Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV3468

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2012
Datum publicatie
09-02-2012
Zaaknummer
200.091.835/01 en 200.091.921/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging erkenning op grond van dwaling. Artikel 1:205 lid 1. sub b en C, BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2012/79 met annotatie van I.J. Pieters
PFR-Updates.nl 2012-0120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 2 februari 2012

Zaaknummers 200.091.835 en 200.091.921

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaken van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant in de zaak onder nummer 200.091.835,

geïntimeerde in de zaak onder nummer 200.091.921,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.I.T. Manderfeld, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[de vrouw/de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante in de zaak onder nummer 200.091.921,

geïntimeerde in de zaak onder nummer 200.091.835,

hierna te noemen: de vrouw, dan wel de moeder,

advocaat mr. E. Leentjes, kantoorhoudende te Groningen,

Belanghebbende:

mr. [Y],

advocaat kantoorhoudende te Groningen,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator van

[kind 1],

hierna te noemen: de bijzondere curator.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 10 mei 2011 heeft de rechtbank Groningen beide verzoeken, zowel het verzoek van de vrouw als het (zelfstandig) verzoek van de man, om de erkenning door de man van de minderjarige [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], te vernietigen op grond van dwaling aan de zijde van de vrouw respectievelijk aan de zijde van de man, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Zowel de man als de vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 10 mei 2011 van de rechtbank Groningen.

200.091.835

Het hoger beroep van de man is geregistreerd onder zaaknummer 200.091.835.

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 8 augustus 2011, heeft de man verzocht de beschikking van 10 mei 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende

- drs. [X], gevestigd te [plaats] aan de [adres] te benoemen tot bijzondere curator ten behoeve van [kind 1];

- de erkenning door de man van de minderjarige [kind 1] te vernietigen op grond van dwaling, omdat de man in september 2010 door middel van een DNA test heeft vernomen dat hij niet de verwekker is van voornoemde minderjarige.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 19 september 2011, heeft de vrouw verzocht om het beroepschrift van de man gegrond te verklaren, in die zin dat ze, naast benoeming van drs. [X] tot bijzondere curator over [kind 1], verzocht heeft het (zelfstandig) verzoek van de man in eerste aanleg tot vernietiging van de erkenning door de man van [kind 1], alsnog toe te wijzen.

200.091.921

Het hoger beroep van de vrouw is geregistreerd onder zaaknummer 200.091.921.

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 9 augustus 2011, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 10 mei 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende

I. Mw. drs. [X], gevestigd te [plaats] aan de [adres] te benoemen tot bijzondere curator over de minderjarige [kind 1];

II. het verzoek van de vrouw in eerste aanleg tot vernietiging van de erkenning door de man van de minderjarige [kind 1] alsnog toe te wijzen.

De man heeft bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 15 augustus 2011, hetzelfde verzocht als weergegeven in het petitum van zijn beroepschrift.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder

- een brief van 9 augustus 2011 respectievelijk van 12 augustus 2011 van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) met als bijlage het raadsrapport d.d. 11 januari 2010;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank d.d. 5 april 2011, aan het hof door beide advocaten toegezonden bij brieven van 6 september 2011;

- een brief van 9 november 2011 van mr. [Y] met het verzoek om hem de in zijn dossier onbrekende processtukken toe te zenden;

- een fax van 30 november 2011 met bijlage van mr. [Y], tevens als een brief binnengekomen op 1 december 2011;

- een fax van 7 december 2011 van mr. Manderfeld met het verzoek drs. [X] tot de mondelinge behandeling toe te laten zodat zij (primair) kan worden benoemd tot bijzondere curator en zich ter zitting kan uitlaten of (subsidiair) als deskundige kan worden gehoord;

- een fax van 7 december 2011 van mr. Leentjes.

Ter zitting van 13 december 2011 zijn beide zaken gezamenlijk behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. Manderfeld, de vrouw, bijgestaan door mr. Leentjes en de bijzondere curator mr. [Y]. Drs. [X] is met toestemming van partijen tot de zitting toegelaten.

De beoordeling

1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond. Tijdens deze relatie is op [geboortedatum] [kind 1] geboren. [kind 1] is op 27 maart 2007, voor haar geboorte, door de man erkend. De relatie is in mei 2010 beëindigd.

2. Blijkens het rapport van Sanquin Diagnostiek te Amsterdam van 18 augustus 2010 met betrekking tot het vaderschapsonderzoek is de man niet de biologische vader van [kind 1].

3. De vrouw heeft op 24 december 2010 bij inleidend verzoekschrift de rechtbank Groningen verzocht een bijzondere curator te benoemen ten behoeve van [kind 1] en de erkenning door de man van [kind 1] op grond van dwaling, gelegen in de persoon van de man als verwekker van [kind 1], te vernietigen.

4. De man heeft zich tegen het verzoek van de vrouw verweerd en heeft bij wege van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht de erkenning van [kind 1] te vernietigen op grond van dwaling, omdat hij door middel van DNA test heeft moeten vernemen dat hij niet de biologische vader is van [kind 1].

5. Bij beschikking van 1 februari 2011 is door de rechtbank Groningen tot bijzondere curator over [kind 1] benoemd mr. [Y], advocaat te Groningen.

6. Bij beschikking van 10 mei 2011 heeft de rechtbank beslist zoals weergegeven onder "Het geding in eerste aanleg".

Verzoek tot benoeming van bijzondere curator

7. Het verzoek van partijen in hoger beroep betreffende de benoeming van drs. [X], gevestigd te [plaats] aan de [adres] tot bijzondere curator ten behoeve van [kind 1] is ter zitting van 13 december 2011 behandeld voorafgaand aan de behandeling betreffende het verzoek van partijen strekkende tot vernietiging van de erkenning.

8. Gehoord hebbende de standpunten van de man, de vrouw en de bijzondere curator, mr. [Y], heeft het hof na schorsing en beraadslaging omtrent dit verzoek ter zitting van 13 december 2011 uitspraak gedaan. Zowel het verzoek van de man als van de vrouw in deze is door het hof (op processuele gronden) afgewezen.

9. Op grond van artikel 1:212 Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een minderjarige in zaken van afstamming wordt vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist.

10. Mr. [Y] is tot bijzondere curator over [kind 1] door de rechtbank Groningen benoemd bij beschikking van 1 februari 2011. De vrouw noch de man zijn in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking daar ze - zoals ter zitting door partijen naar voren is gebracht - destijds nog geen reden hebben gezien om tegen deze benoeming te appelleren. Het door de man en de vrouw bij het hof op 8 augustus 2011 (onder zaaknummer 200.091.835) respectievelijk 9 augustus 2011 (onder zaaknummer 200.091.921) ingestelde hoger beroep kan niet leiden tot vernietiging van de beschikking van 1 februari 2011. Beide beroepschriften zijn, voor zover gericht tegen de benoeming van mr. [Y] tot bijzondere curator over [kind 1], niet tijdig, te weten buiten de in artikel 806 Rv genoemde termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak ingediend. Het verzoek van de man en de vrouw in deze dient dan ook reeds daarom te worden afgewezen.

11. Indien het verzoek van partijen moet worden gezien als een verzoek tot wijziging van de persoon van de bijzondere curator is, daargelaten de vraag of een dergelijk verzoek voor het eerst in hoger beroep mogelijk is, het hof van oordeel dat er geen aanwijzigen zijn dat mr. [Y] zijn taken als bijzondere curator niet goed verricht. De omstandigheid dat hij het in eerste aanleg niet eens was met de ouders over de afstammingskwestie, maakt hem niet ongeschikt als bijzondere curator voor [kind 1]. Een bijzondere curator behartigt immers de belangen van het kind en moet zich, juist gelet op de aard van zijn taken in deze, zelfstandig en onafhankelijk van de ouders een oordeel kunnen vormen over de afstammingskwestie.

Het verzoek om drs. [X] te horen als een deskundige

12. Ook het verzoek van partijen om drs. [X] over de afstammingskwestie te horen als deskundige, door mr. Manderfeld bij het hof ingediend bij faxbericht van 7 december 2011 en bij faxbericht van 7 december 2011 bevestigd door mr. Leentjes, is door het hof, gehoord de standpunten van de man, de vrouw en de bijzondere curator, ter zitting van 13 december 2011 afgewezen.

13. Het hof begrijpt dat drs. [X] in de uitoefening van haar rol als bijzondere curator van [kind 1] als zodanig door de rechtbank Haarlem benoemd in de procedure tussen partijen betreffende de zorgregeling en het gezag over [kind 1], een bemiddelende rol heeft gespeeld en dat partijen onder haar begeleiding tot elkaar zijn gekomen, hetgeen heeft geleid tot het opstellen van een vaststellingsovereenkomst. Haar benoeming tot bijzondere curator van [kind 1] en haar deskundigheid als kinderpsychologe en orthopedagoge geven echter geen aanleiding om drs. [X] in deze zaak, waar het gaat om de afstamming van [kind 1], een adviserende rol toe te kennen. Het hof overweegt daarbij dat de verschillende standpunten duidelijk naar voren zijn gekomen en dat het hof zich, gelet op het verhandelde ter zitting, voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen.

Het verzoek tot vernietiging erkenning

14. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank overwogen dat naar haar oordeel er in casu geen sprake is van dwaling aan de zijde van de vrouw.

De vrouw is het niet eens met deze beslissing. Zij benadrukt dat ze tijdens haar zwangerschap, na de geboorte en tijdens de eerste levensjaren van [kind 1] nooit getwijfeld heeft aan het biologisch vaderschap van de man. Zo stelt de vrouw dat ze tijdens haar relatie met de man eenmalig seksueel contact heeft gehad met een andere man in een naar haar mening onvruchtbare periode, terwijl bovendien een voorbehoedmiddel is gebruikt. De twijfel omtrent het vaderschap ontstond bij haar pas nadat zij in de periode februari tot en met mei 2010 gesprekken heeft gevoerd met een psycholoog, waarbij onder andere de band tussen [kind 1] en de man werd besproken. Pas vanaf het moment dat door DNA onderzoek bij rapport van 18 augustus 2010 is vastgesteld dat de man niet de biologische vader van [kind 1] kan zijn, wist de vrouw en overigens ook de man dat [kind 1] niet het biologische kind is van de man. De vrouw stelt dat als zij had geweten dat de man niet de biologische vader was van [kind 1] zij geen toestemming had gegeven tot erkenning.

De vrouw stelt dat de biologische vader van [kind 1] inmiddels door haar is geïnformeerd over zijn vaderschap en dat deze positief hierop heeft gereageerd en graag wil kennismaken met [kind 1] en een band met haar wil opbouwen.

De vrouw stelt dat de vernietiging van de erkenning in het belang van [kind 1] is omdat daardoor de mogelijkheid ontstaat dat [kind 1] erkend kan worden door haar biologische vader en met hem een band op kan bouwen. De vrouw wijst erop dat er daarnaast ook de mogelijkheid ontstaat dat [kind 1] erkend wordt door haar huidige partner, die feitelijk de rol van vader op zich neemt door [kind 1] te verzorgen en op te voeden. Zij stelt dat deze relatie bestendig is en dat haar partner ook bereid is [kind 1] te erkennen, voor het geval de biologische vader hiertoe om hem moverende redenen niet toe over zou willen gaan.

De vrouw wijst daarbij op de vaststellingsovereenkomst van juli 2011 tussen partijen waaruit volgt dat de man niet langer aanspraak zal maken op omgang met [kind 1], zodat [kind 1] thans niets meer van de man heeft te verwachten, in die zin dat hij geen rol meer zal spelen bij haar verzorging en opvoeding.

15. De man stelt gedwaald te hebben ten aanzien van zijn vaderschap en stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het belang van [kind 1] (thans) meebrengt dat zijn erkenning niet wordt vernietigd. De man heeft een moeizaam proces van acceptatie doorstaan. Hij heeft moeite gehad te accepteren dat hij niet de vader van [kind 1] is, en vervolgens dat hij haar niet meer mocht zien. Hij wijst er op dat hij een weloverwogen beslissing heeft genomen ten aanzien van zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning. Thans ziet hij in dat de spanningen tussen partijen niet goed zijn voor [kind 1]. Hij gunt haar rust en ziet af van contact met haar. [kind 1] is heel jong en hij heeft [kind 1] lange tijd niet meer gezien. De man gaat ervan uit dat hij in het leven van [kind 1] niets meer kan betekenen. [kind 1] heeft nu een heel ander leven en een andere gezinssituatie en de man acht het verwarrend voor [kind 1] als ook hij nog een rol in haar leven zal spelen.

16. De bijzondere curator wijst er op dat [kind 1] de eerste jaren van haar leven door de man is opgevoed en dat deze heeft gefungeerd als haar vader, aan welke situatie een eind is gekomen door het conflict tussen de partijen.

Waar de man in de procedure bij de rechtbank nog twijfelde en, aldus de bijzondere curator, zijn mening nog niet volledig had gevormd, is de situatie thans zo dat [kind 1] de man al meer dan een jaar niet heeft gezien, terwijl de man zich nu duidelijk op het standpunt stelt dat voor hem geen rol als vader is weggelegd. Gelet hierop acht de bijzondere curator het thans, anders dan in de procedure bij de rechtbank, in het belang van [kind 1] dat de erkenning wordt vernietigd, mede nu het tot spanningen (voor [kind 1]) zal leiden als de man de juridische vader van [kind 1] zou blijven.

17. Uit artikel 1:205 lid 1, sub b en c, BW volgt dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, kan worden ingediend -voor zover hier van belang- door de erkenner, indien hij door dwaling daartoe is bewogen, alsmede door de moeder indien zij door dwaling bewogen is toestemming tot erkenning te geven, in beide gevallen binnen een jaar nadat zij de dwaling hebben ontdekt.

18. Het hof zal eerst het verzoek van de man beoordelen.

19. Geldende jurisprudentie is dat voor een op dwaling gegrond verzoek tot vernietiging van de erkenning geldt, dat het verzoek niet voor toewijzing vatbaar is ingeval bij de erkenner geen sprake is geweest van een valse voorstelling van zaken. Die voorstelling van zaken ziet toe op het biologische vaderschap.

20. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof er van overtuigd geraakt dat de man voorafgaand aan de erkenning niet het vermoeden had of kon hebben dat hij niet de biologische vader van [kind 1] was. De bevindingen van het DNA-onderzoek waren voor de man (zeer) confronterend. De man heeft jarenlang voor [kind 1], als zijde zijn dochter, voor haar gezorgd en om die reden heeft de man er aanvankelijk voor gestreden om niet uit het leven van [kind 1] te verdwijnen. Thans is de situatie echter zo dat de man van mening is dat het niet in het belang van [kind 1] is dat de strijd tussen partijen voortduurt. Hij gunt [kind 1] haar rust en ziet af van verder contact. De man heeft ter zitting benadrukt dat hij dit een weloverwogen keuze is en voor hem nu vaststaat dat [kind 1] niets meer van hem heeft te verwachten, zodat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid en het belang van [kind 1] is om de juridische band in stand te laten.

21. Het hof is van oordeel dat aan de zijde van de man sprake is geweest van dwaling. Nu het belang van [kind 1] - gelet op de inmiddels gewijzigde situatie - zich daar ook niet tegen verzet zal de beschikking waarvan beroep worden vernietigd.

Nu het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning wordt toegewezen, kan het (gelijkluidende) verzoek van de vrouw bij gebreke van een belang bij beoordeling van haar verzoek, onbesproken blijven.

De slotsom

22. Gelet op het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

stelt vast dat ter zitting van dit hof van 13 december 2011 de verzoeken van de man van 8 augustus 2011 (onder zaaknummer 200.091.835) en van de vrouw van 9 augustus 2011 (onder zaaknummer 200.091.921) tot benoeming van drs. [X], gevestigd te [plaats] aan de [adres] tot bijzondere curator ten behoeve van [kind 1] alsmede het door de vrouw op 7 december 2011 gedane (subsidiaire) verzoek tot benoeming van drs. [X] voornoemd te horen als deskundige, zijn afgewezen;

in zaaknummer 200.091.835 en 200.091.921:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

vernietigt de erkenning door de man gedaan op 27 maart 2007 van de minderjarige [kind 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos (voorzitter), M.P. den Hollander en I.A. Vermeulen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 februari 2012 in bijzijn van de griffier.