Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV6416

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
200.066.788/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appartementsrecht. Vordering van de VvE tot betaling van de in de vergadering van de VvE vastgestelde financiële bijdragen. Beroep op nietigheid van de betreffende besluiten verworpen. Beroep op verjaring ten aanzien van deel van de vordering gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 21 februari 2012

Zaaknummer 200.066.788/01

(Zaaknr. kanton Groningen: 416626/CV EXPL 09-11914)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. A.C. Winter, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[de VvE],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de VvE,

advocaat: mr. A. Schippers, kantoorhoudende te Den Haag.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 29 juni 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Er is een comparitie van partijen gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Hierna heeft [appellante] een memorie van grieven, houdende vier grieven, genomen met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen d.d. 7 januari 2010 met zaaknummer 416626 \ CV EXPL 09-11914 gewezen vonnis, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vorderingen van geïntimeerde alsnog af te wijzen, zo nodig onder aanvulling van de gronden, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties."

De VvE heeft een memorie van antwoord, tevens houdende vermindering van eis, genomen met als conclusie:

"bij arrest, voor zoveel en zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) Het vonnis van 7 januari 2010 van de Rechtbank te Groningen, sector kanton, locatie Groningen met zaaknummer 416626 \ CV EXPL 09-11914 tussen [appellante] als gedaagde en de VVE als eiser te bekrachtigen, met dien verstande dat op de vordering een bedrag ad € 412,60 in mindering gebracht wordt;

b) [appellante] te veroordelen - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van beide instanties."

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

De feiten

1. Omtrent de door de kantonrechter in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.5) vastgestelde feiten bestaat tussen partijen geen geschil, behoudens voor zover hierna ten aanzien van grief I zal worden overwogen.

2. Grief I houdt in dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat de VvE een vereniging van eigenaren is die al jaren actief is.

3. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante], mede in het licht van de door haar in eerste aanleg bij antwoord overgelegde stukken, onvoldoende onderbouwd bestreden dat de VvE al jaren actief is. Voor zover [appellante] betwist dat zij ervan op de hoogte was dat de VvE actief was, komt dit aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het geschil.

4. Grief I faalt derhalve.

5. Grief II, eerste deel houdt in dat de rechtbank onder 4.5 ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] reeds op 17 maart 2003 door de VvE is aangeschreven. [appellante] betwist dat zij deze brief heeft ontvangen.

6. Nu [appellante] de ontvangst van de brief van 17 maart 2003 betwist, zal het hof deze ontvangst niet op voorhand als vaststaand aannemen.

7. Grief II, tweede deel houdt in dat de kantonrechter onder 4.5 ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] bij brief van 8 juni 2009 is uitgenodigd voor de vergadering van 17 juni 2009.

8. De VvE heeft als productie 4 bij de memorie van antwoord een uitnodigingsbrief d.d. 8 juni 2009 overgelegd. Nu [appellante] nog niet op deze productie heeft kunnen reageren, zal het hof niet op voorhand als vaststaand aannemen dat [appellante] voor de vergadering van 17 juni 2009 is uitgenodigd.

9. In zoverre slaagt grief II.

10. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, staat het volgende tussen partijen vast.

10.1. De VvE is een vereniging van eigenaren die al jaren actief is.

[appellante] is eigenaar van het appartementsrecht, rechtgevend op uitsluitend gebruik van de garage, staande en gelegen te [plaats] aan het adres [adres 1] [de kantonrechter spreekt als gevolg van een kennelijke vergissing over [A-straat]], welke garage deel uitmaakt van de onroerende zaak ten behoeve waarvan de VvE is opgericht. [appellante] is van rechtswege lid van de VvE.

10.2. Op 9 juli 2009 heeft [appellante] de (concept-)notulen van de ledenvergadering van 17 juni 2009 alsmede het op 17 juni 2009 vastgestelde huishoudelijk reglement ontvangen.

10.3. Uit de notulen van 17 juni 2009 blijkt dat de financiële bijdragen door de vergadering van de VvE conform het daartoe gedane voorstel ongewijzigd zijn vastgesteld.

Het geschil

11. Het gaat in dit geding om het volgende.

De VvE vordert dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van de in de vergadering van de VvE vastgestelde bijdragen, in eerste aanleg berekend op een bedrag van € 2.173,83 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg, zijnde 21 juli 2009. Daarnaast vordert zij een bedrag van € 178,54 voor rente tot 21 juli 2009, een bedrag van 350,91 voor incassokosten en een bedrag van € 66,67 voor BTW over de incassokosten. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen, met dien verstande dat zij ter zake van de buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 357.- inclusief BTW heeft toegewezen.

12. Bij memorie van antwoord heeft de VvE naar aanleiding van grief IV haar vordering verminderd tot een bedrag van € 2.173,83 - € 412,60 = € 1.761,23 in hoofdsom. In zoverre heeft [appellante] geen belang meer bij de behandeling van grief IV.

13. Voor zover thans nog aan de orde voert [appellante] de volgende verweren tegen de vordering (grieven III en IV).

Primair beroept zij zich op nietigheid van de besluiten van de VvE waarin de financiële bijdragen zijn vastgesteld, wegens strijd met de akte van splitsing. Hieraan legt zij ten grondslag dat zij niet in de gelegenheid is gesteld mee te beslissen over hetgeen in de vergaderingen aan de orde is geweest. Zij stelt dat zij pas in 2010 is uitgenodigd voor het bijwonen van een algemene vergadering. Zij betwist de uitnodigingsbrief d.d. 8 juni 2009 te hebben ontvangen. Voorts stelt zij dat zij pas op 4 oktober 2008 voor het eerst is aangeschreven om de door de VvE vastgestelde bedragen te betalen. Zij betwist dat ze de brief van 17 maart 2003 heeft ontvangen.

Subsidiair beroept zij zich op verjaring van de vordering over de periode van juli 2000 tot juli 2004. Daarbij stelt zij dat de dagvaarding d.d. 21 juli 2009 als stuitingshandeling kan worden aangemerkt.

14. Met betrekking tot het subsidiaire verweer beroept de VvE zich op de brief van 17 maart 2003 als stuitingshandeling. Zij erkent dat haar vordering over de periode van juli 2000 tot en met februari 2001 is verjaard, nu de brief d.d. 4 oktober 2008 niet binnen de verjaringstermijn van vijf jaar na de brief van 17 maart 2003 is verzonden. De VvE stelt dan ook primair aanspraak te maken op de betaling van de VvE-bijdragen van maart 2001 tot en met juli 2009 en subsidiair op de VvE- bijdragen van oktober 2003 tot en met juli 2009 (memorie van antwoord, sub 29), overigens zonder haar eis dienovereenkomstig te verminderen.

Met betrekking tot het primaire verweer

15. Het hof overweegt als volgt.

Op grond van art. 5:129 en 130 jo. 2:14 en 15 BW levert strijd met het splitsingsreglement vernietigbaarheid van besluiten op wanneer het gaat om strijd met bepalingen die de totstandkoming daarvan regelen. Nog daargelaten dat [appellante] de strijd met het splitsingsreglement niet nader onderbouwt, had zij binnen een maand nadat zij heeft kennis genomen dan wel kennis heeft kunnen nemen van de betreffende besluiten, bij de kantonrechter de vernietiging daarvan moeten vorderen. In casu was [appellante] in ieder geval op 4 oktober 2008 bekend met de hoogte van de door de VvE vastgestelde bijdragen en had zij de daaraan ten grondslag liggende besluiten kunnen opvragen. Zij heeft toen echter geen actie ondernomen. Ook niet nadat zij de concept-notulen van de vergadering van de VvE d.d. 8 juni 2009 toegezonden heeft gekregen. Nu zij niet binnen de wettelijke termijn van een maand de vernietiging van de betreffende besluiten heeft verzocht, kan zij de vernietiging niet meer inroepen, ook niet bij wijze van verweer in de onderhavige procedure.

16. In zoverre falen de grieven III en IV.

Met betrekking tot het subsidiaire verweer

17. Indien de verjaring al is gestuit bij brief van 17 maart 2003, dan nog is de vordering over de periode juli 2000 t/m februari 2003 op 17 maart 2008 verjaard indien in de tussengelegen periode geen stuiting heeft plaatsgevonden. Nu de brief van 4 oktober 2008 de eerstvolgende stuitingshandeling is, is de vordering over de periode juli 2000 t/m september 2003 verjaard. Het hof kan dan ook in het midden laten of [appellante] de brief van 17 maart 2003 heeft ontvangen. Ook kan het hof voorbijgaan aan de door de VvE gemaakte rekenfout in de optelsom in de brief van 17 maart 2003, in verband waarmee de VvE haar eis in hoger beroep heeft verminderd, aangezien deze optelsom betrekking heeft op het verjaarde gedeelte van de vordering.

18. Grief IV slaagt ten dele.

19. Het vorenoverwogene brengt mee dat [appellante] het volgende verschuldigd is aan de VvE (zie conclusie van antwoord, bijlage 4).

19.1. Over de periode oktober tot en met december 2003 is zij verschuldigd: 3 x € 14,98 = € 44,94.

19.2. Over de jaren 2004 tot en met 2008 is zij verschuldigd: 5 x € 210,- = € 1.050,-.

Over de maanden januari tot en met juli 2009 is zij verschuldigd: 7 x € 17,50 = € 122,50.

19.3. Dit levert een totaalbedrag op van € 1.217,44. Het hof zal de wettelijke rente over dit bedrag toewijzen vanaf 21 juli 2009. Eventueel daarvóór verschuldigd geraakte rente valt op grond van het gestelde niet vast te stellen, zodat deze niet voor toewijzing in aanmerking komt.

19.4. Bovendien is [appellante] een bedrag van € 357,- ter zake van buitengerechtelijke kosten verschuldigd, nu zij tegen de toewijzing van dit bedrag door de kantonrechter niet (afzonderlijk) heeft gegriefd. Dit brengt het in totaal toe te wijzen bedrag op € 1.574,44.

De slotsom

20. Het vonnis d.d. 7 januari 2010 waarvan beroep dient te worden vernietigd. Het hof zal [appellante] veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de VvE te betalen een bedrag van € 1.574,44, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.217,44 vanaf 21 juli 2009 tot aan de dag van algehele voldoening.

21. Nu partijen in hoger beroep over en weer ten dele in het ongelijk zullen worden gesteld, dient iedere partij de eigen kosten van het geding in beide instanties te dragen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis d.d. 7 januari 2010 waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de VvE te betalen een bedrag van € 1.574,44, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.217,44 vanaf 21 juli 2009 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in beide instanties dient te dragen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, L. Janse en G. Van Rijssen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 21 februari 2012 in bijzijn van de griffier.