Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV9343

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
24-000983-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:68, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dodelijke overval Haulerwijk. Verdachte wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van 13 jaar en 6 maanden voor doodslag op een man in Haulerwijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000983-08

Uitspraak d.d.: 20 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 3 april 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 september 2008, 15 december 2008, 12 maart 2009, 9 juni 2009, 26 augustus 2009, 19 november 2009, 8 februari 2010, 7 mei 2010, 19 mei 2010, 5 augustus 2010, 19 oktober 2010, 10 januari 2011, 13 januari 2011, 4 april 2011, 29 juni 2011, 30 juni 2011, 21 september 2011, 14 december 2011, 15 februari 2012, 16 februari 2012, 6 maart 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

- veroordeling ter zake het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 12 jaar, met aftrek van het voorarrest;

- oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging;

- beslissingen over de in beslag genomen zaken, gelijk aan de beslissingen van de rechtbank;

- toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] danwel [benadeelde 2] ( € 8.507,--), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel subsidiair 77 dagen hechtenis;

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman

mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens rug gestoken (ongeveer 14 centimeter diep) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het in of omstreeks de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente] (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd [om circa 01:00 uur 's-nachts, althans ergens (vlak) na middernacht] in een woning [gelegen op/aan de [straat] aldaar]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van (onder meer) een geldkistje (met inhoud) en/of een portefeuille (met inhoud) en/of (een) GSM(s) en/of een rijbewijs en/of een fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen met die mededader(s), althans alleen, (onder meer)

- die [slachtoffer] stevig heeft/hebben vastgepakt en/of in bedwang gehouden en/of

- die [slachtoffer] aan de enkels en/of polsen heeft/hebben gekneveld en/of

- die [slachtoffer] tape op/over de mond heeft/hebben geplakt/gedaan en/of

- die [slachtoffer] (een) mes(sen) en/of een vuurwapen heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of

- met een vuurwapen een patroon heeft/hebben afgeschoten naast, althans in de onmiddellijke nabijheid van, die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) heeft/hebben geslagen en/of gestompt (onder meer met het hoofd op/tegen de bedrand)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht)

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

A)

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens rug gestoken (ongeveer 14 centimeter diep) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 287 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht)

B)

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente] (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd [om circa 01:00 uur 's-nachts, althans ergens (vlak) na middernacht] in een woning [gelegen op/aan de [straat] aldaar]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (onder meer) een geldkistje (met inhoud) en/of een portefeuille (met inhoud) en/of (een) GSM(s) en/of een rijbewijs en/of een fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen met die mededader(s), althans alleen, (onder meer)

- die [slachtoffer] stevig heeft/hebben vastgepakt en/of in bedwang gehouden en/of

- die [slachtoffer] aan de enkels en/of polsen heeft/hebben gekneveld en/of

- die [slachtoffer] tape op/over de mond heeft/hebben geplakt/gedaan en/of

- die [slachtoffer] (een) mes(sen) en/of een vuurwapen heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of

- met een vuurwapen een patroon heeft/hebben afgeschoten naast, althans in de onmiddellijke nabijheid van, die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) heeft/hebben geslagen en/of gestompt (onder meer met het hoofd op/tegen de bedrand) en/of

- die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug heeft/hebben gestoken (ongeveer 14 centimeter diep),

tengevolge waarvan die [slachtoffer] werd gedood;

(artikel 312 lid 1 en lid 2 ahf sub 1, 2 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het ten laste gelegde en de feiten

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feitelijke gang van zaken vast.

[slachtoffer] wordt op woensdag 11 oktober 2006 dood aangetroffen in zijn bed in zijn woning in [plaats]. Rondom hem ligt veel gestold bloed. Zijn benen zijn met tape en een zwarte tiewrap vastgebonden, om zijn rechterpols zit tape en een zwarte tiewrap en bij zijn kin/hals zit een stuk tape. Op de tape om de hals van [slachtoffer] zit een topje van een latex handschoen. Naast het slachtoffer ligt een alarmpistool en op de vloer een huls van een gaspatroon.

Bij autopsie blijkt [slachtoffer] om het leven te zijn gekomen door een steekverwonding in zijn rug waarbij onder andere het hart was getroffen.

Op 6 november 2006 om 16.00 uur meldt een man (wiens identiteit niet bekend is geworden) zich op het politiebureau Surinameplein in Amsterdam met de mededeling dat hij iets wil vertellen over paarden en Friesland. Omdat hij moet wachten tot er personeel beschikbaar is op het politiebureau, loopt hij zonder verder iets te zeggen het politiebureau weer uit.

Diezelfde dag om 19.10 uur meldt medeverdachte [medeverdachte 1] zich op hetzelfde politiebureau met de mededeling dat er die middag een vriend van hem aan het bureau is geweest die heeft gezegd dat hij, [medeverdachte 1], iemand zou hebben doodgestoken. Volgens mededeling van verdachte op het politiebureau is een man, genaamd [slachtoffer] en die iets met paarden doet, in [plaats] vermoord. Hij, [medeverdachte 1], heeft zich vrijwillig gemeld bij het politiebureau en doet dit omdat hij zegt te zijn betrokken geweest bij de dood van de heer [slachtoffer]. [medeverdachte 1] wordt aangehouden en verblijft sindsdien in voorarrest.

Op 4 december 2006 treft de politie verdachte [verdachte] aan op het laatst bekende verblijfadres van medeverdachte [medeverdachte 1]. [verdachte] wordt op 4 december 2006 als getuige gehoord. [verdachte] verklaart dat [medeverdachte 1] tot voor kort zijn huisgenoot is geweest. Aan [verdachte] wordt verzocht of hij DNA af wil staan ten behoeve van het onderzoek. [verdachte] verklaart daarover na te willen denken, maar blijkt achteraf diezelfde dag naar Frankrijk te zijn vertrokken, alwaar hij op 5 december 2006 door de Franse autoriteiten wordt aangehouden op verdenking van een drugsdelict en in hechtenis blijft. Een paar dagen later wordt de woning van [verdachte] doorzocht in verband met de overval in [plaats]. Na doorzoeking van de woning van [verdachte] en inbeslagname van zijn tandenborstel met DNA-materiaal, blijkt dat het op de tandenborstel van [verdachte] aangetroffen DNA-profiel gelijk is aan het in een topje van een latex handschoen in de tape op het slachtoffer [slachtoffer] aangetroffen DNA-profiel.

Uit het onderzoek van de opgevraagde historische telefoongegevens van [verdachte] blijkt dat een persoon gebruik makend van de telefoonaansluiting [telefoonnummer] een zeer geregeld contact van [verdachte] was en dat er wederzijds veelvuldig contact was rond de periode van de overval op [slachtoffer]. Eerder was - in het kader van een onderzoek naar pinpasfraude - de gsm van [verdachte] onderzocht. Daaruit bleek dat in het telefoonboek de telefoonaansluiting [telefoonnummer] was gekoppeld aan ene [getuige 1].

De historische telefoongegevens van deze telefoonaansluiting van [getuige 1] worden opgevraagd. Daaruit blijkt dat naast de veelvuldige contacten tussen [verdachte] en [getuige 1] er in dezelfde periode ook veelvuldig contact was tussen [getuige 1] en [getuige 2].

[getuige 2] wordt op 12 en 19 april 2007 gehoord door de politie. Hij verklaart, zakelijk weergegeven, dat:

- het gsm-nummer [telefoonnummer] van iemand was die hij kende onder de naam [getuige 1];

- hij [getuige 1] nu heeft verteld dat hij diens naam heeft doorgegeven aan de politie;

- hij [getuige 1] heeft geadviseerd contact op te nemen met de politie;

- [getuige 1] hem vertelde dat één van de overvallers, een Marokkaanse jongen, hem gebeld had;

- [getuige 1] hem vertelde dat die Marokkaanse jongen met een Surinaamse jongen omging en dat zij samen een overval in Friesland hadden gepleegd;

- [getuige 1] hem vertelde dat de Marokkaanse jongen bij hem was geweest en hem vertelde dat ze iemand hadden vermoord;

- [getuige 1] hem vertelde dat de Marokkaanse jongen had verteld dat de Surinaamse jongen zich later bij de politie had gemeld;

- [getuige 1] hem vertelde dat de Marokkaanse jongen had verteld dat de Surinaamse jongen het had gedaan;

- hij [getuige 1] vertelde dat hij naar de politie moest gaan een eerlijk moest vertellen wat hij wist.

Op 16 april 2007 meldt [getuige 1] -volledige naam: [getuige 1]- zich bij de politie met de mededeling dat hij een bekende was van [getuige 2], dat hij had gehoord dat de politie naar hem op zoek was, dat hij van zijn vriend [verdachte] had gehoord wat er in Friesland was gebeurd, dat [verdachte] met een Surinaamse jongen daarheen was gegaan, dat de Surinaamse jongen met de naam [medeverdachte 1] de dader was en dat de derde man een Marokkaan betrof.

[getuige 1] wordt op 17 april 2007 gehoord en hij verklaart, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende:

- voordat de Surinaamse jongen werd aangehouden, hoorde hij het verhaal van [verdachte];

- [verdachte] vertelde dat de Surinaamse jongen een Nederlandse man kende en dat die jongen met [verdachte] de Nederlandse man wilde overvallen;

- de kleine jongen heeft hen met de auto gebracht;

- [verdachte] heeft de Surinaamse jongen geholpen met het vastmaken van de man;

- de Surinaamse jongen heeft de man in de rug gestoken;

- hij heeft tegen [verdachte] gezegd dat hij naar de politie moest gaan, maar [verdachte] wilde dat niet;

- [verdachte] heeft tegen de Surinaamse jongen gezegd dat hij de politie ging bellen;

- de Surinaamse jongen zei dat hij dat niet moest doen en dat hij zelf naar de politie zou gaan.

Op 29 mei 2007 vindt de overlevering van verdachte [verdachte] aan de Nederlandse autoriteiten plaats.

In de eerste verhoren, beginnend op 29 mei 2007, ontkent verdachte [verdachte] iets met de onderhavige zaak te maken te hebben, ook nadat hem is meegedeeld dat 'zijn DNA op de plaats delict is aangetroffen'. Vanaf 2 juni 2007, hij is dan geconfronteerd met de door getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen, legt [verdachte] bekennende verklaringen af. Hij verklaart, zakelijk weergegeven, dat:

- hij voor een paar centen naar de woning van [slachtoffer] is gegaan;

- hij daar was samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2];

- hij van [medeverdachte 1] voor vervoer moest zorgen naar [plaats];

- [medeverdachte 2] wel geld wilde en een auto kon regelen;

- [medeverdachte 1] wist waar de kluis van [slachtoffer] was;

- hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ongeveer 3 weken voor de overval deze overval heeft besproken;

- er toen is afgesproken dat [slachtoffer] zou worden vastgebonden;

- ze tiewraps, tape, schroevendraaiers, twee messen en een een pistool mee hadden als gereedschap voor de overval;

- ze in het bezit waren van witte chirurgenhandschoenen;

- ze rechtstreeks op aanwijzingen van [medeverdachte 1] naar [plaats] zijn gereden;

- ze op aanwijzingen van [medeverdachte 1] naar de tuin van [slachtoffer] zijn gelopen;

- ze langs bosjes en een greppel kwamen;

- ze via een plank over die greppel konden komen;

- ze over een hek moesten klimmen en dat ze toen in de tuin van [slachtoffer] kwamen;

- [medeverdachte 1] de ruit van de voordeur in sloeg;

- ze rechtstreeks naar boven liepen en daar [slachtoffer] aantroffen in bed;

- [medeverdachte 1] de man vroeg waar de kluis was en de man sloeg;

- [medeverdachte 1] met het pistool schoot;

- hij en [medeverdachte 1] de man hebben vastgebonden;

- [medeverdachte 1] de man bleef slaan;

- hij de man de mond heeft dichtgeplakt;

- [medeverdachte 1] de man met een mes in zijn rug stak;

- hij het huis uit is gerend naar de auto;

- het even duurde voordat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de auto kwamen;

- [medeverdachte 1] het buitgemaakte geld in de auto wilde verdelen;

- [medeverdachte 2] in opdracht van [medeverdachte 1] hun kleding en schoenen heeft verbrand.

Op 5 juni 2007 wordt [medeverdachte 2] aangehouden. Hij ontkent eerst iets met de overval in [plaats] te maken te hebben gehad, maar vanaf 6 juni 2007 legt ook hij bekennende verklaringen af. Hij verklaart, zakelijk weergegeven, dat:

- hij door [verdachte] is gevraagd voor een klus en of hij een auto kon regelen zodat hij als chauffeur kon dienen;

- de buit ongeveer 50.000 euro zou zijn;

- ze de buit zouden delen;

- het plan van de overval van [medeverdachte 1] kwam;

- het plan van de overval tweemaal is besproken in de woning van [verdachte];

- hij zag dat [medeverdachte 1] een pistool had;

- hij hoorde dat [medeverdachte 1] zei dat dit een alarmpistool was en bedoeld was om [slachtoffer] schrik aan te jagen;

- hij op het aanrecht zwarte tiewraps, plakband en doktershandschoenen zag liggen;

- hij een mes zag dat verpakt was in kranten;

- dit mes is meegegaan;

- dit een groot mes was;

- hij had besloten om de ook de woning van de man binnen te gaan, omdat hij [verdachte] en [medeverdachte 1] niet vertrouwde bij het verdelen van de buit;

- [medeverdachte 1] het huis [slachtoffer] aanwees;

- hij achter [medeverdachte 1] aanliep;

- ze door de voordeur de woning van [slachtoffer] zijn binnengegaan;

- ze in de woning meteen naar boven gingen;

- zij daarbij hun gezichten hadden verhuld in (bivak)mutsen en sjaals;

- [medeverdachte 1] meteen de slaapkamer van [slachtoffer] binnen ging en [verdachte] en hij volgden;

- [slachtoffer] werd vastgegrepen door [medeverdachte 1] en [verdachte];

- [slachtoffer] werd aan zijn handen vastgebonden met de meegebrachte tiewraps en tape;

- het eerste geweld tegen [slachtoffer] door [medeverdachte 1] werd gepleegd nadat ook de voeten waren getapet;

- er bedreigingen richting [slachtoffer] werden geuit en hem gevraagd werd waar het geld was;

- [medeverdachte 1] [slachtoffer] op zijn hoofd sloeg;

- [slachtoffer] toen begon te schreeuwen en er tape op zijn mond werd geplakt;

- [slachtoffer] hardhandig werd aangepakt en ze niets deden om [medeverdachte 1] te stoppen;

- [medeverdachte 1] een alarmpistool te voorschijn haalde en het wapen afschoot naast het hoofd van [slachtoffer], richting de grond;

- hij dat wapen al eerder had gezien en wist dat het mee was genomen voor het afschrikken;

- [verdachte] en [medeverdachte 1] weer naar het geld vroegen na het lossen van het schot;

- [medeverdachte 1] [slachtoffer] bij zijn haar vastpakte en hem met het hoofd op de bedrand sloeg;

- [slachtoffer] veel klappen tegen zijn hoofd kreeg van [medeverdachte 1];

- [medeverdachte 1] een meegebracht mes pakte en [slachtoffer] ermee in zijn rug stak;

- het mes helemaal in de rug van [slachtoffer] stak en [medeverdachte 1] het er weer uittrok;

- hij zag dat [slachtoffer] op eigen kracht in zitpositie kwam en de tiewraps en tape lostrok;

- [slachtoffer] de tape van zijn mond trok en dat er allemaal bloed uitkwam;

- [slachtoffer] schuin voorover wegzakte;

- hij hoorde dat [slachtoffer] zei: "ik ga dood, ik ga dood, ik ga dood";

- er een plas bloed op de grond lag;

- zij daarna de slaapkamer hebben verlaten;

- de fotocamera en de portemonnee die daar in keuken lagen, hij later terugzag in de auto;

- [medeverdachte 1] in de auto zei dat de man dood ging;

- hij er wel aan gedacht heeft om een ambulance te bellen, maar dat niet gedaan heeft omdat dan uit zou komen dat hij betrokken was bij iets ergs.

Medeplegen van gekwalificeerde doodslag

Door de verdediging is, zakelijk weergegeven, betoogd dat verdachte [verdachte] geen opzet op de dood van het slachtoffer had. Ter onderbouwing hiervan is het volgende naar voren gebracht. Medeverdachte [medeverdachte 1] is degene geweest die zomaar, geheel onverwachts, uit het niets met een mes het slachtoffer heeft gestoken. Het opzet van verdachte [verdachte] was alleen gericht op het bedreigen en beroven van de heer [slachtoffer]. De dood van het slachtoffer kwam in zijn plannen niet voor. Ook heeft de dood van [slachtoffer] niet gediend om de diefstal gemakkelijker te maken. Het steken met het mes was een opwelling van [medeverdachte 1] die los staat van de diefstal. Derhalve kan het primair ten laste gelegde niet bewezen worden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt dat verdachten samen het plan hebben opgevat om een overval te plegen waarbij geweld niet geschuwd werd. Zij maakten vooraf afspraken over het vastbinden en bedreigen van [slachtoffer].

Op de dag van de overval zijn zij met tiewraps, tape, een alarmpistool en messen naar de woning van [slachtoffer] gegaan. In de woning troffen zij, zoals verwacht, [slachtoffer] aan in zijn bed. [slachtoffer] werd meteen geslagen en, zoals afgesproken, vastgebonden en bedreigd. Hem werd steeds gevraagd waar het geld was. Medeverdachte [medeverdachte 1] sloeg [slachtoffer] op zijn hoofd. [slachtoffer] werd hardhandig aangepakt door medeverdachte [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] haalde een alarmpistool te voorschijn en schoot het wapen af naast het hoofd van [slachtoffer]. Vervolgens pakte hij het haar van [slachtoffer] vast en sloeg hem met het hoofd op de bedrand. Hij pakte een mes en stak [slachtoffer] in zijn rug.

[slachtoffer] kwam op eigen kracht in zitpositie en trok de tiewraps van zijn handen en tape los. Er kwam bloed uit zijn mond, hij zakte schuin voorover en zei: "ik ga dood, ik ga dood, ik ga dood".

De verdachten hebben [slachtoffer] zo achtergelaten in de slaapkamer, hebben de fotocamera en de portemonnee, die daar in keuken lagen, meegenomen en zijn vertrokken.

Gelet op alle omstandigheden kan niet gezegd worden dat verdachten naar [slachtoffer] toe zijn gegaan met het vooropgezet plan om hem te doden. Dat lag ook niet voor de hand nu kennelijk zijn medewerking nodig was bij het vinden naar het in de woning veronderstelde aanwezige geld. Het feit dat zij gemaskerd de woning betraden is eveneens een aanwijzing dat er geen vooropgezet plan bestond om [slachtoffer] van het leven te beroven. Maar wel hebben verdachten zich door bovenomschreven handelwijze naar het oordeel van het hof willens en wetens in de situatie begeven, waarin ernstig rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat er in meer of mindere mate daadwerkelijk geweld zou worden toegepast jegens het beoogde slachtoffer. Er was immers gespeculeerd over een grote buit, de verdachten waren helemaal vanuit Amsterdam naar [plaats] gereden, het alleenstaande slachtoffer bevond zich in een afgelegen woning waardoor de daders 'vrij spel' hadden, het slachtoffer zou worden vastgebonden, er waren messen meegenomen. Eenmaal in de slaapkamer is al snel duidelijk dat het niet bij vastbinden en dreigen blijft. [slachtoffer] wordt vrijwel direct na binnenkomst van het trio geslagen door [medeverdachte 1]. Naarmate de tijd verstrijkt en [slachtoffer] langer blijft volhouden niet over een kluis te beschikken nemen de aard en ernst van de jegens [slachtoffer] verrichte geweldshandelingen toe om uiteindelijk te culmineren in [medeverdachte 1]'s fatale steek in [slachtoffer]' rug met één van de meegebrachte messen.

Op grond van de hierboven omschreven gang van zaken, waarbij het hof de aard van de gedragingen van de verdachten betrekt en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, komt het hof tot het navolgende oordeel.

[verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben door hun optreden in gezamenlijkheid - op het moment dat medeverdachte [medeverdachte 1] fysiek geweld gebruikt tegen [slachtoffer]- willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte 1] nog meer geweld zou gaan gebruiken en met één van de meegebrachte messen zou gaan steken. Dat het gebruik van dodelijk geweld en de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] ook werd aanvaard door de verdachten, blijkt ook uit het feit dat zij [slachtoffer] zwaar gewond en (nog steeds aan zijn voeten) vastgebonden achterlaten zonder hulp voor hem in te roepen.

Gelet op het vorenstaande was er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij het opzet van verdachten niet alleen was gericht op het plegen van diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging, maar ook op het medeplegen van de de diefstal begunstigende doodslag, zoals omschreven in de tenlastelegging onder 1 primair.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in diens rug gestoken (ongeveer 14 centimeter diep) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en vergezeld van enig strafbaar feit, te weten het in de periode van 8 oktober 2006 tot en met 9 oktober 2006, te [plaats], in de gemeente [gemeente] in een woning gelegen aan de [straat] aldaar tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van een portefeuille met inhoud en een rijbewijs en een fotocamera, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen met die mededaders,

- die [slachtoffer] stevig heeft vastgepakt en/of in bedwang gehouden en

- die [slachtoffer] aan de enkels en polsen heeft gekneveld en

- die [slachtoffer] tape over de mond heeft geplakt en

- die [slachtoffer] messen en een vuurwapen heeft voorgehouden en/of getoond en

- met een vuurwapen een patroon heeft afgeschoten naast, althans in de onmiddellijke nabijheid van, die [slachtoffer] en

- die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt (onder meer met het hoofd op/tegen de bedrand)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag, vergezeld en gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het kader van een brute roofoverval is de heer [slachtoffer] door verdachte en zijn mededaders vastgebonden, geslagen, bedreigd, met het hoofd op de bedrand geslagen en tenslotte doodgestoken. Uit de verklaringen van verdachten blijkt dat het slachtoffer een afschuwelijke doodstrijd moet hebben gehad.

Door de doodslag hebben de daders onherstelbaar leed berokkend aan de naasten van het slachtoffer.

Dit feit heeft de rechtsorde ernstig geschokt en draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, anders dan zijn medeverdachte [medeverdachte 1], niet degene is geweest die het slachtoffer heeft gestoken. Ten voordele van verdachte is dat hij uiteindelijk niet in zijn ontkenning van de feiten heeft volhard en opening van zaken heeft gegeven. Anderzijds is zijn aandeel in de voorbereiding van de overval groter dan het aandeel van verdachte [medeverdachte 2].

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens (gewelddadige) vermogensdelicten.

In eerste aanleg heeft een onderzoek naar de persoon van de verdachte plaatsgevonden door psychiater R. Vriesema en psycholoog A. Warnaar. Hiervan is op respectievelijk 10 oktober 2007 en 30 oktober 2007 rapport opgemaakt. Zij concludeerden dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. In verband hiermee kan verdachte naar hun mening verdachte als (licht) verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. Zij achten de oplegging van de TBS-maatregel met voorwaarden aangewezen en indien dat niet uitvoerbaar is, de oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging.

Door de rechtbank is aan verdachte een gevangenisstraf van 15 jaren en - op basis van de rapporten van de psychiater Vriesema en de psycholoog Warnaar - de TBS-maatregel met dwangverpleging opgelegd.

Omtrent verdachtes persoon heeft in hoger beroep nieuw onderzoek plaatsgevonden.

J.H. van Renesse, psychiater, en P.A.E.M.T. Cremers, hebben verdachte, in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (hierna te noemen PBC), onderzocht en op 12 februari 2009 een Pro Justitia rapportage opgemaakt.

In dat rapport staat, onder meer, het volgende beschreven:

Verdachte heeft een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Hij vertoonde als kind al gedragsstoornissen. Behandelingen in jeugdinrichtingen en later in de Waag sorteerden geen enkel effect. Ten tijde van het ten laste gelegde leed hij weliswaar aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, maar het feit kan hem volledig worden toegerekend. Tijdens het plegen van het ten laste gelegde was hij namelijk niet belemmerd in zijn vermogen om keuzen en afwegingen te maken. Er kan geen advies worden gegeven over een behandeling of begeleiding in een strafrechtelijk kader.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal de oplegging van een gevangenisstraf van 12 jaren en de TBS-maatregel met dwangverpleging geëist.

Op basis van de conclusies van de onderzoekers van het PBC ligt, naar het oordeel van het hof, de oplegging van de TBS-maatregel niet in de rede. Het hof zal de TBS-maatregel derhalve niet opleggen.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende, met name gelet op de ernst van het feit en de eerdere veroordelingen van verdachte, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van veertien jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Redelijke termijn

Het hof zal de gevangenisstraf echter matigen, nu de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, in hoger beroep is overschreden.

Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in hoger beroep behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Verdachte heeft op 9 april 2008 hoger beroep ingesteld. De behandeling in hoger beroep is aangevangen op 18 september 2008 resulterende in de einduitspraak van heden. Derhalve is de behandeling in hoger beroep niet binnen twee jaar met een einduitspraak afgerond. De lange duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep is grotendeels het gevolg van onderzoekswensen van de verdediging van de medeverdachten en is niet aan verdachte te wijten.

Er is derhalve sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 2 jaren. Gelet hierop zal het hof de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 6 maanden verminderen, zodat de uiteindelijk op te leggen gevangenisstraf 13 jaren en 6 maanden in plaats van 14 jaren bedraagt.

Beslag

Het hof zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven zaken van verdachte nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (nabestaanden van de heer [slachtoffer])

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 8.507,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 7.560,28. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

tandenborstel, scheermesjes en handdoeken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (nabestaanden van de heer [slachtoffer])

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] (nabestaanden van de heer [slachtoffer]) terzake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 8.507,00 (achtduizend vijfhonderdzeven euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] (de nabestaanden van de heer [slachtoffer]), een bedrag te betalen van EUR 8.507,00 (achtduizend vijfhonderdzeven euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 77 (zevenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. W. Foppen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 20 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Nijhuis was buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.