Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV8250

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
200.079.590/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. In arbeidsovereenkomst geen regeling voor overwerk. Vraag of werknemer in dit geval recht op betaling heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0220
RAR 2012/78
Prg. 2012/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 6 maart 2012

Zaaknummer 200.079.590/01

(Zaaknr. kanton Heerenveen: 278490 / CV EXPL 09-1737)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudende te Leek,

tegen

Kitchen & Cook Holding B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: K&C,

advocaat: mr. N.H.M. Poort, kantoorhoudende te Heerenveen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 27 mei 2009, 25 november 2009 en 22 september 2010 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 20 december 2010 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen van 25 november 2009 en 22 september 2010, met dagvaarding van K&C tegen de zitting van 11 januari 2011.

De conclusie van de memorie van grieven, waarin [appellant] zijn oorspronkelijk eis heeft verminderd, luidt:

"te vernietigen de vonnissen d.d. 25 november 2009 en 22 september 2010 (…) en opnieuw rechtdoende, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde te veroordelen:

I. tot betaling aan appellant van een bedrag ad € 195,- netto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. tot betaling aan appellant van een bedrag ad € 3.562,50 bruto, zijnde een vergoeding voor de eiser gewerkte uren in de kookstudio van geïntimeerde, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. tot betaling aan appellant van een bedrag ad € 1.781,25 bruto alsmede € 97,50 netto, althans (subsidiair) in goede justitie te bepalen bedragen, terzake wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen vanaf 31 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. tot betaling van de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door K&C verweer gevoerd met als conclusie:

"de vonnissen van 25 november 2009 en 22 september 2010 (…) te bekrachtigen met veroordeling van appellant in de kosten van deze procedure."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten is niet gegriefd. Samen met wat in hoger beroep tussen partijen als vaststaand heeft te gelden, komen deze feiten, voor zover nog van belang, op het volgende neer.

1.1 [appellant] heeft in 2006 de besloten vennootschap Keukenstudio Noordwolde opgericht. Met deze vennootschap exploiteerde hij een keukenzaak met kookstudio op basis van een door hem bedacht concept, waarvoor hij een innovatieprijs heeft gekregen. Keukenstudio Noordwolde is op 27 mei 2008 in staat van faillissement verklaard.

1.2 [appellant] heeft investeerders gezocht voor een doorstart en deze gevonden in de heren [X] en [Y], die daartoe K&C hebben opgericht. K&C heeft de activa van Keukenstudio Noordwolde overgenomen.

1.3 [appellant] is per 1 juni 2008 als vestigingsdirecteur bij K&C in dienst getreden tegen een salaris van € 3.250,- bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag bij een werkweek van 40 uur. Hij was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken in het verkoopdeel en de kookstudio. Partijen hebben niets afgesproken omtrent eventueel overwerk.

1.4 Op 23 september 2008 hebben [appellant], [X] en [Y] overleg gehad, onder meer over de tegenvallende resultaten en de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van twee werknemers in deeltijd, onder wie de echtgenote van [appellant].

1.5 [appellant] heeft bij brief van 25 november 2008 zijn ontslag aangeboden. Omstreeks die tijd heeft hij aanspraak gemaakt op vergoeding voor overuren, door hem gemaakt als kok in de kookstudio. De arbeidsovereenkomst is per 4 december 2008 geëindigd.

1.6 K&C heeft een eindafrekening opgesteld waarin [appellant] zich niet kon vinden, onder meer omdat daarin niet een vergoeding is opgenomen voor 190 uur overwerk.

De vordering en beoordeling ervan in eerste aanleg

2. Voor zover nog van belang in appel heeft [appellant] aanspraak gemaakt op € 195,- netto te weinig betaald salaris door verrekening met een te hoog voorschot, op een bedrag van € 3.562,50 bruto voor overuren als kok in de kookstudio en op wettelijke verhoging en wettelijke rente.

3. De kantonrechter heeft [appellant] belast met bewijs van zijn stelling dat hij met K&C heeft gesproken over het aantrekken van een kok voor de kooksessies, en dat K&C hiervan heeft afgezien omdat het goedkoper was dat [appellant] deze werkzaamheden voor zijn rekening zou nemen.

4. Na het horen van getuigen in enquête en contra-enquête heeft de kantonrechter [appellant] niet in zijn bewijsopdracht geslaagd geacht en de vordering betreffende de overuren afgewezen. Het bedrag van € 195,- netto is toegewezen onder matiging van de wettelijke verhoging tot nihil, en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

De bespreking van de grieven

5. Met de grieven I en II komt [appellant] op tegen de bewijslastverdeling en de bewijsopdracht in het tussenvonnis van 25 november 2009. Hij stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op betaling voor overuren omdat in de arbeidsovereenkomst niets is bepaald omtrent overwerk en het salaris is gebaseerd op een werkweek van 40 uur. K&C dient aan te tonen dat het kokswerk valt onder de werkzaamheden van vestigingsdirecteur, aldus [appellant], die voorts bij gebrek aan wetenschap betwist dat hij de vrijheid had aanwezig te zijn wanneer het hem goed dunkte.

6. Een contractuele regeling tussen partijen omtrent een vergoeding bij overwerk ontbreekt. Gelet op Hoge Raad 2 april 1993, NJ 1993, 612 kan dan bij de uitleg van de arbeidsovereenkomst onder meer betekenis toekomen aan de functie van de werknemer en het daarmee samenhangende loonniveau. Daarbij ligt het, naar het oordeel van het hof, in de rede dat, zoals A-G Koopmans in zijn conclusie voor dit arrest heeft geschreven, leidinggevend personeel, of personeel dat verantwoordelijk is voor het reilen en zeilen van een deel van het bedrijf, er in het algemeen van zal uitgaan dat zijn werkurenregime niet erg strikt is, en dat onder omstandigheden een extra inzet wordt gevraagd waar geen extra beloning tegenover staat. Dit pleit derhalve niet voor het standpunt van [appellant].

Op grond van redelijkheid en billijkheid kan recht op vergoeding bestaan indien ten minste komt vast te staan dat de werkgever het overwerk heeft opgedragen aan de werknemer dan wel uit de omstandigheden van het geval blijkt dat de werkgever daarmee heeft ingestemd (HR 6 maart 1998, LJN: ZC2606). De bewijslast van die minimumvoorwaarde rust op de werknemer die de loonvordering instelt. De kantonrechter heeft dan ook terecht [appellant] met bewijs belast, nu hij zich in de dagvaarding in eerste aanleg op het standpunt stelde dat partijen hadden afgesproken dat [appellant] dat werk zou doen omdat zijn loon lager was dan dat van een in te huren kok, hoewel [appellant] verzuimd heeft om toe te lichten wanneer partijen deze afspraak zouden hebben gemaakt. Bovendien heeft [appellant] in repliek nog de stelling betrokken dat er zelfs een sollicitatieprocedure voor een kok was geweest. De kantonrechter heeft de bewijsopdracht gelet op die stellingen dan, naar het oordeel van het hof, nog beperkt gehouden.

De grieven I en II falen.

7. Grief III richt zich tegen de bewijswaardering door de kantonrechter in het eindvonnis. Deze grief wordt verworpen. [appellant] was belast met bewijs en aan zijn eigen verklaring als partijgetuige kent de wet in art. 164 lid 2 Rv slechts beperkte bewijskracht toe, namelijk alleen ter aanvulling van onvolledig bewijs. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat met de verklaringen van de door [appellant] voorgebrachte getuigen [getuige 1] en de echtgenote van [appellant] geen begin van bewijs is geleverd, dat -aangevuld met de eigen verklaring van [appellant]- tot geslaagde bewijslevering kan leiden. Noch [getuige 1], noch de echtgenote van [appellant] heeft verklaard dat uitdrukkelijk met K&C is gesproken over het aantrekken van een kok voor de kooksessies. [getuige 1] heeft slechts met [appellant] gesproken nadat zij een keer, zo begrijpt het hof, op goed geluk de zaak was binnengelopen op zoek naar werk. [getuige 2] heeft slechts kunnen verklaren dat haar man weer contact had opgenomen met [getuige 1] nadat haar man met [X] had gesproken. Over de inhoud van dat gesprek met [X] heeft zij niets verklaard.

De verklaringen van [X] en [Y] in contra-enquête bevatten evenmin elementen waarmee [appellant] zijn voordeel kon doen bij het hem opgedragen bewijs. Het hof deelt dan ook de conclusie van de kantonrechter dat [appellant] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd.

De grief faalt.

8. De matiging van de wettelijke verhoging tot nihil over het toewijsbare bedrag van € 195,- netto is aanleiding voor grief IV van [appellant].

Het hof deelt evenwel de motivering van de kantonrechter op dit punt: doel van de wettelijke verhoging is de werkgever een extra aansporing te geven tot het tijdig betalen van salaris. In dit geval gaat het niet om het periodiek verschuldigde salaris, maar om de eindafrekening waarbij discussie was over de hoogte van door [appellant] opgenomen voorschotten. Het hof tekent daarbij aan dat K&C daarvoor afhankelijk was van de administratie van (de echtgenote van) [appellant]. Naar het oordeel van het hof is onder deze omstandigheden geen aanleiding voor een wettelijke verhoging bovenop de verschuldigde wettelijke rente.

Ook deze grief faalt.

9. De grieven V en VI missen zelfstandige betekenis, nu zij opkomen tegen de overweging van de kantonrechter dat [appellant] als grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten, en tegen het dictum met die strekking. Deze grieven kunnen verder onbesproken blijven.

De slotsom.

10. De vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat volgens liquidatietarief: 1 punt, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van K&C tot aan deze uitspraak op € 649,- aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, voorzitter, R.A. Zuidema en

M.C.D. Boon-Niks en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 6 maart 2012 in bijzijn van de griffier.