Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV8938

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
BK 10/00212 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in de jaren 2006 en 2007 heeft voldaan aan het urencriterium en recht heeft op de zelfstandigenaftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 712
FutD 2012-0765
V-N Vandaag 2012/750
V-N 2012/32.26.8

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 10/00212 en 10/00213

uitspraakdatum: 13 maart 2012

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaken met nummers AWB 09/2947 en 09/2948 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank) van 19 augustus 2010 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen,

de Inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 9 mei 2009 en met aanslagnummer 0000.00.000.H.66 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2006 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.239. Bij beschikking heeft de inspecteur de heffingsrente vastgesteld op

€ 470.

1.2 Met dagtekening 9 mei 2009 en met aanslagnummer 0000.00.000.H.76 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.745. Bij beschikking heeft de Inspecteur de heffingsrente vastgesteld op € 250.

1.3 De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 16 november 2009 de onder 1.1 en 1.2 genoemde aanslagen en heffingsrentebeschikkingen gehandhaafd.

1.4 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 19 augustus 2010, verzonden op dezelfde datum, de tegen de uitspraken van de Inspecteur gerichte beroepen ongegrond verklaard.

1.5 Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. De hoger beroepschriften zijn op 22 september 2010 bij het Hof ingekomen. De hoger beroepschriften zijn aangevuld bij brieven van 21 oktober 2010 en 4 maart 2011. De Inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.6 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op de zaken betrekking hebben alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7 Ter zitting van 15 maart 2011 heeft het Hof de hoger beroepen behandeld. Op de zitting is mr. A als gemachtigde van belanghebbende verschenen. Namens de Inspecteur is B verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota en kopieën van agenda’s van 2006 en 2007 van belanghebbende overgelegd. De mondelinge behandeling is geschorst teneinde de Inspecteur in de gelegenheid te stellen te reageren op de pleitnota met bijlagen. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. De Inspecteur heeft gereageerd bij brief van 21 april 2011.

1.8 Ter zitting van 14 februari 2012 heeft het Hof de hoger beroepen verder behandeld. Op deze zitting is wederom mr. A als gemachtigde van belanghebbende verschenen. Namens de Inspecteur is weer B verschenen.

2. Feiten

Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen staat vermeld in de uitspraak van de Rechtbank. In die uitspraak zijn de feiten als volgt weergegeven (waarbij het Hof opmerkt dat de Rechtbank belanghebbende “eiser” noemt en de Inspecteur “verweerder”). Het Hof heeft de feiten vernummerd tot 2.1 tot en met 2.14.

“2.1 Eiser is geboren op 27 april 1962 en getrouwd.

2.2 Vanaf 1 januari 1998 is eiser werkzaam als beeldend kunstenaar (schilder, tekenaar, docent en performer). Eiser doet dit in de vorm van een eenmanszaak.

2.3 Tot en met het jaar 2006 was eiser in loondienst bij de Beroepsvereniging van beeldende kunstenaars (BBK). Eiser had een dienstbetrekking voor 32 uur per week. Tot de gedingstukken behoort een brief van 9 juli 2009 van de BBK waarin het bestuur van de BBK verklaart dat eiser 16 uur per week op het kantoor van de BBK werkzaam was en de overige uren naar eigen inzicht mocht invullen. De brief luidt - voor zover hier van belang - : "Buiten de 16 uur zijn er voor de BBK werkzaamheden verricht die gezien het gemengde karakter, ook als uren voor eigen werkzaamheden zouden kunnen gelden."

2.4 Eiser heeft gedurende het gehele jaar 2007 een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen. Tot de gedingstukken behoort een verklaring van 29 juli 2009 van een verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, waarin deze verklaart dat eiser toestemming heeft gekregen om tijdens zijn ziekteperiode te mogen werken aan zijn kunstenaarspraktijk.

2.5 Op 18 februari 2009 is verweerder een boekenonderzoek gestart bij eiser. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV over de jaren 2004 tot en met 2007. Het onderzoek is beperkt tot de juistheid van de in aftrek gebrachte zelfstandigenaftrek.

2.6 Van het onder 2.5 genoemde boekenonderzoek is een rapport opgemaakt welke dateert van 6 april 2009.

2.7 De opbrengsten over de jaren 2004 tot en met 2007 bedragen respectievelijk € 4.392, € 3.535, € 2.307 en € 1.179. De netto resultaten over de jaren 2004 tot en met 2007 bedragen respectievelijk -€ 779, -€ 180, -€ 4.828 en -€ 6.078.

2.8 Eiser heeft over de jaren 2006 en 2007 geen agenda bijgehouden. (Hof: dit punt is vervallen op grond van alsnog overgelegde kopieën van agenda’s).

2.9 In 2009 heeft eiser alsnog een urenspecificatie opgemaakt over de jaren 2006 en 2007, welke bij bezwaarschrift aan verweerder zijn overgelegd.

2.10 De onder 2.9 genoemde urenspecificaties zijn ingedeeld per maand en geven per maand aantallen uren welke volgens eiser besteed zijn aan zijn onderneming. Deze aantallen uren zijn wel gesorteerd per soort activiteit ("Galeriebezoek", "Atelier", "Acquisitie", "Afspraken", "Interviews" en "Acquisitie/afspraken"), doch niet opgesplitst naar dag dan wel naar bestede tijd per specifieke activiteit. Per activiteitsoort is de bestede tijd in uren in de betreffende maand vermeld.

2.11 Ingevolge de onder 2.9 genoemde specificaties heeft eiser de in 2006 aan zijn onderneming bestede tijd becijferd op 1.241 uren en in 2007 op 1.413 uren.

2.12 Volgens het tot de gedingstukken behorende curriculum vitae van eiser heeft in 2006 onder andere de volgende activiteit plaatsgevonden: "Brief aan god. De postbus waar mensen een brief aan God naar toe kunnen sturen. Het briefgeheim tussen God en mens zal worden gerespecteerd. De brieven worden volgend jaar op het Wad verbrandt waarna ze op zee worden uitgestrooid. Dit gebeurt in een installatie van natuurlijke materialen refererend aan de elementen vuur, water en wind." Eiser verrichtte dit project onbezoldigd.

2.13 Volgens het tot de gedingstukken behorende curriculum vitae van eiser hebben in 2007 onder andere de volgende activiteiten plaatsgevonden: "De verbranding van de brieven Postbus van God bij Paessens Moddergat, zie ook www.briefaangod.nl, diverse artperformances in een setting van kruisen met brieven op stille zaterdag. De brieven werden teruggegeven aan God of de natuurlijke krachten die ons leven bepalen of bepalend kunnen zijn" en " www.klaagzangen.nl: Klaagzangen. Een project over klagen als tweede Nederlandse natuur en cultuur. Hierover verschijnen in 2008 filmpjes op YouTube." Eiser verrichtte deze projecten onbezoldigd.

2.14 Op 19 oktober 2009 heeft tussen eiser en verweerder een hoorgesprek plaatsgevonden.”

3. Geschil en de standpunten van partijen in hoger beroep

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in de jaren 2006 en 2007 heeft voldaan aan het urencriterium en recht heeft op de zelfstandigenaftrek.

3.2 Belanghebbende verwijst naar de door hem bij brieven van 4 maart 2011 overgelegde urenspecificaties over de jaren 2006 en 2007 en de bij zijn pleitnota in hoger beroep overgelegde kopieën van agenda’s van 2006 en 2007. Hij is op grond daarvan van mening dat hij heeft aangetoond dat hij heeft voldaan aan het urencriterium.

Voorts beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel.

3.3 De Inspecteur is daarentegen van opvatting dat belanghebbende geen recht heeft op zelfstandigenaftrek. Hij voert daartoe - kort gezegd - primair aan dat belanghebbende met betrekking tot de jaren 2006 en 2007 niet voldaan heeft aan de op hem rustende bewijslast dat hij ten minste 1.225 uur in zijn onderneming heeft gewerkt. Voorts voert de Inspecteur aan dat de projecten 'Brief aan God' en 'Klaagzangen' niet verricht zijn in het kader van de onderneming van belanghebbende en dat de door belanghebbende aan deze projecten bestede uren niet meetellen voor het urencriterium. De Inspecteur ontkent dat door de Belastingdienst

rechtens te beschermen vertrouwen is gewekt naar belanghebbende inzake toepassing van de zelfstandigenaftrek.

3.4 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslagen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.5 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Ingevolge artikel 3.76, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) geldt de zelfstandigenaftrek - voor zover hier van belang - voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet.

4.2 Om aan het urencriterium te voldoen moet de belastingplichtige volgens artikel 3.6, eerste lid, van de Wet in ieder geval gedurende het kalenderjaar ten minste 1225 uren aan werkzaamheden besteden voor een of meer ondernemingen waaruit hij als ondernemer winst geniet.

4.3 Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur rust op belanghebbende de last om aannemelijk te maken dat hij in de onderhavige jaren voldeed aan het urencriterium. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij in elk van de jaren 2006 en 2007 ten minste 1.225 uren heeft besteed aan werkzaamheden voor de onderneming waaruit hij winst geniet. Hierbij gelden de volgende overwegingen.

De urenspecificaties (zie 3.2) zijn te weinig gespecificeerd, nu de bestede uren slechts per soort activiteit en getotaliseerd per maand zijn aangegeven (zie 2.10). Voorts berust het door belanghebbende gestelde aantal uren op een schatting achteraf (zie 2.9). De door belanghebbende in kopie overgelegde agenda’s zijn verder zodanig globaal ingevuld, dat op grond daarvan geen voldoende nauwkeurige urenopstelling kan worden gemaakt.

4.4 Nu belanghebbende niet aan de op hem rustende last om aannemelijk te maken met betrekking tot het urencriterium heeft voldaan (zie 4.3) en reeds om die reden geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek, kan naar het oordeel van het Hof in het midden blijven of belanghebbendes projecten 'Brief aan God' en 'Klaagzangen' wel of niet verricht zijn in het kader van zijn onderneming en of de door belanghebbende aan deze projecten bestede uren wel of niet meetellen voor het urencriterium.

4.5 Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift aangevoerd dat belanghebbende tot 2004 zonder overlegging van de nu gevorderde specificaties wel zelfstandigenaftrek kreeg. Het Hof is van oordeel dat het enkel volgen door de Inspecteur van de aangiften over vorige jaren, waarin niet uitdrukkelijk de toepasselijkheid van het urencriterium aan de orde is gesteld, over vorige jaren hem niet bindt voor latere jaren. Ook is de vraag naar het overleggen van een gespecificeerde urenverantwoording over de jaren 2006 en 2007 (in tegenstelling tot de jaren daarvoor) niet onredelijk te noemen.

4.6 Belanghebbende heeft in zijn pleitnota voor het Hof aangevoerd dat een controleur van de Belastingdienst in het verleden heeft meegedeeld dat het bijhouden van een eenvoudig kasboekje bij kunstenaars voldoende zou zijn en dat de urenadministratie ongenoemd is gebleven. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat uitspraken van de Belastingdienst over een kasboekje niet op de urenadministratie betrekking hadden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met zijn enkele stelling, tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de controleur van de Belastingdienst met eventuele opmerkingen ter zake van het bijhouden van een eenvoudig kasboekje bij kunstenaars rechtens te beschermen vertrouwen bij hem heeft gewekt inzake de wijze van bijhouden van een urenadministratie.

4.7 Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep in zoverre ongegrond.

4.8 Slotsom

Op grond van het vorenstaande zijn de hoger beroepen ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Huiskes, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 13 maart 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K.de Jong-Braaksma) (J. Huiskes)

Op 14 maart 2012 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.