Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV8274

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
200.100.309/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 359 jo 287 lid 1 RV WSNP-zaak. Beroepschrift bevat geen gronden. Aanvulling van gronden daarom ook niet mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 1 maart 2012

Zaaknummer 200.100.309

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Arrest in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Almere,

appellant,

hierna te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. G. Kuijper, kantoorhoudende te Almere.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 6 januari 2012 (geregistreerd onder rekestnummer: 190882/FT-RK 11.2094) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van [verzoeker] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem uit te spreken, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 januari 2012, heeft [verzoeker] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, binnengekomen bij de griffie van het hof op 10 februari 2012.

Ter zitting van 22 februari 2012 is de zaak behandeld. Verschenen is [verzoeker], bijgestaan door zijn advocaat.

De beoordeling

Inleiding

1. De rechtbank heeft het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen omdat uit de artikel 285 Fw-verklaring is gebleken dat er geen pogingen zijn ondernomen om met de schuldeisers van [verzoeker] tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Als grond voor het nalaten van het bedoelde minnelijk traject is enkel gegeven dat de schuldenpositie van [verzoeker] onduidelijk is in verband met het eigen huis. Ter zitting in eerste aanleg heeft [verzoeker] beaamd dat niet geprobeerd is een regeling met de schuldeisers te treffen omdat zijn hypothecaire verplichtingen te hoog zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring voor het achterwege laten van het minnelijk traject onvoldoende met redenen omkleed en had [verzoeker], alvorens de aanvraag schuldsanering in te dienen, eerst de mogelijkheden moeten onderzoeken om met de schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen. Dat dit niet is gedaan klemt volgens de rechtbank temeer omdat [verzoeker] momenteel voldoende loon uit arbeid in dienstverband ontvangt en dus geacht kan worden zijn schuldeisers een voorstel te kunnen doen voor een minnelijke regeling.

2. [verzoeker] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiertegen in hoger beroep gekomen.

De overwegingen

3. Op grond van artikel 359 in samenhang met artikel 287, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), dient het beroepschrift de gronden te bevatten waarop het hoger beroep berust. Een uitzondering op deze wettelijke bepaling kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden gemaakt worden, bijvoorbeeld indien in het beroepschrift een voorbehoud is gemaakt tot aanvulling der gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk, zoals het bestreden vonnis. In dat geval dient met bekwame spoed een aanvullend beroepschrift te worden ingediend.

4. In het beroepschrift van [verzoeker] - zoals ingediend door zijn advocaat op 12 januari 2012 - wordt uitdrukkelijk vermeld dat het beroepschrift geen gronden bevat in verband met de korte beroepstermijn. Ook wordt vermeld dat de gronden van het verzoek en de bijlagen spoedig zullen worden aangevuld. [verzoeker] heeft bij het beroepschrift het vonnis waarvan beroep overgelegd. Bij brief van 9 februari 2012 heeft (de advocaat van) [verzoeker] een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, ingediend. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van [verzoeker] verklaard dat hij het dossier van de rechtbank pas laat heeft ontvangen en dat hij op het moment van indiening van het beroepschrift nog niet over voldoende informatie beschikte. De advocaat is gelet hierop van mening dat hij niet op andere wijze kon handelen.

5. Het hof is van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 359 in samenhang met artikel 278 Rv, aangezien het beroepschrift - zoals ook in het beroepschrift wordt vermeld - geen grond(en) bevat waarop het beroep berust.

6. Met betrekking tot het "aanvullend beroepschrift" overweegt het hof als volgt. Vaste rechtspraak is dat, indien in het verzoekschrift waarmee het hoger beroep is ingesteld, een voorbehoud is gemaakt tot aanvulling of wijziging van de daarin geformuleerde beroepsgronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over de benodigde stukken uit eerste aanleg, de verzoeker na het verstrijken van de beroepstermijn de gronden van het beroep kan aanvullen en wijzigen, mits dit gronden betreft die niet bij het binnen de beroepstermijn ingediende verzoekschrift konden worden aangevoerd. Een dergelijk aanvullend verzoekschrift dient met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn als overeenstemmend met de wettelijke beroepstermijn heeft te gelden.

7. Nu het beroepschrift in het geheel geen gronden vermeldt, kan naar het oordeel van het hof ook geen sprake zijn van een aanvulling van de gronden in een aanvullend beroepschrift. Daarbij komt dat [verzoeker] bij de indiening van het beroepschrift in ieder geval over het vonnis waarvan beroep beschikte. [verzoeker]

heeft ook niet aangevoerd dat hij niet over een essentieel processtuk beschikte.

8. Ook als [verzoeker] in zijn beroepschrift wel een grond had aangevoerd, is het hof van oordeel dat het "aanvullend beroepschrift" niet tijdig is ingediend. Het aanvullend beroepschrift is immers vier weken na de indiening van het (pro forma) beroepschrift ingediend en dus niet met bekwame spoed als hiervoor onder rechtsoverweging 6 bedoeld.

9. Nu voor het overige ook niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden, is het hof van oordeel dat [verzoeker] niet kan worden ontvangen in het door hem ingestelde hoger beroep.

Slotsom

10. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 6 januari 2012.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter, G.M. van der Meer en D.J. Buijs, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 1 maart 2012 in bijzijn van de griffier.