Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV6683

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
200.096.087/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg verschillen van mening over de noodzaak van een ondertoezichtstelling. Moeder door vader neergestoken, waarvan kinderen getuige zijn geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 14 februari 2012

Zaaknummer 200.096.087

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de moeder],

wonende te [plaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.A. Kanning, kantoorhoudende te Purmerend,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Friesland en Flevoland, locatie Lelystad,

kantoorhoudende te Lelystad,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

Belanghebbenden:

1. [de vader],

voorheen verblijvende te Veenhuizen, thans verblijvende te [plaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C.J. Driessen, kantoorhoudende te Beers,

2. Bureau Jeugdzorg, agglomeratie Amsterdam,

kantoorhoudende te Amsterdam,

hierna te noemen: BJZ.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 22 juli 2011, verbeterd bij beschikking van 8 september 2011 (gegeven onder nummer 187980 / JL RK 11-643), heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [kind 3] (hierna: [kind 3]), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg, agglomeratie Amsterdam, met ingang van 22 juli 2011 voor de termijn van een jaar.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 24 oktober 2011, heeft de moeder verzocht de beschikking van 22 juli 2011 (welke is verbeterd bij beschikking van

8 september 2011) te vernietigen en opnieuw beslissende de raad niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek tot ondertoezichtstelling dan wel dit verzoek alsnog af te wijzen, met veroordeling van de raad in de kosten van dit geding.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld is er van de zijde van de raad geen verweerschrift binnengekomen. De raad heeft - bij brief van 10 november 2011 - medegedeeld ter zitting mondeling verweer te zullen voeren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 14 november 2011, heeft de vader het verzoek bestreden en verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder:

- een brief van 8 november 2011 met bijlage van mr. Kanning;

- een brief van 27 december 2011 van BJZ Flevoland;

- een brief van 6 januari 2012 met bijlage van mr. Kanning;

- een brief van 9 januari 2012 met bijlage van mr. Driessen;

- een brief van 11 januari 2012 met bijlage van mr. Driessen;

- een brief van 16 januari 2012 met bijlagen van mr. Driessen;

- een brief van 18 januari 2012 van BJZ;

- een brief van BJZ, binnengekomen bij het hof op 19 januari 2012; en

- een brief van 25 januari 2012 met bijlage van de raad.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [kind 1] zijn mening niet kenbaar gemaakt.

Ter zitting van 2 februari 2012 is de zaak behandeld. De moeder is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. Mr. Kanning heeft ter zitting voor haar opgetreden. De heer [Z] is namens de raad en mevrouw [X] en de heer [Y] zijn namens BJZ verschenen. De vader is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

BJZ heeft op verzoek van het hof ter zitting een kopie van de herstelbeschikking van 8 september 2011 overgelegd.

Nagekomen stuk

Op 3 februari 2012 is bij het hof nog binnengekomen een brief met bijlagen van mr. Driessen gedateerd op 1 februari 2012. Het hof zal op voornoemde brief met bijlagen geen acht slaan, nu deze in strijd met artikel 1.4.3. van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, te laat - te weten: na de zitting in hoger beroep - is binnengekomen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. De vader en de moeder zijn op 28 maart 1990 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de thans nog minderjarige [kind 1], [kind 2] en [kind 3] geboren. Uit het huwelijk is tevens de thans meerderjarige [kind 4] geboren. Het huwelijk is ontbonden op 28 juli 2010 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 december 2009 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Bij die beschikking - welke beschikking bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 juni 2010 is bekrachtigd - is de moeder met het eenhoofdig gezag over de kinderen belast en is het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen afgewezen. Voorts is bij die beschikking tevens een informatieregeling vastgesteld.

2. De vader zit gedetineerd wegens een strafbaar feit dat hij op 25 januari 2009 jegens de moeder heeft gepleegd. Hij heeft de moeder ernstig lichamelijk letsel toegebracht. De vader is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De kinderen hebben de vader sinds

25 januari 2009 niet meer gezien.

3. De kinderen zijn op 27 januari 2009 met spoed onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg, agglomeratie Amsterdam, aangezien zij er getuige van zijn geweest dat de vader heeft geprobeerd de moeder te doden. De ondertoezichtstelling van de kinderen is nadien steeds verlengd. De kinderen hebben tijdelijk - toen de moeder in [instelling] verbleef om psychisch te herstellen - bij hun tante (moederszijde) gewoond. De kinderen wonen sinds augustus 2010 weer samen met de moeder op een voor de vader geheim adres.

4. De ondertoezichtstelling van de kinderen is op 25 oktober 2010 door BJZ beëindigd, omdat er geen zorgen waren over de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen. Een omgangsregeling met de vader is destijds niet van de grond gekomen omdat de vader de schuld van zijn poging tot doodslag buiten zichzelf legde. BJZ heeft na overleg met de raad besloten dat het opzetten van een contact en/of omgangsregeling niet mogelijk was.

5. De raad heeft de kinderrechter op 4 juli 2011, ter zitting - ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek van de vader tot vaststelling van een contact en/of omgangsregeling - verzocht de kinderen onder toezicht te stellen.

6. Bij beschikking van 22 juli 2011 (gegeven onder nummer 180314 / FA RK 10-5309) heeft de rechtbank - op het verzoek van de vader tot vaststelling van een contact en/of omgangsregeling - bepaald dat de eventuele omgang tussen de vader en de kinderen in het kader van de ondertoezichtstelling door tussenkomst van de gezinsvoogd kan plaatsvinden.

7. Bij de verbeterde beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Het hoger beroep van de moeder richt zich tegen deze beslissing.

De ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek in hoger beroep

8. De moeder heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 22 juli 2011, nu de termijn van hoger beroep drie maanden later (te weten: op zaterdag 22 oktober 2011) is geëindigd en door de werking van de Algemene Termijnenwet met twee dagen is verlengd. Dat heeft tot gevolg dat indiening van het beroepschrift op maandag 24 oktober 2011 tijdig is geweest.

De ontvankelijkheid van de raad in het inleidend verzoek tot ondertoezichtstelling

9. De moeder stelt zich primair op het standpunt dat de Raad voor de Kinderbescherming, regio Friesland en Flevoland, locatie Lelystad, onbevoegd was om de rechtbank te verzoeken de ondertoezichtstelling van de kinderen uit te spreken, omdat de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem, - gelet op de woonplaats van de kinderen - bevoegd was een dergelijk verzoek in te dienen. De moeder is van mening dat de Raad voor de Kinderbescherming, regio Friesland en Flevoland, locatie Lelystad om die reden alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen.

10. Het hof is van oordeel dat de Raad voor de Kinderbescherming, regio Friesland en Flevoland, locatie Lelystad, bevoegd was om een verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen in te dienen, nu in de wet - in het bijzonder in artikel 1:254 lid 4 BW - niet het vereiste wordt gesteld dat het verzoek tot ondertoezichtstelling dient te worden ingediend door de vestiging van de Raad van de Kinderbescherming binnen welke regio de kinderen hun domicilie hebben.

De ondertoezichtstelling van de kinderen

11. Het hof is - met de moeder en BJZ - van oordeel dat zowel uit de beschikking ten aanzien van de ondertoezichtstelling (gegeven onder nummer 187980 / JL RK 11-643) als uit de beschikking ten aanzien van de door de vader verzochte omgangsregeling (gegeven onder nummer 180314 / FA RK 10-5309) kan worden afgeleid dat beoogd is een omgangsondertoezichtstelling uit te spreken. Zo heeft de rechtbank in de laatstgenoemde beschikking overwogen:

"De rechtbank is met de raad van oordeel dat het in het belang van de kinderen moet worden geacht dat, mocht er al sprake zijn van contact tussen de kinderen en de vader, dit zeer zorgvuldig en onder begeleiding dient te geschieden. In dat kader acht de rechtbank het gewenst dat de ondertoezichtstelling wordt uigesproken, met als doel een eventuele omgang te begeleiden. In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de belangen van de kinderen voldoende gewaarborgd in de persoon van de gezinsvoogd."

In de beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter overwogen:

"De kinderrechter komt op grond van het verzoek, de onderliggende stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht tot het oordeel dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd is nu de problemen bij het tot stand brengen of het uitvoeren van een eventuele omgangsregeling met de vader zodanige belastende conflicten of problemen kan opleveren voor de kinderen dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor de geestelijke belangen, en andere middelen in een vrijwillig kader - naar te voorzien is - zullen falen.

De kinderrechter is mede tot het oordeel gekomen op grond van het feit dat de kinderen - in het kader van een eventuele omgangsregeling met de vader - begeleiding behoeven. De gezinsvoogd kan voorwaarden stellen waaronder de omgang dient plaats te vinden met de vader, zulks kan niet in een vrijwillig kader."

12. Bij het opleggen van een ingrijpende kinderbeschermingsmaatregel als de ondertoezichtstelling, die voornamelijk tot doel heeft de eventuele omgang tussen de vader en de kinderen te begeleiden, moet aan de motivering van de toewijzing hoge eisen gesteld worden (zie HR 13-04-2001, LJN: AB1009).

13. Het opleggen van de maatregel van de ondertoezichtstelling kan gerechtvaardigd zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het tot stand brengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor de minderjarigen dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. Echter, de kinderrechter die de maatregel uitspreekt zal in zijn beschikking dienen aan te geven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat de minderjarigen zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Een dergelijke motivering ontbreekt in de beschikking waarvan beroep.

14. De zaak ligt thans in hoger beroep weer in zijn geheel ter beoordeling van het hof voor. Het hof zal dan ook 'ex nunc' dienen te beoordelen of de minderjarigen zodanig opgroeien, dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

15. Een ondertoezichtstelling van de kinderen is naar het oordeel van het hof - anders dan de moeder en BJZ - noodzakelijk om de bedreigde ontwikkeling in de geestelijke belangen van de kinderen af te wenden. BJZ stelt weliswaar dat het goed gaat met de kinderen in de opvoedingssituatie bij de moeder, doch het staat vast dat de kinderen een traumatische gebeurtenis hebben meegemaakt. Zo hebben de kinderen gezien dat de vader de moeder op 25 januari 2009 heeft neergestoken. De moeder heeft geruime tijd nodig gehad om daarvan lichamelijk en psychisch te herstellen. De kinderen hebben om die reden tot augustus 2010 bij hun tante (moederszijde) gewoond. Uit de evaluatieverslagen van BJZ van

18 augustus 2010 blijkt dat het noodzakelijk is om duidelijkheid te verkrijgen over wie de kinderen kan opvangen indien de moeder een psychose heeft en dat er zicht gehouden dient te worden op de moeder en haar 'stemmingen'. Het hof kwalificeert de opvoedingssituatie bij de moeder dan ook als (uiterst) kwetsbaar.

16. Gebleken is dat de vader op 24 januari 2012 vervroegd in vrijheid is gesteld. Hij wordt gecontroleerd door middel van een enkelband, maar kan zich redelijk vrij bewegen. De vader verblijft momenteel in [plaats] bij een vriend. De moeder en de kinderen wonen eveneens in [plaats] (op een voor de vader geheim adres). BJZ heeft verklaard dat de vader geen gebiedsbeperking heeft, zodat het risico bestaat dat de kinderen hem in [plaats] zouden kunnen tegenkomen. De vader heeft weliswaar ter zitting verklaard zich zoveel mogelijk buiten [plaats] te zullen begeven zodat het risico dat hij de kinderen zal tegenkomen kleiner zal zijn, maar de kans dat de vader de kinderen zal tegenkomen is naar het oordeel van het hof niet uit te sluiten.

17. Weliswaar heeft BJZ ter zitting verklaard dat het niet de taak van de gezinsvoogd, maar de taak van de politie is om een eventuele dreiging van de vader te voorkomen, doch deze stelling doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de geestelijke belangen van de kinderen. Het ontwikkelingsbelang van de kinderen wordt - zo stelt de raad in de aanvullende rapportage van 25 januari 2012 en ter zitting - bedreigd door de kwetsbaarheid en de gevoeligheid van de kinderen rondom het geweldsincident. Er ontstaat volgens de raad op het moment dat de vader vrij komt een geheel nieuwe situatie. De angst van de kinderen neemt toe. Het beeld van de vader bij de kinderen dient geactualiseerd te worden, doch zij krijgen thans geen informatie hierover van de vader of van derden, zodat zij niet in staat worden gesteld het beeld van de vader zo nodig bij te stellen. Er is weliswaar sprake geweest van een zeer ernstig geweldsincident, doch de kinderen hebben recht op een volledig beeld van de vader waarin plaats is voor positieve gevoelens en waarin ruimte wordt gegeven om ook de positieve gebeurtenissen in het verleden naar voren te halen. Het hof sluit niet uit dat deze positieve gevoelens ten opzichte van de vader er zijn. Het ontwikkelingsbelang van de kinderen is er volgens de raad niet per se mee gebaat dat de schuldige persoon zo ver mogelijk uit de buurt van de kinderen wordt gehouden. Gebleken is dat ook bij traumatische gebeurtenissen als deze het belangrijk voor kinderen is om het beeld van de betreffende ouder te kunnen actualiseren. Dit is een ingewikkeld proces dat in het ontwikkelingsbelang van de kinderen professioneel begeleid dient te worden. Het geweldsincident en de hieruit voortkomende angst dienen voor de kinderen een plek te krijgen. Het is onduidelijk in hoeverre de vrijlating van de vader spanningen bij de moeder en de kinderen zal oproepen en hoe de vader zich richting de moeder en de kinderen zal gedragen. Daarenboven heeft het hof zorgen over de draagkracht van de moeder, gelet op haar psychische gesteldheid. De vader heeft ter zitting aangegeven, hetgeen door BJZ en de raad ook niet is weersproken, dat de moeder ook in de tijd dat partijen nog getrouwd waren, regelmatig 'uitviel' binnen het gezin ten gevolge van psychische/psychiatrische problematiek, hetgeen een zware wissel trok op het gezin. De gezinsvoogd zou in deze situatie een belangrijke ondersteunende, coachende en sturende rol kunnen en dienen te spelen.

18. De raad is niet van mening dat er onmiddellijk gestart zou moeten worden met omgang tussen de vader en de kinderen. De kinderen moeten volgens de raad echter wel de mogelijkheid krijgen - waarbij rekening dient te worden gehouden met het (individuele) tempo van de kinderen - om een eigen beeld van de vader te kunnen vormen. Niet uitgesloten is dat het ene kind eerder behoefte heeft aan informatie over de vader of (schriftelijke of mondeling) contact met de vader, dan het andere kind. Vaststaat dat er vooralsnog geen informatie - door de moeder of de gezinsvoogd - richting de vader is verstrekt ten aanzien van de kinderen en eveneens geen informatie - door de moeder of de gezinsvoogd - richting de kinderen ten aanzien van de vader. Het hof is van oordeel dat de gezinsvoogd ervoor dient te zorgen dat de vader op de hoogte blijft van de ontwikkelingen van de kinderen, nu de moeder aangeeft niet aan haar informatieverplichting te kunnen voldoen.

19. Het hof dient te beslissen op basis van zeer summiere informatie over de gezinssituatie in het verleden en de achtergronden van het delict van de vader. Het is onduidelijk hoe de gezinssituatie er in het verleden heeft uitgezien en in hoeverre de kinderen de vader zouden willen zien. Als de verklaring van de vader ter zitting juist is - te weten: dat hij door de psychoses van de moeder in het verleden vaak de zorg voor de kinderen en de moeder op zich heeft genomen - is het voor de kinderen des te schokkender dat zij helemaal geen contact hebben met de vader. De raad geeft ook aan niet te begrijpen waarom er bij de kinderen thans geen ruimte meer bestaat voor omgang met de vader terwijl daar medio 2010 wel ruimte voor bestond.

20. De moeder is weliswaar in staat om hulpverlening voor zichzelf en de kinderen in te schakelen, doch deze hulpverlening is enkel gericht op een onderdeel uit het verleden (te weten: traumaverwerking). Het is naar het oordeel van het hof juist van belang dat er hulpverlening wordt ingeschakeld die gericht is op het heden en de toekomst, in relatie tot de positie van de vader ten opzichte van de kinderen. Gebleken is dat de moeder niet in staat is dergelijke hulpverlening voor zichzelf en de kinderen in te schakelen. Zij geeft slechts aan dat zij en de kinderen de traumatische gebeurtenis nog lang niet hebben verwerkt en dat de situatie nog te recent en te pril is. Echter, ook al zou er geen sprake zijn van contact met de vader, dan is het - zoals hiervoor aangegeven - sowieso in het belang van de kinderen dat zij zich opnieuw een eigen beeld van de vader kunnen vormen. Het hof is van oordeel dat nu aannemelijk is dat hulpverlening op een belangrijk onderdeel in het vrijwillig kader zal falen, een ondertoezichtstelling noodzakelijk is ter afwending van de bedreiging van de geestelijke ontwikkeling van de kinderen.

21. Nu de raad en BJZ professioneel van mening verschillen over de noodzaak van een ondertoezichtstelling van de kinderen, kan het hof zich voorstellen dat deze beschikking van het hof voor BJZ reden kan zijn om de rechtbank te verzoeken om de zaak over te dragen aan een andere (gezinsvoogdij)instelling.

De proceskosten

22. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt dat de proceskosten in geschillen als het onderhavige worden gecompenseerd.

Slotsom

23. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep, met verbetering van gronden, te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, voorzitter, A.W. Beversluis en J.G. Idsardi, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 februari 2012 in bijzijn van de griffier.