Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV9346

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
24-000984-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:67, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dodelijke overval Haulerwijk. Verdachte wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van 18 jaar voor doodslag op een man in Haulerwijk, twee inbraken en een poging tot afpersing. Een deel van verdachtes verklaringen wordt uitgesloten van het bewijs omdat verdachte geen raadsman heeft kunnen raadplegen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 288, geldigheid: 2012-03-20
Wetboek van Strafrecht 311, geldigheid: 2012-03-20
Wetboek van Strafrecht 317, geldigheid: 2012-03-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000984-08

Uitspraak d.d.: 20 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 3 april 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

thans verblijvende in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 september 2008, 15 december 2008, 12 maart 2009, 9 juni 2009, 26 augustus 2009, 19 november 2009, 14 december 2009, 8 februari 2010, 1 maart 2010, 19 mei 2010, 5 augustus 2010, 19 oktober 2010, 10 januari 2011, 13 januari 2011, 4 april 2011, 29 juni 2011, 30 juni 2011, 21 september 2011, 14 december 2011, 15 februari 2012, 16 februari 2012 en 6 maart 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

- vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde;

- veroordeling ter zake het onder 1 primair, 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 18 jaren, met aftrek van het voorarrest;

- terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 7.000,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel subsidiair 70 dagen hechtenis;

- toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (€ 303,--), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel subsidiair 6 dagen hechtenis;

- toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] dan wel [benadeelde 4] ( € 8.507,--), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel subsidiair 77 dagen hechtenis;

- onttrekking aan het verkeer van de op de lijst van in beslag genomen zaken genoemde voorwerpen onder de nummers 1, 6 tot en met 13, 16, 17, 42 tot en met 44;

- teruggave aan verdachte van de op de lijst van in beslag genomen zaken genoemde voorwerpen onder de nummers 14, 15 en 33 tot en met 41.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman en raadsvrouw, mr. A.S. van der Biezen en mr. A.W.T. Klappe, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaatsnaam], (althans) in de gemeente [gemeentenaam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens rug gestoken (ongeveer 14 centimeter diep) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het in of omstreeks de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaatsnaam], (althans) in de gemeente [gemeentenaam] (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd [om circa 01:00 uur 's-nachts, althans ergens (vlak) na middernacht] in een woning [gelegen op/aan de [straatnaam] aldaar]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van (onder meer) een geldkistje (met inhoud) en/of een portefeuille (met inhoud) en/of (een) GSM(s) en/of een rijbewijs en/of een fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen met die mededader(s), althans alleen, (onder meer)

- die [slachtoffer 1] stevig heeft/hebben vastgepakt en/of in bedwang gehouden en/of

- die [slachtoffer 1] aan de enkels en/of polsen heeft/hebben gekneveld en/of

- die [slachtoffer 1] tape op/over de mond heeft/hebben geplakt/gedaan en/of

- die [slachtoffer 1] (een) mes(sen) en/of een vuurwapen heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of

- met een vuurwapen een patroon heeft/hebben afgeschoten naast, althans in de onmiddellijke nabijheid van, die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) heeft/hebben geslagen en/of gestompt (onder meer met het hoofd op/tegen de bedrand)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht)

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

A)

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaatsnaam], (althans) in de gemeente [gemeentenaam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens rug gestoken (ongeveer 14 centimeter diep) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(artikel 287 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht)

B)

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaatsnaam], (althans) in de gemeente [gemeentenaam] (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd [om circa 01:00 uur 's-nachts, althans ergens (vlak) na middernacht] in een woning [gelegen op/aan de [straatnaam] aldaar]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (onder meer) een geldkistje (met inhoud) en/of een portefeuille (met inhoud) en/of (een) GSM(s) en/of een rijbewijs en/of een fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen met die mededader(s), althans alleen, (onder meer)

- die [slachtoffer 1] stevig heeft/hebben vastgepakt en/of in bedwang gehouden en/of

- die [slachtoffer 1] aan de enkels en/of polsen heeft/hebben gekneveld en/of

- die [slachtoffer 1] tape op/over de mond heeft/hebben geplakt/gedaan en/of

- die [slachtoffer 1] (een) mes(sen) en/of een vuurwapen heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of

- met een vuurwapen een patroon heeft/hebben afgeschoten naast, althans in de onmiddellijke nabijheid van, die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) heeft/hebben geslagen en/of gestompt (onder meer met het hoofd op/tegen de bedrand) en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug heeft/hebben gestoken (ongeveer 14 centimeter diep),

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] werd gedood;

(artikel 312 lid 1 en lid 2 ahf sub 1, 2 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 28 april 2006, te [plaatsnaam], (althans) in de gemeente [gemeentenaam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aldaar aan de [straatnaam] gelegen woning heeft weggenomen ondermeer een hoeveelheid geld ([ongeveer] 15.000 Euro) en/of een (aantal) laptop(s) en/of digitale camera(s) en/of een rugzak en/of een Ipod en/of een filmcamera en/of een cd-speler en/of een dvd-speler en/of (een) horloge(s) en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

(artikel 311 lid 1 sub 4 en/of 5 juncto artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 12 juli 2006, te [plaatsnaam], (althans) in de gemeente [gemeentenaam], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aldaar aan de [straatnaam] gelegen woning heeft weggenomen een DVD speler en/of concertkaarten en/of een decoder en/of een zonnebril en/of een fotocamera en/of een sleutelbos en/of een sporttas en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

(artikel 311 lid 1 sub 5 juncto artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 23 juli 2006, te [plaatsnaam], (althans) in de gemeente [gemeentenaam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zich naar de woning van die [benadeelde 2] heeft begeven en/of (vervolgens) die [benadeelde 2] onverhoeds heeft benaderd door ongevraagd en/of plotseling in de deuropening van het schuurtje te verschijnen (alwaar die [benadeelde 2] zich op dat moment [alleen] bevond) en/of die [benadeelde 2] mondeling enkele woorden heeft toegevoegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte (duidelijk zichtbaar voor die [benadeelde 2]) een pistool in zijn hand vast heeft gehouden en/of dat pistool op die [benadeelde 2] heeft gericht, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

(artikel 312 ahf sub 1 juncto artikel 43a en 45 van het Wetboek van Strafrecht)

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 23 juli 2006, te [plaatsnaam], (althans) in de gemeente [gemeentenaam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een persoon genaamd [benadeelde 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zich naar de woning van die [benadeelde 2] heeft begeven en/of (vervolgens) die [benadeelde 2] onverhoeds heeft benaderd door ongevraagd en/of plotseling in de deuropening van het schuurtje te verschijnen (alwaar die [benadeelde 2] zich op dat moment [alleen] bevond) en/of die [benadeelde 2] mondeling enkele woorden heeft toegevoegd,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, (duidelijk zichtbaar voor die [benadeelde 2]) een pistool in zijn hand vast heeft gehouden en/of dat pistool op die [benadeelde 2] heeft gericht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

(artikel 317 lid 1 juncto artikel 43a en 45 van het Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 23 juli 2006, te [plaatsnaam], (althans) in de gemeente [gemeentenaam], een persoon genaamd [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (op zeer korte afstand van die [benadeelde 2] en/of (aldus) duidelijk zichtbaar voor die [benadeelde 2]) een pistool in zijn hand vast gehouden en/of dat pistool op die [benadeelde 2] gericht,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

(artikel 285 juncto artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht)

5.

hij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2006 tot en met 17 augustus 2006 te [plaatsnaam], (althans) in de gemeente [gemeentenaam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aldaar aan de [straatnaam] gelegen woning, heeft weggenomen een (aantal) laptop(s) en/of een dvd-speler en/of een videocamera en/of een telefoon en/of een harde schijf en/of een tomtom navigator en/of een MP3 speler en/of een kluis (met inhoud) en/of een horloge en/of sieraden en/of bankpassen en/of kentekenbewijzen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

(artikel 311 lid 1 sub 4 en/of 5 juncto artikel 43a Wetboek van Strafrecht)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Beslissing ten aanzien van de niet verschenen getuige [getuige 1]

Op 18 september 2008 heeft het hof beslist dat de getuige [getuige 1], ook wel bekend onder de naam [naam], gehoord zou worden door de rechter-commissaris. Er is nadien uitgebreid gezocht naar getuige [getuige 1]. Onder meer zijn alle beschikbare (politie)systemen (HKS, NSIS, RDW, Blue View, CRB, VIP, CJIB, BVO, BVH, VROS) zijn herhaaldelijk geraadpleegd in deze zoektocht en [getuige 1] staat internationaal gesignaleerd met het verzoek tot bekendmaking verblijfplaats. Aan het strafdossier zijn processen-verbaal van bevindingen toegevoegd, waaruit deze verrichtingen blijken. Tot op heden is deze getuige niet gevonden. Daarnaar gevraagd heeft de raadsman op de zitting van 15 februari 2012 als zijn standpunt naar voren gebracht dat hij zich ten aanzien van het horen van deze getuige refereert aan het oordeel van het hof.

Het hof is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen en ziet af van hernieuwde oproeping van de niet verschenen getuige [getuige 1].

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie / bewijsuitsluiting

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is van de zijde van de verdediging betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging. Zij heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

Allereerst vertoont het forensische onderzoek op de Plaats Delict gebreken: verscheidene cruciale sporen zijn in het geheel niet veilig gesteld of niet op de juiste wijze onderzocht.

Daarnaast is sprake van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nu verdachte zijn raadsman niet heeft kunnen consulteren voorafgaande aan zijn eerste drie verhoren. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de eerste drie verklaringen van verdachte van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de verdediging bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging omdat de verbaliseringsplicht ex artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering is geschonden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging van een verdachte komt - als het in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg van een onherstelbaar vormverzuim dat bij het voorbereidend onderzoek is begaan - slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376). In uitzonderlijke situaties is niet ontvankelijkheid als rechtsgevolg op overheidsoptreden ook mogelijk wanneer het gaat om handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk stelsel in de kern wordt geraakt (HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567 en HR 3 juli 2001, NJ 2002, 8).

Het technisch onderzoek

Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van onzorgvuldig technisch onderzoek. Het is inherent aan elk sporenonderzoek op de plaats van een delict dat er een selectie moet worden gemaakt van hetgeen onderzocht moet worden. Naar het oordeel van het hof zijn er geen onbegrijpelijke en/of onverdedigbare keuzes gemaakt bij het forensisch onderzoek. Van doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte of van een tot niet ontvankelijkheid leidende uitzonderlijke situatie blijkt niets. Het verweer wordt verworpen.

Het consultatierecht met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad moet het volgende worden vooropgesteld:

'De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.

Het vorenoverwogene brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken' (HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009, 349 en HR 21 december 2010, LJN BO3408).In zijn arrest van 7 februari 2012, LJN BU6908, heeft de Hoge Raad beslist dat -kortweg- het Salduzregime niet geldt voor de verdachte die ten tijde van de ondervraging niet van zijn vrijheid is beroofd.

Feitelijk heeft zich het volgende voorgedaan.

1) Op 6 november 2006 omstreeks 19.10 uur meldt verdachte zich eigener beweging bij de politie in [plaatsnaam] met informatie over het onder 1 tenlaste gelegde feit. Hij doet dan spontaan uitlatingen over deze zaak (dossierpagina 455).

2) Vervolgens wordt de verdachte om 19.15 uur aangehouden in verband met een openstaande boete.

3) Aansluitend wordt de verdachte gehoord over het feit waarvoor hij zich bij de politie meldde. De verdachte verklaart dan betrokken te zijn bij de moord op [slachtoffer 1], waarop hem door de verbalisant de cautie wordt gegeven.

4) Om ongeveer 23.55 uur diezelfde avond wordt de verdachte, die dan naar het hof begrijpt terzake de openstaande geldboete nog steeds van zijn vrijheid is beroofd, door leden van het team dat onderzoek doet in de zaak [slachtoffer 1] als getuige gehoord. Als de verdachte dan verklaart medeverantwoordelijk te zijn voor de dood van [slachtoffer 1], wordt besloten "de getuige als verdachte aan te houden" (dossierpagina 1231), waarna hem kennelijk de cautie wordt gegeven.

5) Op 7 november 2006 vindt om 00.30 uur (dossierpagina 218) en om 14.20 uur (dossierpagina 1233) verder verhoor plaats.

6) Op 7 november 2006 van 15.00 tot 17.00 uur heeft de verdachte bezoek gehad van een advocaat (dossierpagina 1238).

7) In de daaropvolgende verhoren wordt de verdachte telkens gewezen op zijn zwijgrecht.

Het hof merkt op dat de verdachte door de eerste politieambtenaar de cautie wordt gegeven nadat hij -verdachte- te kennen heeft gegeven betrokken te zijn geweest bij de dood van [slachtoffer 1]. Naar het oordeel van het hof moet hij vanaf dat moment -niet onbegrijpelijk- als 'verdachte' in deze zaak worden aangemerkt. Er is niet gebleken van nadien opgekomen feiten of omstandigheden waaruit een reductie van het redelijk vermoeden van schuld kan worden afgeleid. Dit brengt mee dat [verdachte] die avond om 23.55 uur ten onrechte nog de status van getuige is toegedicht. Hij was immers al verdachte.

In het licht van de thans geldende Salduz-jurisprudentie moeten de verklaringen van de aangehouden verdachte, afgelegd voordat een raadsman kon worden geconsulteerd, van het bewijs worden uitgesloten. Dit lot treft alle verklaringen van de verdachte afgelegd voorafgaand aan het verhoor van 7 november 2006 aanvangend 17.05 uur, behoudens (in elk geval) hetgeen de verdachte spontaan en in vrijheid heeft verklaard na binnenkomst op het bureau op 6 november 2006 (dossierpagina 455).

Het hof ziet zich genoodzaakt stil te staan bij de vraag of verdachtes verklaring dat hij "betrokken" is geweest bij de moord op [slachtoffer 1] ook van het bewijs moet worden uitgesloten (dossierpagina 456, eerste verklaring), aangezien hij op dat moment immers van zijn vrijheid was beroofd. Die vraag moet naar het oordeel van het hof ontkennend worden beantwoord. Weliswaar was [verdachte] op dat moment van zijn vrijheid beroofd, maar (nog) niet wegens de verdenking van betrokkenheid bij het feit waarover hij nader werd ondervraagd. Uit het dossier valt ook niet op te maken dat er op dat moment reeds feiten en omstandigheden waren waaruit een redelijk vermoedelijk van schuld in dat verband viel op te maken. Met andere woorden, hij was (nog) geen verdachte ter zake van het feit waaromtrent hij werd gehoord. Er bestond op moment dan ook geen verplichting (en feitelijk ook geen aanleiding) om de verdachte op zijn consultatierecht te wijzen. De verklaring kan in zoverre als spontaan en vrijwillig afgelegd bijdragen aan het bewijs.

Voor de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is naar het oordeel van het hof geen ruimte nu niet is komen vast te staan dat door de handelwijze van de verhorende verbalisanten doelbewust of met grote veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Ook kan niet worden gesproken van een uitzonderlijke situatie in de hierboven genoemde zin.

De verbaliseringsplicht met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde

Op grond van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering zijn opsporingsambtenaren gehouden ten spoedigste proces-verbaal op te maken van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet het volgende worden vooropgesteld:

Redelijke uitleg van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering brengt in het licht van de aan een eerlijk proces te stellen eisen het volgende mee. Het staat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren slechts dan vrij het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun, aan toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.

Ingeval het opmaken van een proces-verbaal achterwege blijft, zal evenwel dienen te worden voorzien in een zodanige verslaglegging van de desbetreffende verrichtingen en bevindingen, dat doeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek van de rechter in het eindonderzoek tot nadere verantwoording omtrent dat gedeelte van het opsporingsonderzoek (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249, HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169, LJN: BL5629).

Van de bevindingen met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde is niet steeds ten spoedigste proces-verbaal opgemaakt. Immers van de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met betrekking tot het aanwijzen van een persoon in de [naam] supermarkt en op de foto in een krant door getuige mevr. [benadeelde 2] als zijnde de persoon die gepoogd had haar broer te overvallen, is pas proces-verbaal opgemaakt nadat zij daarover zijn gehoord bij de rechter-commissaris.

Het hof is van oordeel dat de verbaliseringplicht ex artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering is geschonden. Echter het vormverzuim is voldoende gecompenseerd door het alsnog opmaken van een proces-verbaal van bevindingen. Immers kan nu wel door het hof kennis worden genomen van de bevindingen en verrichtingen van het betreffende gedeelte van het opsporingsonderzoek.

Conclusie

Het hof is van oordeel dat de ernst van de geconstateerde tekortkomingen in het vooronderzoek niet - ieder voor zich noch in combinatie bezien - dusdanig is dat naar geldend recht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou zijn in de vervolging.

Vrijspraak van het onder 4 primair en 5 ten laste gelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 primair en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het onder 1 ten laste gelegde

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feitelijke gang van zaken vast.

[slachtoffer 1] wordt op woensdag 11 oktober 2006 dood aangetroffen in zijn bed in zijn woning in [plaatsnaam]. Rondom hem ligt veel gestold bloed. Zijn benen zijn met tape en een zwarte tiewrap vastgebonden, om zijn rechterpols zit tape en een zwarte tiewrap en bij zijn kin/hals zit een stuk tape. Op de tape om de hals van [slachtoffer 1] zit een topje van een latex handschoen. Naast het slachtoffer ligt een alarmpistool en op de vloer een huls van een gaspatroon.

Bij autopsie blijkt [slachtoffer 1] om het leven te zijn gekomen door een steekverwonding in zijn rug waarbij onder andere het hart was getroffen.

Op 6 november 2006 om 16.00 uur meldt een man (wiens identiteit niet bekend is geworden) zich op het politiebureau [naam] in [plaatsnaam] met de mededeling dat hij iets wil vertellen over paarden en Friesland. Omdat hij moet wachten tot er personeel beschikbaar is op het politiebureau, loopt hij zonder verder iets te zeggen het politiebureau weer uit.

Diezelfde dag om 19.10 uur meldt verdachte [verdachte] zich op hetzelfde politiebureau met de mededeling dat er die middag een vriend van hem aan het bureau is geweest die heeft gezegd dat hij, [verdachte], iemand zou hebben doodgestoken. Volgens mededeling van verdachte op het politiebureau is een man, genaamd [slachtoffer 1] en die iets met paarden doet, in [plaatsnaam] vermoord. Hij, [verdachte], heeft zich vrijwillig gemeld bij het politiebureau en doet dit omdat hij zegt te zijn betrokken geweest bij de dood van de heer [slachtoffer 1]. Verdachte wordt aangehouden en verblijft sindsdien in voorarrest.

Op 4 december 2006 treft de politie medeverdachte [medeverdachte 3] aan op het laatst bekende verblijfadres van verdachte [verdachte]. [medeverdachte 3] wordt op 4 december 2006 als getuige gehoord. [medeverdachte 3] verklaart dat [verdachte] tot voor kort zijn huisgenoot is geweest. Aan [medeverdachte 3] wordt verzocht of hij DNA af wil staan ten behoeve van het onderzoek. [medeverdachte 3] verklaart daarover na te willen denken, maar blijkt achteraf diezelfde dag naar Frankrijk te zijn vertrokken, alwaar hij op 5 december 2006 door de Franse autoriteiten wordt aangehouden op verdenking van een drugsdelict en in hechtenis blijft. Een paar dagen later wordt de woning van [medeverdachte 3] doorzocht in verband met de overval in [plaatsnaam]. Na doorzoeking van de woning van [medeverdachte 3] en inbeslagname van zijn tandenborstel met DNA-materiaal, blijkt dat het op de tandenborstel van [medeverdachte 3] aangetroffen DNA-profiel gelijk is aan het in een topje van een latex handschoen in de tape op het slachtoffer [slachtoffer 1] aangetroffen DNA-profiel.

Uit het onderzoek van de opgevraagde historische telefoongegevens van [medeverdachte 3] blijkt dat een persoon gebruik makend van de telefoonaansluiting [telefoonnummer] een zeer geregeld contact van [medeverdachte 3] was en dat er wederzijds veelvuldig contact was rond de periode van de overval op [slachtoffer 1]. Eerder was - in het kader van een onderzoek naar pinpasfraude - de gsm van [medeverdachte 3] onderzocht. Daaruit bleek dat in het telefoonboek de telefoonaansluiting [telefoonnummer] was gekoppeld aan ene [getuige 1].

De historische telefoongegevens van deze telefoonaansluiting van [getuige 1] worden opgevraagd. Daaruit blijkt dat naast de veelvuldige contacten tussen [medeverdachte 3] en [getuige 1] er in dezelfde periode ook veelvuldig contact was tussen [getuige 1] en [getuige 2].

[getuige 2] wordt op 12 en 19 april 2007 gehoord door de politie. Hij verklaart, zakelijk weergegeven, dat:

- het gsm-nummer [telefoonnummer] van iemand was die hij kende onder de naam [getuige 1];

- hij [getuige 1] nu heeft verteld dat hij diens naam heeft doorgegeven aan de politie;

- hij [getuige 1] heeft geadviseerd contact op te nemen met de politie;

- [getuige 1] hem vertelde dat één van de overvallers, een Marokkaanse jongen, hem gebeld had;

- [getuige 1] hem vertelde dat die Marokkaanse jongen met een Surinaamse jongen omging en dat zij samen een overval in Friesland hadden gepleegd;

- [getuige 1] hem vertelde dat de Marokkaanse jongen bij hem was geweest en hem vertelde dat ze iemand hadden vermoord;

- [getuige 1] hem vertelde dat de Marokkaanse jongen had verteld dat de Surinaamse jongen zich later bij de politie had gemeld;

- [getuige 1] hem vertelde dat de Marokkaanse jongen had verteld dat de Surinaamse jongen het had gedaan;

- hij [getuige 1] vertelde dat hij naar de politie moest gaan een eerlijk moest vertellen wat hij wist.

Op 16 april 2007 meldt [getuige 1] -volledige naam: [getuige 1] zich bij de politie met de mededeling dat hij een bekende was van [getuige 2], dat hij had gehoord dat de politie naar hem op zoek was, dat hij van zijn vriend [medeverdachte 3] had gehoord wat er in Friesland was gebeurd, dat [medeverdachte 3] met een Surinaamse jongen daarheen was gegaan, dat de Surinaamse jongen met de naam [verdachte] de dader was en dat de derde man een Marokkaan betrof.

[getuige 1] wordt op 17 april 2007 gehoord en hij verklaart, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende:

- voordat de Surinaamse jongen werd aangehouden, hoorde hij het verhaal van [medeverdachte 3];

- [medeverdachte 3] vertelde dat de Surinaamse jongen een Nederlandse man kende en dat die jongen met [medeverdachte 3] de Nederlandse man wilde overvallen;

- de kleine jongen heeft hen met de auto gebracht;

- [medeverdachte 3] heeft de Surinaamse jongen geholpen met het vastmaken van de man;

- de Surinaamse jongen heeft de man in de rug gestoken;

- hij heeft tegen [medeverdachte 3] gezegd dat hij naar de politie moest gaan, maar [medeverdachte 3] wilde dat niet;

- [medeverdachte 3] heeft tegen de Surinaamse jongen gezegd dat hij de politie ging bellen;

- de Surinaamse jongen zei dat hij dat niet moest doen en dat hij zelf naar de politie zou gaan.

Op 29 mei 2007 vindt de overlevering van verdachte [medeverdachte 3] aan de Nederlandse autoriteiten plaats.

In de eerste verhoren, beginnend op 29 mei 2007, ontkent verdachte [medeverdachte 3] iets met de onderhavige zaak te maken te hebben, ook nadat hem is meegedeeld dat 'zijn DNA op de plaats delict is aangetroffen'. Vanaf 2 juni 2007, hij is dan geconfronteerd met de door getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen, legt [medeverdachte 3] bekennende verklaringen af. Hij verklaart, zakelijk weergegeven, dat:

- hij voor een paar centen naar de woning van [slachtoffer 1] is gegaan;

- hij daar was samen met [verdachte] en [medeverdachte 2];

- hij van [verdachte] voor vervoer moest zorgen naar [plaatsnaam];

- [medeverdachte 2] wel geld wilde en een auto kon regelen;

- [verdachte] wist waar de kluis van [slachtoffer 1] was;

- hij samen met [verdachte] en [medeverdachte 2] ongeveer 3 weken voor de overval deze overval heeft besproken;

- er toen is afgesproken dat [slachtoffer 1] zou worden vastgebonden;

- ze tiewraps, tape, schroevendraaiers, twee messen en een een pistool mee hadden als gereedschap voor de overval;

- ze in het bezit waren van witte chirurgenhandschoenen;

- ze rechtstreeks op aanwijzingen van [verdachte] naar [plaatsnaam] zijn gereden;

- ze op aanwijzingen van [verdachte] naar de tuin van [slachtoffer 1] zijn gelopen;

- ze langs bosjes en een greppel kwamen;

- ze via een plank over die greppel konden komen;

- ze over een hek moesten klimmen en dat ze toen in de tuin van [slachtoffer 1] kwamen;

- [verdachte] de ruit van de voordeur in sloeg;

- ze rechtstreeks naar boven liepen en daar [slachtoffer 1] aantroffen in bed;

- [verdachte] de man vroeg waar de kluis was en de man sloeg;

- [verdachte] met het pistool schoot;

- hij en [verdachte] de man hebben vastgebonden;

- [verdachte] de man bleef slaan;

- hij de man de mond heeft dichtgeplakt;

- [verdachte] de man met een mes in zijn rug stak;

- hij het huis uit is gerend naar de auto;

- het even duurde voordat [verdachte] en [medeverdachte 2] bij de auto kwamen;

- [verdachte] het buitgemaakte geld in de auto wilde verdelen;

- [medeverdachte 2] in opdracht van [verdachte] hun kleding en schoenen heeft verbrand.

Op 5 juni 2007 wordt [medeverdachte 2] aangehouden. Hij ontkent eerst iets met de overval in [plaatsnaam] te maken te hebben gehad, maar vanaf 6 juni 2007 legt ook hij bekennende verklaringen af. Hij verklaart, zakelijk weergegeven, dat:

- hij door [medeverdachte 3] is gevraagd voor een klus en of hij een auto kon regelen zodat hij als chauffeur kon dienen;

- de buit ongeveer 50.000 euro zou zijn;

- ze de buit zouden delen;

- het plan van de overval van [verdachte] kwam;

- het plan van de overval tweemaal is besproken in de woning van [medeverdachte 3];

- hij zag dat [verdachte] een pistool had;

- hij hoorde dat [verdachte] zei dat dit een alarmpistool was en bedoeld was om [slachtoffer 1] schrik aan te jagen;

- hij op het aanrecht zwarte tiewraps, plakband en doktershandschoenen zag liggen;

- hij een mes zag dat verpakt was in kranten;

- dit mes is meegegaan;

- dit een groot mes was;

- hij had besloten om ook de woning van de man binnen te gaan, omdat hij [medeverdachte 3] en [verdachte] niet vertrouwde bij het verdelen van de buit;

- [verdachte] het huis van [slachtoffer 1] aanwees;

- hij achter [verdachte] aanliep;

- ze door de voordeur de woning van [slachtoffer 1] zijn binnengegaan;

- ze in de woning meteen naar boven gingen;

- zij daarbij hun gezichten hadden verhuld in (bivak)mutsen en sjaals;

- [verdachte] meteen de slaapkamer van [slachtoffer 1] binnen ging en [medeverdachte 3] en hij volgden;

- [slachtoffer 1] werd vastgegrepen door [verdachte] en [medeverdachte 3];

- [slachtoffer 1] aan zijn handen werd vastgebonden met de meegebrachte tiewraps en tape;

- het eerste geweld tegen [slachtoffer 1] door [verdachte] werd gepleegd nadat ook de voeten waren getapet;

- er bedreigingen richting [slachtoffer 1] werden geuit en hem gevraagd werd waar het geld was;

- Reggy [slachtoffer 1] op zijn hoofd sloeg;

- [slachtoffer 1] toen begon te schreeuwen en er tape op zijn mond werd geplakt;

- [slachtoffer 1] hardhandig werd aangepakt en ze niets deden om [verdachte] te stoppen;

- [verdachte] een alarmpistool te voorschijn haalde en het wapen afschoot naast het hoofd van [slachtoffer 1], richting de grond;

- hij dat wapen al eerder had gezien en wist dat het mee was genomen voor het afschrikken;

- [medeverdachte 3] en [verdachte] weer naar het geld vroegen na het lossen van het schot;

- Reggy [slachtoffer 1] bij zijn haar vastpakte en hem met het hoofd op de bedrand sloeg;

- [slachtoffer 1] veel klappen tegen zijn hoofd kreeg van [verdachte];

- [verdachte] een meegebracht mes pakte en [slachtoffer 1] ermee in zijn rug stak;

- het mes helemaal in de rug van [slachtoffer 1] ging en [verdachte] het er weer uittrok;

- hij zag dat [slachtoffer 1] op eigen kracht in zitpositie kwam en de tiewraps en tape lostrok;

- [slachtoffer 1] de tape van zijn mond trok en dat er allemaal bloed uitkwam;

- [slachtoffer 1] schuin voorover wegzakte;

- hij hoorde dat [slachtoffer 1] zei: "ik ga dood, ik ga dood, ik ga dood";

- er een plas bloed op de grond lag;

- zij daarna de slaapkamer hebben verlaten;

- hij de fotocamera en de portemonnee die daar in de keuken lagen, later terugzag in de auto;

- [verdachte] in de auto zei dat de man dood ging;

- hij er wel aan gedacht heeft om een ambulance te bellen, maar dat niet gedaan heeft omdat dan uit zou komen dat hij betrokken was bij iets ergs.

Uit de forensisch technische onderzoeken blijkt niet dat verdachte [verdachte] en/of verdachte [medeverdachte 2] in of bij de woning van [slachtoffer 1] zijn geweest. Van hen is geen enkel spoor gevonden. Van verdachte [medeverdachte 3] is alleen een DNA-spoor aangetroffen in het topje van een latex handschoen in de tape op het slachtoffer [slachtoffer 1].

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd en ten onrechte verdachte [verdachte] als (hoofd)dader hebben bestempeld.

Anders dan de verdediging acht het hof de mogelijkheid van op elkaar afgestemde verklaringen van de verdachten niet aannemelijk. Allereerst zijn de verklaringen die de beide medeverdachten afleggen over de loop der gebeurtenissen niet alleen uitgebreid, maar ook specifiek en gedetailleerd. De details betreffen niet alleen hoofdzaken, maar ook op punten van geringere betekenis komen verklaringen opvallend overeen. Als voorbeeld kan dienen dat zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2] verklaren over het gebruik van de navigatieapparatuur, dat op de heenweg op een gegeven moment wordt uitgeschakeld omdat [verdachte] de verder af te leggen route wel kende. In het algemeen is het niet ongebruikelijk dat personen die bij een zelfde gebeurtenis betrokken zijn, daar later op onderdelen verschillend over verklaren. Zeker naarmate er meer tijd verstrijkt tussen voorval en daarover afgelegde verklaring. In onderhavig geval moet bedacht worden dat de bekennende verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] begin juni 2007 zijn afgelegd, derhalve bijna acht maanden na de overval op [slachtoffer 1]. In dit tijdsverloop ziet het hof een redelijke verklaring voor te constateren verschillen en anders dan de verdediging ziet het hof in de verschillen en overeenkomsten in de door de beide medeverdachten afgelegde verklaringen geen aanwijzing dat deze op elkaar zijn afgestemd.

Een ander aspect dat het afstemmen van verklaringen niet aannemelijk maakt is dat uit getuigenverklaringen blijkt dat [medeverdachte 3] al over de toedracht van de overval heeft gesproken met een derde (te weten [getuige 1], die meermalen hierover met bijstand van een tolk door de politie is ondervraagd) op een moment dat de politie nog geen enkel zicht had op eventuele daders en volledig in het duister tastte.

In tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat de verklaringen van de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] grotendeels overeenstemmen. Weliswaar zijn er op onderdelen verschillen in hun verklaringen, maar op cruciale punten is er geen verschil. Beiden verklaren dat verdachte [verdachte] degene was met het initiatief voor de overval, degene was die geweld toepaste en degene was die [slachtoffer 1] met een mes in zijn rug stak. Ook over de gelopen route en de manier waarop verdachte [verdachte] het slachtoffer heeft gestoken verklaren beide medeverdachten eenduidig.

Het hof heeft in het kader van een schouw op 14 december 2009 de routes aanschouwd waarvan de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij deze in de nacht van 8 op 9 oktober 2006 naar en van de woning van [slachtoffer 1] te voet hebben gevolgd. Het hof heeft waargenomen dat de beschrijving die beide verdachten van de route hebben gegeven met elkaar overeenstemmen. Beiden hebben dezelfde route gelopen op weg naar de woning van [slachtoffer 1]. De betreffende route van de heenweg begon op de parkeerplaats aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] en liep vervolgens via een voetpad, door een park, langs een sloot, over een 'bruggetje' van twee losse planken, over het terrein van een karperkwekerij en over een hek.

Het hof is van oordeel dat dit een route naar de woning van [slachtoffer 1] betreft waarvan het uiterst onwaarschijnlijk is dat iemand zonder gebiedskennis ter plaatse die zou hebben gevolgd. Niet aannemelijk is geworden dat - zoals de raadslieden gedurende de schouw nadrukkelijk hebben betoogd - dat er een andere route is gelopen, en wel één die begint bij een parkeerplaats bij de voetbalvelden.

Verdachte [verdachte] is in [plaatsnaam] opgegroeid en is ter plaatse bekend met de omgeving. De verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren woonachtig in [plaatsnaam]. Van hen is niet bekend dat zij eerder in [plaatsnaam] zijn geweest of daar connecties hadden, behoudens de connectie met verdachte [verdachte].

De verklaring van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] dat verdachte [verdachte] het plan voor de overval had opgevat, erbij was en de weg kende, sluit naadloos aan bij de constatering van het hof dat de door de verdachten lopend afgelegde route naar de woning van [slachtoffer 1] dermate ingewikkeld is dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat deze zou zijn gelopen door ter plaatse onbekenden.

Ook is van belang dat de getuige [getuige 1] al vóór 6 november 2006 (de dag waarop verdachte [verdachte] zich op het politiebureau meldt) van [medeverdachte 3] heeft gehoord dat [medeverdachte 3] samen met ene [verdachte] - een Surinaamse jongen - en een Marokkaanse jongen de overval op [slachtoffer 1] heeft gepleegd en dat de Surinaamse jongen [slachtoffer 1] heeft gestoken.

Derhalve maakt [medeverdachte 3], op het moment dat er nog geen enkele verdachte in beeld is bij de politie, al gewag van [verdachte] als mededader van de overval op [slachtoffer 1].

Dit past niet in het door de verdediging geschetste beeld dat de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zonder verdachte [verdachte] de overval zouden hebben gepleegd en [verdachte] als hoofddader naar voren willen schuiven om er zelf beter af te komen. Er was immers op het moment dat [medeverdachte 3] één en ander met [getuige 1] besprak nog geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de politie de daders op het spoor zou zijn.

Tevens verdient opmerking dat verdachte [medeverdachte 3] er in zijn verhoor van 30 mei 2007 blijk van geeft verrast te zijn door:

1) het feit dat de politie getuige [getuige 1] überhaupt heeft gesproken (dossierpagina 1413), en

2) hetgeen [getuige 1] ten overstaan van de politie heeft verklaard (dossierpagina 1423),

hetgeen bepaald geen steun geeft aan de door de verdediging geopperde hypothese van een complottheorie.

Tevens valt op dat verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in hun eerste verhoren ten stelligste ontkennen iets met de overval te maken te hebben. [medeverdachte 2] heeft ook moeite met het noemen van de naam van verdachte [verdachte]. Dit past ook niet in het scenario dat beiden samen hebben afgesproken om verdachte [verdachte] te gaan belasten. Indien zij tevoren hadden afgesproken het steken van [slachtoffer 1] op [verdachte] af te wentelen had het voor de hand gelegen dat [verdachte]'s betrokkenheid vlot en spontaan door hen ter sprake zou zijn gebracht. De verhoren vertonen een ander beeld. Daarnaast belasten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zich in de door hen afgelegde verklaringen in aanzienlijke mate ook zelf. Er is geen sprake van - wat bij een verzonnen scenario eerder voor de hand ligt - dat zij zichzelf sparen wat betreft hun aandeel in de door hen beschreven eigen rol bij het voorval.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte

[verdachte] heeft zich -als vermeld- op 6 november 2006 eigener beweging bij de politie gemeld. Hij heeft toen verklaard betrokken te zijn de 'moord' op [slachtoffer 1]. In zijn vele daaropvolgende verklaringen heeft [verdachte], voorzichtig geformuleerd, bepaald geen duidelijkheid gegeven waaruit zijn betrokkenheid dan wel zou hebben bestaan. Na een raadsman te hebben geconsulteerd beroept [verdachte] zich herhaaldelijk op zijn zwijgrecht en ontkent enige betrokkenheid bij het delict. Later verklaart hij zich bij de politie te hebben gemeld met de mededeling medeverantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer 1] te zijn omdat een 'Rasta' met wie hij over de zaak [plaatsnaam] had gesproken, naar de politie was geweest die daar had verteld dat hij, [verdachte], [slachtoffer 1] had vermoord. Aldus hoopte [verdachte] verdachtmakingen te voorkomen (dossierpagina 1269). [verdachte] werkt niet mee aan de vaststelling van de identiteit van die 'Rasta' door de politie. [verdachte] verklaart ambivalent op de vraag of hij hiermee ene [naam] bedoelt. Wel stuurt hij kort na de opheffing van zijn beperkingen via een medegedetineerde een brief aan voornoemde [naam]. Gevraagd naar zijn bedoeling met de brief beroept hij zich op zijn zwijgrecht.

Geconfronteerd met de verklaring van [getuige 1] waaruit betrokkenheid blijkt van [medeverdachte 3] en [verdachte] verklaart [verdachte] niet te hebben geweten dat [medeverdachte 3] 'ermee' te maken had want "ik weet zeker dat wanneer [medeverdachte 3] het had gedaan, dan had [medeverdachte 3] het mij wel verteld". Aansluitend geeft [verdachte] te kennen een deal te willen sluiten met de officier van justitie en dan "openheid van zaken" te zullen geven. Hij verklaart bereid te zijn een boekje open te doen maar wil hij niet hangen voor moord (dossierpagina 1352). "Als mijn aanklacht veranderd wordt, dan zal ik het zeggen", aldus [verdachte]. Als de politie [verdachte] vertelt dat [getuige 1] als verdachte in deze zaak vastzit, is hij verontwaardigd. "Waar zijn jullie nu toch mee bezig, jullie sluiten alleen maar onschuldige mensen op", aldus [verdachte], die nadien nog vraagt 1) of hij als "anonieme getuige" in het dossier kan komen (dossierpagina 1358) en 2) wat er voor hem in zit als hij openheid van zaken geeft (dossierpagina 1359).

Eerst tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 maart 2008 legt [verdachte] uit waarom hij heeft verklaard zich medeverantwoordelijk te voelen voor de dood van [slachtoffer 1]. Hij brengt dan naar voren dat hij in 2003 met [medeverdachte 3] gesproken heeft over het 'halen van geld' bij een boer [slachtoffer 1] in [plaatsnaam] en weet dan zeker dat [medeverdachte 3] c.s. op 9 oktober 2006 bij de verkeerde persoon naar binnen zijn gegaan. Ter terechtzitting in hoger beroep herhaalt [verdachte] deze redengeving voor zijn medeverantwoordelijkheid voor de dood van [slachtoffer 1].

Het hof overweegt met betrekking tot de verklaringen van [verdachte] het volgende.

1) Het door [verdachte] opgegeven motief om zich te melden bij de politie -te weten het voorkomen van verdachtmakingen na door Rasta aan zijn adres geuite beschuldigingen- is slecht te rijmen met zijn daaropvolgende proceshouding, gekenmerkt door zwijgen en het creëren van onduidelijkheid omtrent de identiteit van Rasta.

2) [verdachte] wekt bij herhaling en nadrukkelijk de suggestie daderkennis te bezitten.

3) Het door [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep opgegeven motief om zich bij de politie te melden -kortweg: ik voelde mij op 6 november 2006 verantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer 1] omdat ik wist dat [medeverdachte 3] c.s. die dood hadden bewerkstelligd na een tip van mij in 2003- is niet te rijmen met [verdachte]'s politieverklaringen waarin hij te kennen geeft niet te hebben geweten en zelfs verbaasd te zijn dat [medeverdachte 3] bij het delict betrokken was. Dit alternatief scenario: [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] deden het op eigen houtje na een tip van [verdachte] in 2003, moet dan ook als ongeloofwaardig worden verworpen.

Resumerend concludeert het hof dat de verklaringen van [verdachte] en dus ook zijn ontkenningen van betrokkenheid, anders dan de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], geen geloof verdienen. Het hof hecht eraan daarbij op te merken dat uit de meest recente PBC-rapportage kan worden opgemaakt dat [verdachte] wordt aangemerkt als een gemiddeld intelligente persoon en dat er ook overigens geen reden is te veronderstellen dat hij de strekking en draagwijdte van de door hem afgelegde verklaringen en de door hem gekozen proceshouding niet heeft kunnen overzien.

Medeplegen van gekwalificeerde doodslag

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt dat verdachten samen het plan hebben opgevat om een overval te plegen waarbij geweld niet geschuwd werd. Zij maakten vooraf afspraken over het vastbinden en bedreigen van [slachtoffer 1].

Op de dag van de overval zijn zij met tiewraps, tape, een alarmpistool en messen naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan. In de woning troffen zij, zoals verwacht, [slachtoffer 1] aan in zijn bed. [slachtoffer 1] werd meteen geslagen en, zoals afgesproken, vastgebonden en bedreigd. Hem werd steeds gevraagd waar het geld was. Verdachte [verdachte] sloeg [slachtoffer 1] op zijn hoofd. [slachtoffer 1] werd hardhandig aangepakt door verdachte [verdachte]. [verdachte] haalde een alarmpistool te voorschijn en schoot het wapen af naast het hoofd van [slachtoffer 1]. Vervolgens pakte hij het haar van [slachtoffer 1] vast en sloeg hem met het hoofd op de bedrand. Hij pakte een mes en stak [slachtoffer 1] in zijn rug.

[slachtoffer 1] kwam op eigen kracht in zitpositie en trok de tiewraps van zijn handen en tape los. Er kwam bloed uit zijn mond, hij zakte schuin voorover en zei: "ik ga dood, ik ga dood, ik ga dood".

De verdachten hebben [slachtoffer 1] zo achtergelaten in de slaapkamer, hebben de fotocamera en de portemonnee, die daar in keuken lagen, meegenomen en zijn vertrokken.

Gelet op alle omstandigheden kan niet gezegd worden dat verdachten naar [slachtoffer 1] toe zijn gegaan met het vooropgezet plan om hem te doden. Dat lag ook niet voor de hand nu kennelijk zijn medewerking nodig was bij het vinden van het in de woning veronderstelde aanwezige geld. Het feit dat zij gemaskerd de woning betraden is eveneens een aanwijzing dat er geen vooropgezet plan bestond om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Maar wel hebben verdachten zich door bovenomschreven handelwijze naar het oordeel van het hof willens en wetens in de situatie begeven, waarin ernstig rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat er in meer of mindere mate daadwerkelijk geweld zou worden toegepast jegens het beoogde slachtoffer. Er was immers gespeculeerd over een grote buit, de verdachten waren helemaal vanuit [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] gereden, het alleenstaande slachtoffer bevond zich in een afgelegen woning waardoor de daders 'vrij spel' hadden, het slachtoffer zou worden vastgebonden, er waren messen meegenomen. Eenmaal in de slaapkamer is al snel duidelijk dat het niet bij vastbinden en dreigen blijft. [slachtoffer 1] wordt vrijwel direct na binnenkomst van het trio geslagen door [verdachte]. Naarmate de tijd verstrijkt en [slachtoffer 1] langer blijft volhouden niet over een kluis of geld te beschikken nemen de aard en ernst van de jegens [slachtoffer 1] verrichte geweldshandelingen toe om uiteindelijk te culmineren in [verdachte]'s fatale steek in [slachtoffer 1]' rug met één van de meegebrachte messen.

Op grond van de hierboven omschreven gang van zaken, waarbij het hof de aard van de gedragingen van de verdachten betrekt en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, komt het hof tot de navolgende oordeel:

Medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben door hun optreden in gezamenlijkheid -op het moment dat medeverdachte [verdachte] fysiek geweld gebruikt tegen [slachtoffer 1]- willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [verdachte] nog meer geweld zou gaan gebruiken en met één van de meegebrachte messen zou gaan steken. Dat het gebruik van dodelijk geweld en de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] ook werd aanvaard door de verdachten, blijkt ook uit het feit dat zij [slachtoffer 1] zwaar gewond en (nog steeds met zijn voeten) vastgebonden achterlaten zonder hulp voor hem in te roepen.

Gelet op het vorenstaande was er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij het opzet van verdachten niet alleen was gericht op het plegen van diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging, maar ook op het medeplegen van de de diefstal begunstigende doodslag, zoals omschreven in de tenlastelegging onder 1 primair.

Het onder 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde

Ook de feiten 2, 3 en 4 worden door verdachte ontkend. Niettemin heeft het hof aan de hand van wettige bewijsmiddelen, waaronder voor wat betreft feit 3 een op de plaats van het delict aangetroffen vingerafdruk van verdachte, de overtuiging gekregen dat de verdachte zich aan de feiten heeft schuldig gemaakt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair.

hij in de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaatsnaam], in de gemeente [gemeentenaam], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes in diens rug gestoken (ongeveer 14 centimeter diep) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en vergezeld van enig strafbaar feit, te weten het in de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaatsnaam], in de gemeente [gemeentenaam] in een woning gelegen aan de [straatnaam] aldaar tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van een portefeuille met inhoud en een rijbewijs en een fotocamera, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen met die mededaders,

- die [slachtoffer 1] stevig heeft vastgepakt en/of in bedwang gehouden en

- die [slachtoffer 1] aan de enkels en polsen heeft gekneveld en

- die [slachtoffer 1] tape over de mond heeft geplakt en

- die [slachtoffer 1] messen en een vuurwapen heeft voorgehouden en/of getoond en

- met een vuurwapen een patroon heeft afgeschoten naast, althans in de onmiddellijke nabijheid van, die [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt (onder meer met het hoofd op/tegen de bedrand)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

2.

hij op 28 april 2006, te [plaatsnaam], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aldaar aan de [straatnaam] gelegen woning heeft weggenomen ondermeer een hoeveelheid geld en een aantal laptops en digitale camera en een rugzak en een Ipod en een filmcamera en een cd-speler en een dvd-speler en een horloge en sieraden, toebehorende aan [benadeelde 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

3.

hij op 12 juli 2006, te [plaatsnaam], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een aldaar aan de [straatnaam] gelegen woning heeft weggenomen een DVD speler en concertkaarten en een decoder en een zonnebril en een fotocamera en een sleutelbos en een sporttas en een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

feit 4 subsidiair:

hij op 23 juli 2006, te [plaatsnaam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een persoon genaamd [benadeelde 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], zich naar de woning van die [benadeelde 2] heeft begeven en vervolgens die [benadeelde 2] onverhoeds heeft benaderd door ongevraagd en plotseling in de deuropening van het schuurtje te verschijnen (alwaar die [benadeelde 2] zich op dat moment alleen bevond) en die [benadeelde 2] mondeling enkele woorden heeft toegevoegd, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, duidelijk zichtbaar voor die [benadeelde 2] een pistool in zijn hand vast heeft gehouden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag, vergezeld en gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, zulks terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, zulks terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot afpersing, zulks terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachtes persoon heeft in hoger beroep nieuw onderzoek plaatsgevonden.

A.C. Bruijns, psychiater, en A.T. Spangenberg, klinisch psycholoog, hebben verdachte, in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (hierna te noemen PBC), opnieuw onderzocht en op 8 februari 2012 een Pro Justitia rapportage opgemaakt.

Deze rapportage bevat - zakelijk weergegeven - als conclusie dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens gevormd door een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ook in de periode van de ten laste gelegde feiten was deze persoonlijkheidsstoornis aanwezig. Echter de overmaat van geweld van feit 1 kan door de deskundigen niet verklaard worden vanuit de kenmerken van de stoornis van verdachte.

Omdat uit het laatste PBC-onderzoek is gebleken dat de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet de keuzevrijheid van verdachte heeft beperkt, achten de deskundigen het niet mogelijk om, op basis van de stoornis, uitspraken te doen over het recidivegevaar vanuit die stoornis.

Het PBC adviseert het hof om verdachte voor alle ten laste gelegde feiten volledig toerekeningsvatbaar te achten.

Het hof neemt deze conclusies over en maakt die tot de zijne.

Nu niet is gebleken dat verdachte het ten laste gelegde niet valt toe te rekenen en er ook anderszins geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in het kader van een brute roofoverval met twee mededaders het slachtoffer [slachtoffer 1] vastgebonden, geslagen, bedreigd, met het hoofd op de bedrand geslagen en tenslotte doodgestoken. Van enig morele scrupule of enig gewetensbezwaar bij de verdachte is het hof niet gebleken. De verdachte is bovendien de initiatiefnemer van het plan. Hij heeft de mededaders gevraagd deze overval met hem uit te voeren. Hij is degene die het slachtoffer de dodelijke steek heeft toegebracht.

Door de doodslag hebben de daders onherstelbaar leed berokkend aan de naasten van het slachtoffer.

Dit feit heeft de rechtsorde ernstig geschokt en draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Naast dit zeer ernstige feit heeft verdachte ook nog in korte tijd twee inbraken en een poging tot afpersing gepleegd.

Het hof houdt bij de strafoplegging - in negatieve zin - rekening met een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 juni 2011, een 13 pagina's tellend stuk, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens vermogensdelicten.

Ook heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die naar voren komen in de over verdachte opgemaakte rapporten van het PBC (Pro Justitia rapporten van 23 januari 2008 en 8 februari 2012) en zoals die ter terechtzittingen zijn gebleken.

In eerste aanleg is door de officier van justitie een gevangenisstraf van 20 jaren geëist en de oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging. De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf van 18 jaren opgelegd. De TBS-maatregel heeft de rechtbank niet opgelegd, omdat zij op grond van de voorhanden zijnde rapporten over de persoon van de verdachte niet tot de conclusie kwamen dat er sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis bij verdachte.

In hoger beroep is door de advocaat-generaal een gevangenisstraf van 18 jaren en de oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging geëist.

De onderzoekers van het PBC hebben in het rapport van 8 februari 2012 aangegeven dat er bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, maar dat niet van psychopathie kan worden gesproken nu de beperkte empathische vermogens van verdachte niet voortkomen uit een narcistische dynamiek. Zijn stoornis heeft zijn keuzevrijheid voor het al dan niet plegen van strafbare feiten niet beperkt en verdachte is volledig toerekeningsvatbaar. De deskundigen achten het niet mogelijk uitspraken te doen over het recidivegevaar. Het rapport van het PBC eindigt met de conclusie dat er geen indicatie is voor een behandeling in een juridisch kader.

Op basis van de conclusies van de onderzoekers van het PBC ligt, naar het oordeel van het hof, de oplegging van de TBS-maatregel niet in de rede. Ook eerdere rapporten over de persoon van de verdachte geven geen aanleiding tot het opleggen van de TBS-maatregel. Het hof zal de TBS-maatregel derhalve niet opleggen.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende is het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van achttien jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Beslag

Onttrekking aan het verkeer

De hierna te noemen inbeslaggenomen voorwerpen, die nog niet zijn teruggegeven, behoren aan de verdachte toe. Zij zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het onder onder 1 primair begane misdrijf aangetroffen. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met het algemeen belang en zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

Het betreft: tierips en tape, gaspatroon (gascylinder), gaspistool, patroon (knalpatroon), houder met 3 patronen, mes met zwart handvat, vleesmes met ronde gaten in het lemmet, keukenmes en vlindermes.

Verbeurdverklaring

Het onder 1 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte danwel één van de medeverdachten toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Het betreft: vingertop latex handschoen, stoffen zakje merk Gant, 2 schroevendraaiers (uit Gantzakje).

Teruggave

Het hof zal de teruggave gelasten aan de rechthebbenden van de overige inbeslaggenomen zaken nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] (nabestaanden van de heer [slachtoffer 1])

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 8.507,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 7.560,28. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 14.000,00 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 7.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 303,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36d, 36f, 43a, 45, 47, 57, 63, 288, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

vingertop latex handschoen, stoffen zakje merk Gant, 2 schroevendraaiers (uit Gantzakje) .

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

tierips en tape, gaspatroon (gascylinder), gaspistool, patroon (knalpatroon), houder met 3 patronen, mes met zwart handvat, vleesmes met ronde gaten in het lemmet, keukenmes en vlindermes .

Gelast de teruggave aan [naam] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

brief afzender [naam].

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

spijkerbroek G-star, sportbroek Nike met afgeknipte pijpen, een paar reebok schoenen, bruin leren jack, yeans broek, een paar nike schoenen.

Gelast de teruggave aan [naam] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

4 videobanden, merk Maxell; bevatten opnames 8 t/m 11 oktober 2006.

Gelast de teruggave aan [naam] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

8 videobanden, merk TDK, bevatten beelden 8 t/m 11 okober 2006 .

Gelast de teruggave aan de nabestaanden van de heer [slachtoffer 1] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

panty en plantdeel.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] (nabestaanden van de heer [slachtoffer 1])

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3], terzake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 8.507,00 (achtduizend vijfhonderdzeven euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] (nabestaanden van de heer [slachtoffer 1] ), een bedrag te betalen van EUR 8.507,00 (achtduizend vijfhonderdzeven euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 77 (zevenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] terzake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 7.000,00 (zevenduizend euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 april 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van EUR 7.000,00 (zevenduizend euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 april 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] terzake van het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 303,00 (driehonderddrie euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van EUR 303,00 (driehonderddrie euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. W. Foppen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 20 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Nijhuis was buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.