeningen. Voor het bewijs van het plegen van dit beboetbare feit zal de Inspecteur aannemelijk moeten maken dat belanghebbende gerechtigd is geweest tot de KB Lux-rekeningen. De Inspecteur heeft daarvoor de microfiches, de identificatie van belanghebbende, de aangiften en overige feiten en omstandigheden aangedragen. Bij het Hof is uit de unieke naamcombinatie “X/F” op het microfiche en uit de omstandigheid dat belanghebbende daartegen niets concreets heeft ingebracht, het vermoeden gerezen dat belanghebbende gerechtigd is tot de KB Lux-rekeningen. Daarmee wordt belanghebbende tevens vermoed het beboetbare feit te hebben gepleegd, nu vaststaat dat in de desbetreffende aangiften niet de rente genoten uit en de saldi van die KB Lux-rekeningen zijn opgenomen. Het Hof heeft belanghebbende dit vermoeden voorgehouden teneinde hem de mogelijkheid te bieden daarover uitleg te geven.

4.36 Met hetgeen belanghebbende heeft aangedragen heeft hij deze verdenking niet ontzenuwd, zodat het Hof ervan uitgaat dat belanghebbende het beboetbare feit heeft gepleegd.

4.37 De Inspecteur heeft het saldo op 31 januari 1994 op de KB Lux-rekeningen berekend op fl. 438.465,92. Belanghebbende bestrijdt deze berekening en stelt aan de hand van de gemiddelde koersen over het tweede kwartaal van het jaar 1994 van de Australische dollar en de Luxemburgse frank dat het saldo fl. 191.125,59 bedraagt. Naar het oordeel van het Hof is de door de Inspecteur opgestelde berekening juist. Belanghebbende gaat ten onrechte uit van de gemiddelde valutakoers in het tweede kwartaal over het jaar 1994 en niet van de valutakoers per 31 januari 1994. Daarnaast volgt uit de valutacode op het microfiche, de toelichting van de Inspecteur daarop ter zitting van het Hof van 21 juni 2011 en de omwisselkoersen zoals vermeld in bijlage B4 bij bijlage B.9 van het verweerschrift van de Inspecteur, dat het saldo van de rekening die eindigt op het nummer 0678 niet in Luxemburgse, maar in Franse franken luidt.

4.38 Het enkele gegeven dat op 31 januari 1994 een saldo van fl. 438.465,92 op de microfiches staat vermeld, brengt zonder nadere toelichting nog niet mee, dat dit saldo in de voorliggende en de daaropvolgende periode ook aanwezig is geweest. Het saldo op de KB Lux-rekeningen is volgens de Inspecteur niet afkomstig uit binnenlands vermogen van belanghebbende en is ook niet later in zijn binnenlandse vermogen gevloeid. Het op de microfiches vermelde saldo is zo hoog dat dit zonder bijzondere omstandigheden waarover belanghebbende niets heeft gesteld en waarvoor aanwijzingen in het dossier ontbreken, niet kort voor 31 januari 1994 kan zijn ontstaan of kort na deze datum kan zijn uitgegeven. De aard van de rekeningen en de spaarrekening/deposito wijzen er volgens de Inspecteur op dat belanghebbende deze rekeningen voor langere tijd wilde aanhouden. Belanghebbende heeft het bovenstaande niet, dan wel onvoldoende, weersproken.

4.39 Van de zijde van belanghebbende zijn geen gegevens overgelegd over zijn vermogen in de betreffende jaren noch bevinden zich daarover gegevens in het dossier. Daarmee ontbreken aanwijzingen voor stortingen op of opnames van de KB Lux-rekeningen. Ook ontbreken aanwijzingen dat belanghebbende de, gelet op de omvang van het vermogen per 31 januari 1994 en de aard van de beleggingen, relatief aanzienlijke vergoedingen over dat saldo zou hebben opgenomen en besteed. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende grote uitgaven heeft gedaan of een niet bij zijn inkomsten passend uitgavenpatroon heeft gehad.

4.40 Gelet op het vorenoverwogene en hetgeen de Inspecteur heeft aangedragen is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat voor de jaren 1990 tot en met 2000 het saldo van de KB Lux-rekeningen ten minste gelijk is gebleven. Belanghebbende heeft het op de bankrekeningen aanwezige vermogen noch de inkomsten daaruit vermeld in zijn aangiften. Het Hof acht bewezen dat het niet vermelden te wijten is aan opzet van belanghebbende, omdat belanghebbende wist dat deze banktegoeden moesten worden aangegeven voor de VB en de inkomsten daaruit voor de IB/PVV. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende opzettelijk gebruik heeft gemaakt van bankrekeningen in een land met een bankgeheim met het oogmerk om die belastingen te ontduiken.

4.41 Het Hof is tot dit oordeel gekomen zonder dat het daarbij de omkering van de bewijslast heeft gehanteerd dan wel gebruik heeft gemaakt van de gegevens van degenen uit het Rekeningenproject die bekend hebben gerechtigd te zijn tot een KB Lux-rekening (HR 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN BN6350, BNB 2011/206).

4.42 De inkomens- en vermogenscorrectie in het jaar 1994 heeft de Inspecteur in zijn conclusie van dupliek gebaseerd op een geschat vermogen per 1 januari 1994 van fl. 463.320. Het Hof gaat bij de beoordeling van de strafoplegging uit van het zichtbare saldo op 31 januari 1994 van fl. 438.465,92. Het verschil tussen het zichtbare en geschatte saldo bedraagt ongeveer 5% van het geschatte saldo. Zoals het Hof hiervoor onder 4.40 heeft geoordeeld, acht het Hof aannemelijk dat het saldo in de voorliggende en de op 1994 volgende jaren ten minste gelijk is gebleven. Hiervan uitgaande en daargelaten de wijzigingen in de gecorrigeerde bedragen, de vrijstellingen en de tarieven, zal het Hof kwijtschelding verlenen van de door de Inspecteur herberekende verhogingen van 5% en de door de Inspecteur herberekende boeten met 5% verlagen. De dan resterende boeten acht het Hof, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, passend en geboden. Voor een matiging van de boete vanwege een geringe draagkracht ziet het Hof, mede gelet op het saldo van de KB Luxrekeningen, geen reden.

4.43 Het bepalen van de gegrondheid van de aan belanghebbende opgelegde boeten dient ingevolge artikel 6 van het EVRM te geschieden binnen een redelijke termijn. Belanghebbende beklaagt zich erover dat deze termijn niet in acht is genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat deze termijn voor alle opgelegde boeten is aangevangen op 9 december 2002. Hiervan uitgaande, zijn sinds die datum tot heden bijna negen jaren en vier maanden verstreken. Voor de vraag of en zo ja in hoeverre sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dient te worden beoordeeld in hoeverre bijzondere omstandigheden de langere termijn rechtvaardigen. Ofschoon de problematiek van het Rekeningenproject naar aard en omvang (de behandeling van) de zaak ingewikkeld maakt, vormt dit een onvoldoende verklaring voor de lange duur van de behandeling van het bezwaar door de Inspecteur en het beroep bij het Hof. Een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zeven jaar leidt het Hof daarom tot een verdere kwijtschelding van de verhoging en matiging van de boete met 25%. De door de Inspecteur in zijn herberekening genoemde boeten zal het Hof daarom in totaal met 29% verlagen en de verhogingen zullen met hetzelfde percentage worden kwijtgescholden.

Boetebedragen IB/PVV (waaronder verhogingen begrepen)

Nagevorderde IB/PVV Correctie van 5% Op te leggen boete Correctie overschrijding redelijke termijn 25% Vastgestelde boete in guldens Vastgestelde boete in euro's

1990 fl. 10.327 fl. 516 fl. 9.811 fl. 2.453 fl. 7.358 € 3.339

1992 fl. 9.784 fl. 489 fl. 9.295 fl. 2.324 fl. 6.971 € 3.163

1992 fl. 10.494 fl. 525 fl. 9.969 fl. 2.492 fl. 7.477 € 3.393

1993 fl. 10.363 fl. 518 fl. 9.845 fl. 2.461 fl. 7.384 € 3.351

1994 fl. 7.460 fl. 373 fl. 7.087 fl. 1.772 fl. 5.315 € 2.412

1995 fl. 7.775 fl. 389 fl. 7.386 fl. 1.847 fl. 5.540 € 2.514

1996 fl. 8.987 fl. 449 fl. 8.538 fl. 2.134 fl. 6.403 € 2.906

1997 fl. 9.574 fl. 479 fl. 9.095 fl. 2.274 fl. 6.821 € 3.095

1998 fl. 8.257 fl. 413 fl. 7.844 fl. 1.961 fl. 5.883 € 2.670

1999 fl. 10.105 fl. 505 fl. 9.600 fl. 2.400 fl. 7.200 € 3.267

2000 fl. 5.208 fl. 260 fl. 4.948 fl. 1.237 fl. 3.711 € 1.684

4.44 Met betrekking tot de hoogte van de boeten voor de vermogensbelasting overweegt het Hof het volgende. De Inspecteur is in zijn herberekening voor de vermogensbelasting voor de jaren 1991, 1992 en 1993 uitgegaan van een lager saldo op de KB Lux-rekeningen dan het saldo daarvan op 31 januari 1994. Daarnaast is hij ervan uitgegaan dat het vermogen van belanghebbende overigens nihil bedraagt. Het Hof acht deze uitgangspunten van de Inspecteur niet onredelijk en zal deze daarom volgen. Dit heeft tot gevolg dat voor de jaren 1991, 1992 en 1993 de correctie van 5% op de boeten vanwege een te hoog in aanmerking genomen saldo (zie onder 4.42) niet zal worden toegepast.

4.45 Bij de matiging van de boeten vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, houdt het Hof er rekening mee, dat het een reeks van boeten betreft, zodat elke boete, ook die relatief gering zijn, met 25% wordt verlaagd. Het Hof berekent de vermogensbelasting als grondslag voor de boeten als volgt (alles luidend in guldens):

Correctie

KB Lux

rekeningen Hogere

IB/PVV

Schuld Hogere

schuld

heffings-rente Hogere

VB

Schuld Belastingvrij

bedrag Belastbare

Som Bedrag

VB

1991 416.000 10.327 117.000 288.673 2.304

1992 426.400 20.111 2.304 120.000 283.985 2.264

1993 426.920 30.605 1.007 4.568 125.000 265.740 2.120

1994 438.465 40.968 2.382 6.688 136.000 252.427 2.016

1995 438.465 48.428 4.112 8.704 160.000 217.221 1.736

1996 438.465 56.203 6.294 10.440 163.000 202.528 1.616

1997 438.465 65.190 8.014 12.056 166.000 187.205 1.496

1998 438.465 74.764 9.984 13.552 241.000 99.165 693

1999 438.465 83.021 12.901 14.245 246.000 82.298 574

2000 438.465 93.126 15.906 14.819 250.000 64.614 448

Boetebedragen VB (waaronder verhogingen begrepen)

Nagevorderde VB Correctie van 5% Op te leggen boete Correctie overschrijding redelijke termijn 25% Vastgestelde boete in guldens Vastgestelde boete in euro's

1991 2.304 - 2.304 576 1.728 784

1992 2.264 - 2.264 566 1.698 771

1993 2.120 - 2.120 530 1.590 722

1994 2.016 101 1.915 479 1.436 652

1995 1.736 87 1.649 412 1.237 561

1996 1.616 81 1.535 384 1.151 522

1997 1.496 75 1.421 355 1.066 484

1998 693 35 658 165 494 224

1999 574 29 545 136 409 186

2000 448 22 426 106 319 145

Heffingsrente

4.46 Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de nader vastgestelde belastbare inkomens en belastbare vermogens betreft.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het beroep gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.690,50 (3,5 punten (beroepschrift, conclusie van repliek, zitting, twee nadere zittingen) ? wegingsfactor 1,5 ? € 322) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep.

6. Beslissing

Het Hof

– verklaart het tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur,

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1990 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 41.421 (€ 18.796),

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1991 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 39.368 (€ 17.864),

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1992 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 40.452 (€ 18.356),

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1993 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 39.047 (€ 17.719),

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1994 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 32.362 (€ 14.685),

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1995 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 32.521 (€ 14.757),

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1996 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 33.054 (€ 14.999),

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1997 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 36.827 (€ 16.711),

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1998 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 31.333 (€ 14.218),

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1999 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 44.981 (€ 20.411),

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2000 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 32.827 (€ 14.896),

– vernietigt de besluiten van de Inspecteur geen kwijtschelding te verlenen,

– verleent voor de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 1997 een kwijtschelding van 29% van de verhoging, zodat een bedrag resteert van fl. 7.358 (€ 3.339) voor het jaar 1990, fl. 6.971 (€ 3.163) voor het jaar 1991, fl. 7.477 (€ 3.393) voor het jaar 1992, fl. 7.384 (€ 3.351) voor het jaar 1993, fl. 5.315 (€ 2.412) voor het jaar 1994, fl. 5.540 (€ 2.514) voor het jaar 1995, fl. 6.403 (€ 2.906) voor het jaar 1996 en fl. 6.821 (€ 3.095) voor het jaar 1997,

– vermindert de boete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1998 tot een bedrag van fl. 5.883 (€ 2.670),

– vermindert de boete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1999 tot een bedrag van fl. 7.200 (€ 3.267),

– vermindert de boete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2000 tot een bedrag van fl. 3.711 (€ 1.684),

– vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1991 tot een aanslag berekend naar een belastbare som van fl. 288.673 (€ 130.994),

– vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1992 tot een aanslag berekend naar een belastbare som van fl. 283.985 (€ 128.867),

– vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1993 tot een aanslag berekend naar een belastbare som van fl. 265.740 (€ 120.588),

– vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1994 tot een aanslag berekend naar een belastbare som van fl. 252.427 (€ 114.546),

– vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1995 tot een aanslag berekend naar een belastbare som van fl. 217.221 (€ 98.571),

– vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1996 tot een aanslag berekend naar een belastbare som van fl. 202.528 (€ 91.903),

– vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1997 tot een aanslag berekend naar een belastbare som van fl. 187.205 (€ 84.950),

– vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1998 tot een aanslag berekend naar een belastbare som van fl. 99.165 (€ 44.999),

– vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1999 tot een aanslag berekend naar een belastbare som van fl. 82.298 (€ 37.345),

– vermindert de aanslag VB over het jaar 2000 tot een aanslag berekend naar een belastbare som van fl. 64.614 (€ 29.321),

– vernietigt de besluiten van de Inspecteur geen kwijtschelding te verlenen,

– verleent voor de navorderingsaanslagen VB over de jaren 1991 tot en met 1997 een kwijtschelding van 29% van de verhoging, zodat een bedrag resteert van fl. 1.728 (€ 784) voor het jaar 1991, fl. 1.698 (€ 771) voor het jaar 1992, fl. 1.590 (€ 722) voor het jaar 1993, fl. 1.436 (€ 652) voor het jaar 1994, fl. 1.237 (€ 561) voor het jaar 1995, fl. 1.151 (€ 522) voor het jaar 1996 en fl. 1.066 (€ 484) voor het jaar 1997,

– vermindert de boete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag VB over het jaar 1998 tot een bedrag van fl. 494 (€ 224),

– vermindert de boete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag VB over het jaar 1999 tot een bedrag van fl. 409 (€ 186),

– vermindert de boete die is opgelegd bij de aanslag VB over het jaar 2000 tot een bedrag van fl. 319 (€ 145),

– vermindert de heffingsrentebeschikkingen dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.690,50 en

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 111 (€ 37 in elke zaak) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 27 maart 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 maart 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.