Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0021

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
200.044.375-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of tweede, voorwaardelijke, ontslag op staande voet mogelijk is. In dit geval heeft werkgeefster ten onrechte het middel van ontslag op staande voet gehanteerd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 625
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2012/90
JAR 2012/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 27 maart 2012

Zaaknummer 200.044.375/01

(zaaknummer rechtbank: 260754/ CV EXPL 08-7381)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. O.A. van Oorschot, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

Nord Notarissen B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Nord,

advocaat: mr. P.H. Redeker, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 2 juni 2009 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 14 augustus 2009 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Nord tegen de zitting van 6 oktober 2009.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties zijn gevoegd, luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde te veroordelen om over te gaan tot betaling van het salaris van € 3.146,38 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, voor iedere maand vanaf 1 april 2008 dat de arbeidsovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd;

2. gedaagde te veroordelen tot betaling van de wettelijke vertragingsrente over het verschuldigde bedrag vanaf 1 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. gedaagde te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te weten maximaal 50% van de onder punt 1 en 2 bedoelde bedragen;

4. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen een bedrag aan salaris voor gemachtigde van appellant en de buitengerechtelijke incassokosten."

Bij memorie van antwoord, vergezeld van producties, is door Nord verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis (...) te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van de gronden, met veroordeling van appellant in de kosten van deze procedure."

Voorts heeft [appellant] een akte genomen waarna Nord een antwoordakte heeft genomen.

Ten slotte heeft Nord de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. Daarin ontbreekt pagina 4 van productie 1 bij conclusie van antwoord.

De grieven

[appellant] heeft vier als zodanig genummerde grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Tegen de door de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.3 vastgestelde feiten is niet gegriefd. Samen met wat in hoger beroep tussen partijen als vaststaand heeft te gelden, komen deze feiten op het volgende neer.

1.1 [appellant] is in 1973 als notarisklerk in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) Nord, en bekleedde laatstelijk de functie van boekhouder tegen een salaris van € 3.146,38 bruto per maand.

1.2 Nord is een in 2006 gestart samenwerkingsverband van verschillende notarissen die op een aantal vestigingen in Friesland en Overijssel kantoor houden. Enig aandeelhouder van Nord is Nord Notarissen & Advocaten Holding b.v. (hierna: de holding), waarin onder anderen de samenwerkende notarissen, onder wie [notaris 1] en [notaris 2], en de advocaten [advocaat 1] en [advocaat 2] via hun persoonlijke holdingvennootschappen participeren.

1.3 [appellant] was werkzaam in de vestiging Leeuwarden in een pand aan de Druifstreek, waarin laatstelijk de notarissen [notaris 1] en [notaris 2] kantoor hielden.

In oktober 2006 is de als productie 2 nr. 4 bij conclusie van antwoord overgelegde instructie verspreid en per e-mail toegelicht.

1.4 De samenwerking tussen de notarissen binnen Nord is niet goed verlopen. Een paar notarissen hebben een ontbindingsverklaring uitgebracht. Bij brief, aan [appellant] toegezonden op 29 januari 2008, maar blijkens het begeleidend schrijven daags ervoor binnen de notariskantoren verspreid, is door de notarissen [notaris 2], Brouns en [notaris 1] aan het personeel van Nord in Leeuwarden meegedeeld dat Nord uiteengevallen is, dat de samenwerking per 31 december 2007 is beëindigd en dat is overeengekomen dat notaris [notaris 1] zelfstandig verder gaat met bepaalde personeelsleden, onder wie [appellant]. Het overige personeel werd ondergebracht bij respectievelijk Brouns of [notaris 2], die inmiddels de naam Nord alsmede het pand aan de Druifstreek hadden verworven en een nieuw samenwerkingsverband waren aangegaan. Notariskantoor [notaris 1] zou voorlopig nog vanuit het pand aan de Druifstreek opereren waarbij bepaalde kosten zouden worden gedeeld. Aan het personeel werd voorts gemeld dat externe publiciteit zou worden gemeden totdat de fysieke scheiding zou zijn afgerond.

1.5 [appellant] heeft zich op 22 januari 2008 ziek gemeld vanwege spanningen op kantoor. Ook notaris [notaris 1] is ziek geworden; hij werd op 28 januari 2008 wegens spanningsklachten in een ziekenhuis opgenomen en is tot juli 2008 onder behandeling gebleven.

1.6 De echtgenote van notaris [notaris 1] is op 28 januari 2008 door een van de personeelsleden gebeld met de mededeling dat notaris [notaris 2] het salaris over die maand alleen had betaald aan zijn eigen personeel, en uitbetaling weigerde aan [notaris 1] en diens personeel. Na overleg met de advocaat van haar man heeft

[echtgenote van notaris 1] [appellant] gebeld en zij heeft hem namens haar man gevraagd de salarissen van de medewerkers over te maken, zo staat in haar bij dagvaarding in eerste aanleg gevoegde brief van 14 mei 2008.

1.7 Die avond is [appellant] na kantoortijd het pand aan de Druifstreek binnengegaan. Hij heeft geconstateerd dat op de kantoorrekening onvoldoende saldo stond voor de uitbetaling van de salarissen, waarna hij eerst € 20.000,- van de kwaliteitsrekening heeft overgeboekt naar de kantoorrekening en vervolgens de betaalopdrachten voor de salarissen heeft verstrekt.

1.8 Bij brief van 1 februari 2008, ondertekend door [notaris 2] namens Nord, is [appellant] op staande voet ontslagen wegens het herhaaldelijk niet voldoen aan betalingsopdrachten van [notaris 2] in de eerste helft van januari 2008, het tegenwerken van de nieuwe huisaccountant, het in de stad lopen na ziekmelding, het niet afgeven van gevraagde codes en het 's avonds op 28 januari 2008 aanwezig zijn in het pand.

1.9 Namens [appellant] is bij brief van 7 februari 2008 een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van dit ontslag en onder meer uitgelegd dat [appellant] op

28 januari 2008 's avonds werkzaamheden heeft verricht in het kader van enkele beschermingsbewinden. [appellant] heeft zich beschikbaar gesteld voor zijn werk na herstel en doorbetaling van loon gevraagd.

1.10 Met een brief van 21 februari 2008, door [notaris 2] namens Nord ondertekend,

is aan [appellant] voorwaardelijk ontslag op staande voet verleend:

"Bij het door derden op orde brengen van de boekhouding van NORD is gisteren gebleken dat u hebt verzwegen dat u tijdens uw aanwezigheid op de avond van 28 januari 2008 23 betalingen hebt verricht ten laste van NORD rekeningen (…).

U bent niet gerechtigd zonder autorisatie betalingen te doen en u bent niet gerechtigd tot de notariële kwaliteitsrekening. Van die laatste rekening hebt u een bedrag van € 20.000,00 naar een betaalrekening van NORD geboekt.

Met de boeking van de kwaliteitsrekening, opzichzelfstaand omdat u daartoe niet geautoriseerd was, alsook specifiek omdat u niet kon inzien of ten aanzien van de kwaliteitsrekening na uw boeking nog wel sprake was van een positieve bewaringspositie, hebt u, ook gegeven de u bekende regelgeving en (ook (schriftelijke) instructies terzake, NORD en de daaraan verbonden notarissen aan ernstig gevaar blootgesteld. U was hiervoor al vaker gewaarschuwd.

Met deze gedragingen (inbegrepen het niet naleven van de financiële procedures en regels terzake, mede gegeven uw functie) hebt u andermaal de belangen van NORD grovelijk geschaad en aan gevaar blootgesteld."

1.11 Bij brief van 6 maart 2008 is namens [appellant] de rechtsgeldigheid van dit ontslag betwist omdat een voorwaardelijk ontslag op staande voet juridisch niet kan en omdat er geen dringende reden is.

1.12 [appellant] heeft in kort geding doorbetaling van zijn loon c.a. gevorderd. Bij vonnis van 25 april 2008 zijn de redenen voor het eerste ontslag niet voldoende sterk geacht. De gronden voor het later voorwaardelijk verleende ontslag op staande voet zijn wel voldoende sterk geacht om voorshands te kunnen aannemen dat het ontslag van 21 februari 2008 zal standhouden. De loonvordering is daarom in kort geding slechts tot en met 20 februari 2008 toegewezen. Nord heeft aan die veroordeling voldaan.

1.13 Bij brief van 11 augustus 2008 heeft notaris [notaris 1] aan de gemachtigde van [appellant] geschreven dat zijn echtgenote op 28 januari 2008 als zijn zaakwaarnemer opdracht aan [appellant] heeft gegeven tot het verrichten van de salarisbetalingen. Onder verwijzing naar een bijgevoegde brief van de Rabobank meent [notaris 1] dat [notaris 2] niet bevoegd was betalingen te doen van de kantoorrekening. In het verlengde van de tekeningsbevoegdheid van [notaris 1] met betrekking tot de kantoor- en kwaliteitsrekening heeft [appellant] terecht gehandeld met betrekking tot die salarisbetalingen.

"Alhoewel dit niet aan mij is te beoordelen, lijkt mij het hiermee verband houdende ontslag op staande voet van de heer [appellant] buiten alle proporties", aldus [notaris 1], die voorts schrijft: "Tot op heden is er nog steeds sprake van een ongedeelde praktijk, waarin in verband met mijn ziekte een waarnemer voor mij optreedt."

1.14 Inmiddels verkeert Nord in liquidatie.

De vordering en de beoordeling daarvan in eerste aanleg

2. In de bodemprocedure heeft [appellant], na wijziging van eis bij repliek, doorbetaling gevorderd van zijn salaris vanaf 1 februari 2008, met vakantietoeslag, wettelijke rente, wettelijke verhoging, incassokosten en veroordeling van Nord in de proceskosten.

3. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat aan de orde is of het op 21 februari 2008 gegeven voorwaardelijk ontslag rechtsgeldig is, die vraag bevestigend beantwoord en de vordering van [appellant] afgewezen.

Bezwaar tegen akte

4. Nord heeft bij antwoordakte primair gevraagd de door [appellant] genomen akte buiten beschouwing te laten omdat de inhoud meer bevat dan een korte mededeling, zoals een enkele erkenning, een bewijsaanbod, de aankondiging van een productie of een reactie daarop. Het hof zal de akte niettemin bij de beoordeling meenemen, nu deze geen verstoring van de procesorde of een onredelijke vertraging van het geding oplevert. Gelet op de verdere inhoud van haar antwoordakte heeft Nord subsidiair ruimschoots de gelegenheid genomen om op de akte van [appellant] te reageren.

Omvang van het appel

5. Nu niet is gegriefd tegen de overweging van de kantonrechter dat het in deze procedure alleen gaat om het tweede, voorwaardelijk gegeven, ontslag op staande voet van 21 februari 2008, dient ook het hof daarvan uit te gaan. Nord heeft haar aanvankelijke standpunt dat [appellant] reeds drie weken eerder was ontslagen kennelijk laten varen, nu zij -ten eerste- geen incidenteel appel heeft ingesteld teneinde bevrijd te worden van de loondoorbetalingsplicht tot 21 februari 2008 en -ten tweede- bekrachtiging vraagt van het beroepen vonnis.

Beoordeling van de grieven

6. Met grief I komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het voorwaardelijk ontslag op staande voet op nieuwe gronden, na het eerdere ontslag bij brief van 1 februari 2008, in dit geval wel mogelijk is, nu Nord ten tijde van het eerste ontslag de nieuwe feiten niet kende.

7. Het hof deelt echter het oordeel van de kantonrechter op dit punt, nu de aan [appellant] verweten gedragingen, met name het zonder autorisatie overboeken van gelden van de kwaliteitsrekening naar de kantoorrekening, andere verwijten zijn dan hetgeen door Nord ten grondslag is gelegd aan het eerste ontslag, en deze nieuwe feiten eerst aan Nord bekend zijn geworden na het eerste ontslag op staande voet. Nord heeft daarna onverwijld, maar nu voorwaardelijk, opgezegd. De grief faalt.

8. De grieven II tot en met IV richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het op 21 februari 2008 gegeven ontslag stand houdt zodat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen, en tegen de daaraan ten grondslag liggende motivering.

De bezwaren van [appellant] daartegen zijn dat:

a. geen aandacht is besteed aan zijn stelling dat [notaris 2] niet bevoegd was het

ontslag te geven;

b. de kantonrechter over het hoofd heeft gezien dat het saldo van de

kwaliteitsrekening normaal gesproken hoger is dan de bewaarpositie omdat

daarop ook aan derden, zoals het kadaster, te betalen kosten en het honorarium

voor het notariskantoor worden geboekt, en dat het gebruikelijk is dat het

surplus wordt aangesproken om aan kantoorverplichtingen te voldoen;

c. hij, [appellant], altijd zelfstandig voor de betalingen zorgde, waaronder de

salarisbetalingen, en dat aan hem werd overgelaten om te bepalen of de

bewaarpositie zodanig was dat een bepaald bedrag kon worden overgeboekt

van de kwaliteitsrekening naar de kantoorrekening, van welke stelling hij

uitdrukkelijk bewijs aanbiedt;

d. hij, [appellant], ook op 28 januari 2008 heeft onderzocht of er een surplus was en

voor zover zou blijken dat dit surplus niet de overboeking rechtvaardigde, komt

dit door de chaos bij Nord die hem niet te verwijten is;

e. de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder de conflictueuze

verhoudingen, het conflict van belangen waarin [appellant] verkeerde, zijn lange

staat van dienst en de gevolgen van het ontslag, onvoldoende zijn meegewogen.

Het hof zal deze bezwaren hierna bespreken, waarbij het gestelde onder b, c en d samen wordt genomen bij de bespreking van de grond voor ontslag.

9. Ad a: de bevoegdheid tot ontslagverlening

[appellant] heeft in eerste aanleg verwezen naar de onder 1.4 aangehaalde brief en de vraag opgeworpen of notaris [notaris 2] hem wel zonder toestemming van notaris [notaris 1] mocht ontslaan.

10. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, heeft [appellant] geen belang bij bespreking van dit onderdeel van de grieven.

Dat [appellant] vraagtekens zet bij de bevoegdheid in het licht van de zeggenschap die notaris [notaris 1] over hem kreeg met de onder 1.4 aangehaalde brief, acht het hof begrijpelijk. Uit de onder 1.13 aangehaalde brief van [notaris 1] volgt dat [notaris 1] het ontslag niet steunde. Het hof vindt het wel van belang hier op te merken dat in laatstgenoemde brief echter niet staat, zoals ook de kantonrechter in het bestreden vonnis terecht heeft overwogen, dat [appellant] volgens notaris [notaris 1] op de bewuste avond gerechtigd was geld van de kwaliteitsrekening naar de kantoorrekening te boeken.

11. Ad b, c en d: de grond voor ontslag

Het hof stelt voorop dat de bewijslast van de dringende reden voor ontslag op Nord rust.

Voor zover Nord aan [appellant] het verwijt maakt dat hij ongeautoriseerd betalingen heeft gedaan, wordt dat verwijt gepareerd met een beroep op de opdracht die [appellant] van [notaris 1] kreeg via zaakwaarneming door diens echtgenote, welke zaakwaarneming blijkens de onder 1.13 aangehaalde brief door [notaris 1] is goedgekeurd. Nord heeft niet gesteld dat [notaris 1] onbevoegd was tot het geven van de opdracht salarisbetalingen te verrichten en dat [appellant] dit wist of moest weten. Dit onderdeel van het verwijt is daarom niet terecht.

Daarmee staat evenwel niet vast dat de wijze waarop [appellant] de opdracht heeft uitgevoerd, met name door daarvoor geld van de kwaliteitsrekening te halen, juist is. [notaris 1] en zijn echtgenote hebben zich daarover niet uitgelaten.

12. Nord heeft verwezen naar artikel 4 van de arbeidsovereenkomst met [appellant] waarin staat dat partijen zich jegens elkaar hebben te houden aan de bepalingen van de Notariswet en op grond daarvan vastgestelde regelgeving, en aan richtlijnen van de KNB. Voorts heeft zij gewezen op de door haar gegeven instructie omtrent betalingsverkeer en financiële administratie en de waarschuwing dat inbreuken daarop tot sancties leiden, waaronder de mogelijkheid van ontslag.

Het hof constateert dat in deze instructie onder punt 2 staat, zoals Nord aanvoert, dat de kwaliteitsrekening wordt beschouwd als heilig en dat het ten enenmale verboden is daarvan andere betalingen te verrichten dan aan cliënten. Maar daarboven staat ook, dat gelden die als één bedrag binnenkomen maar waarin ook bedragen begrepen zijn voor honoraria, kadasterkosten e.d., na passeren en fiattering van de nota en met uitzondering van de overdrachtsbelasting worden overgeboekt naar de kantoorrekening, welke overboeking eens per week plaatsvindt. In zoverre spoort dat met de stelling van [appellant] zoals weergegeven onder overweging 8 sub b.

Nord heeft echter ook gewezen op punt 6 van deze instructie, waarin staat dat de bevoegdheid tot overboeking van de kwaliteitsrekening uitsluitend toekomt aan

-wat betreft de vestiging Leeuwarden- de 3 Leeuwarder notarissen. [appellant] wenst met zijn uitdrukkelijke bewijsaanbod aan te tonen dat zulks in de praktijk anders was. In beginsel draagt [appellant] naar het oordeel van het hof de bewijslast van dit "ja maar-verweer".

Het hof zou dit bewijsaanbod kunnen passeren indien vast zou staan dat Nord, zoals zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, [appellant] ook al eind 2006 en medio 2007 heeft aangesproken op onbevoegde overboekingen ten laste van de kwaliteitsrekening. [appellant] heeft zulks evenwel betwist: bij de overboeking in 2007 was hij niet betrokken en hij heeft nimmer klachten ontvangen over zijn functioneren. Nord heeft vervolgens in eerste aanleg volstaan met het aanbod te bewijzen dat een medewerker van het BFT [appellant] in het verleden zou hebben aangesproken op de gebrekkige administratieve staat bij (de rechtsvoorganger van) Nord. Dat bewijsaanbod sluit evenwel niet aan bij de te bewijzen incidenten uit 2006 en 2007. Ook in hoger beroep heeft Nord geen concreet daarop gericht bewijsaanbod gedaan.

13. Indien het hof er, veronderstellenderwijs, van uit zou gaan dat [appellant] niet zou slagen in het door hem aangeboden bewijs, dan rijst de vraag of daarmee gegeven is dat er sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet, ongeacht de vraag of als gevolg van het handelen van [appellant] sprake is geweest van een negatieve bewaringspositie. Dat de bewaringspositie negatief was of werd, is immers niet door Nord als reden ten grondslag gelegd aan het gegeven ontslag.

Naar het oordeel van het hof noemt Nord het onbevoegd afboeken van gelden van de kwaliteitsrekening terecht een doodzonde, gelet op het in het notariaat te stellen vertrouwen. Daarbij neemt Nord het [appellant] kwalijk dat hij hierover gezwegen heeft in zijn onder 1.9 aangehaalde reactie. Voor de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet dienen evenwel alle omstandigheden van het geval te worden afgewogen. Daarbij mag niet alleen worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zal hebben (HR 12 februari 1999, LJN: ZC2849). Het hof zal hierna deze omstandigheden bespreken.

14. ad e: omstandigheden van het geval

De aard en ernst van het verweten gedrag dient naar het oordeel van het hof te worden gerelateerd aan de aanleiding, te weten:

(i) het door notaris [notaris 2] wel uitbetalen van het salaris aan 'zijn' personeel en diens weigering dat te doen voor 'het personeel van [notaris 1]', zoals blijkt uit de onder 1.6 aangehaalde brief, waarvan de juistheid niet door Nord is betwist;

(ii) de feitelijke onmogelijkheid voor [notaris 1] om zelf voor betaling zorg te dragen en het namens hem door zijn echtgenote gedane verzoek aan [appellant] om dat te doen.

Door Nord is aangevoerd dat [appellant] ook anders had kunnen handelen, te weten door zijn werkgever te verzoeken tot handelen over te gaan, dan wel een gerechtelijke actie in gang te zetten. Deze rationele afweging heeft [appellant] echter niet gemaakt. De vraag is of dit van hem verlangd kon worden nadat hij zich had ziek gemeld vanwege spanningen op kantoor. Gesteld noch gebleken is dat Nord zich er, voorafgaand aan het geven van het voorwaardelijk ontslag, van heeft vergewist in welke toestand [appellant] verkeerde. Zij heeft [appellant] ook niet gehoord alvorens het ontslag te verlenen. Dat sprake was van een conflictueuze situatie binnen het kantoor is door Nord niet ontkend. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] niettemin een verkeerde keuze gemaakt door de opdracht van [notaris 1] uit te voeren op een wijze die -nogmaals: uitgaande van de vooralsnog hypothetische situatie dat [appellant] niet zou slagen in het door hem aangeboden bewijs dat hij heeft gehandeld overeenkomstig zijn feitelijke bevoegdheden- niet strookt met zijn taak als boekhouder bij een notariskantoor.

Voor de vraag of dit ontslag op staande voet rechtvaardigt, dient het hof rekening te houden met het feit dat [appellant] ten tijde van dit ontslag ruim 55 jaar oud was en 35 jaar bij (de rechtsvoorgangers van) Nord had gewerkt. Niet gebleken is dat er vóór februari 2008 kritiek van betekenis is geweest over de wijze waarop hij zijn taak vervulde. Als gevolg van dit ontslag heeft [appellant], zoals hij onweersproken heeft gesteld, geen uitkering ontvangen.

Een en ander afwegend is het hof van oordeel dat Nord ten onrechte het middel van ontslag op staande voet heeft gehanteerd.

15. Gelet op het voorgaande heeft het hof geen behoefte aan het door [appellant] aangeboden bewijs (zie hiervoor onder overweging 12).

16. Het voorgaande brengt voorts mee dat de loonvordering van [appellant] toewijsbaar is, zoals in hoger beroep gevorderd: per 1 april 2008. De gevorderde vertragingsrente is toewijsbaar vanaf de verschillende data waarop Nord met de periodieke betalingen in verzuim is geraakt.

Wettelijke verhoging is, anders dan gevorderd, niet toewijsbaar over de wettelijke rente die is gekweekt over achterstallige loontermijnen. De wettelijke verhoging is voorts niet toewijsbaar over ten tijde van het uitspreken van dit arrest nog toekomstige loontermijnen.

Het hof ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging, voor zover wel toewijsbaar, aanzienlijk te matigen en wel tot 10%. Daarbij heeft een belangrijke rol gespeeld dat het uitblijven van tijdige loonbetaling niet zozeer berust op onwil van Nord maar op haar onjuiste taxatie van de geldigheid van het ontslag op staande voet.

De slotsom

17. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. De loonvordering vanaf

1 april 2008 wordt toegewezen, met wettelijke rente en 10% wettelijke verhoging.

Nord zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties (geliquideerd salaris advocaat: 1½ punt, tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

1. veroordeelt Nord tot betaling van het salaris van € 3.146,38 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, voor iedere maand vanaf

1 april 2008 dat de arbeidsovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd;

2. veroordeelt Nord tot betaling van de wettelijke vertragingsrente over de onder 1. bedoelde bedragen vanaf de data waarop Nord met betaling in verzuim is geraakt tot aan de dag der algehele voldoening;

3. veroordeelt Nord tot betaling van 10% wettelijke verhoging over de onder 1 bedoelde bedragen, voor zover Nord met betaling in verzuim is op de datum waarop dit arrest wordt uitgesproken;

4. veroordeelt Nord in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg op € 192,44 aan verschotten en € 800,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep op € 334,25 aan verschotten en € 1.341,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

5. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, M.E.L. Fikkers en

R.A. Zuidema en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 27 maart 2012 in bijzijn van de griffier.