Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV3464

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2012
Datum publicatie
09-02-2012
Zaaknummer
200.099.369/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing machtiging uithuisplaatsing. Het hof is er in deze fase van de hulpverlening nog niet van overtuigd dat de hulp en begeleiding in het kader van de ondertoezichtstelling niet toereikend zullen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 2 februari 2012

Zaaknummer: 200.099.369

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.D. Mensing van Charante, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Friesland en Flevoland,

kantoorhoudende te Lelystad,

hierna te noemen: de raad,

Belanghebbenden:

Bureau Jeugdzorg Flevoland,

kantoorhoudende te Lelystad,

hierna te noemen: BJZ,

[de stiefvader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de stiefvader.

Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 24 november 2011, gewezen onder nummer 191780 / JL RK 11-996, is voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling machtiging tot uithuisplaatsing in een crisisvoorziening verleend voor de minderjarigen:

- [kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] (hierna: [kind 1]);

- [kind 2], geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] (hierna: [kind 2]); en

- [kind 3], geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] (hierna: [kind 3]).

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift gericht aan het hof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, binnengekomen op de griffie van dat hof op 27 december 2011, heeft de moeder verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad tot verlening van de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen alsnog af te wijzen.

Bij beschikking van 28 december 2011 heeft het hof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zich onbevoegd verklaard van de zaak kennis te nemen en de zaak doorverwezen naar het hof Leeuwarden als bevoegde instantie, waarna de procedure is voortgezet in de stand waarin deze zich bevond.

Bij verweerschrift, binnengekomen bij het hof op 13 januari 2012, heeft de raad het verzoek van de moeder bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het verzoek met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brieven met bijlagen van mr. Mensing van Charante van respectievelijk 12 januari 2012 en 13 januari 2012 die eveneens per fax verzonden zijn.

De minderjarigen [kind 1] en [kind 2] zijn voorafgaand aan de zitting op 17 januari 2012 gehoord door een raadsheer-commissaris.

Ter zitting van 17 januari 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de stiefvader, mw. [X] namens de raad en heer [Y] namens BJZ

De beoordeling

Feiten en achtergronden

1. De (biologische) vader van de tweeling [kind 1] en [kind 2], de heer [de biologische vader], is op [datum] overleden. [kind 3] is in 2002 geboren uit de relatie tussen de moeder en de stiefvader. Het gezag over alle drie kinderen berust bij de moeder.

2. De raad is in juli 2011 (opnieuw) een onderzoek gestart naar de opvoedingssituatie van de kinderen omdat door verschillende instanties daar zorgen over zijn gemeld.

3. Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de voormelde rechtbank op

9 november 2011, heeft de raad de kinderrechter verzocht om de drie kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht te stellen van BJZ en voorts, nu zulks dringend en onverwijld noodzakelijk is, om een voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden uit te spreken en machtiging uithuisplaatsing voor plaatsing in een crisisopvang te verlenen. Ter toelichting heeft de raad onder meer verwezen naar zijn rapport van bevindingen van 9 november 2011 en opgemerkt dat de veiligheid van de kinderen in het geding is omdat bij de moeder sprake is van het Münchhausen by proxy syndroom.

4. Bij beschikking van de kinderrechter in de voormelde rechtbank van 9 november 2011 zijn de minderjarigen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] op de voet van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor de duur van drie maanden voorlopig onder toezicht gesteld van BJZ. Tevens is daarbij een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor crisisopvang met ingang van 9 november 2011.

5. De kinderrechter heeft het verzoek behandeld ter terechtzitting op 24 november 2011 en vervolgens dezelfde dag, bij de hier bestreden beschikking, machtiging tot uithuisplaatsing verleend ten behoeve van de drie kinderen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, met ingang van 26 november 2011.

6. De moeder heeft, onder aanvoering van drie grieven (genummerd I, II en IV), hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 24 november 2011. De grieven strekken tot betoog dat de kinderrechter zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, dat onvoldoende grond bestaat voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing en dat de kinderen juist door de uithuisplaatsing worden geschaad in hun veiligheid en gezondheid.

7. De raad heeft in zijn verweerschrift het standpunt van de moeder gemotiveerd bestreden en acht de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk omdat de kinderen zich in beschadigende omstandigheden bevinden die hun gezondheid, veiligheid en sociaal-emotionele ontwikkeling ernstig bedreigen.

De overwegingen van het hof

8. Ter beoordeling staat de machtiging tot uithuisplaatsing in een crisisvoorziening van de minderjarigen [kind 1], [kind 2] en [kind 3], voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling (9 februari 2012).

9. Het hof stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing een ingrijpende maatregel is die slechts dan gerechtvaardigd is als een minder verstrekkende maatregel niet toereikend is of zal zijn ter afwending van de ontwikkelingsbedreiging(en) van de kinderen.

10. De raad heeft het hof in dit verband niet kunnen overtuigen van de noodzaak van de in geding zijnde machtiging, bedoeld in artikel 1:261 lid 1 BW. Het hof overweegt daartoe het volgende.

11. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting bestaat zeker reden tot ernstige zorg over de opvoedingssituatie van de kinderen bij de moeder (en de stiefvader), mede gelet op de diverse zorgmeldingen die er in de loop der jaren van diverse kanten zijn geuit. Het hof is er in deze fase van hulpverlening echter nog niet van overtuigd dat de hulp en begeleiding in het kader van de lopende (voorlopige) ondertoezichtstelling, niet toereikend zal zijn ter afwending van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen.

12. De ontwikkelingsbedreiging is door de raad ter zitting van het hof aldus toegelicht dat de moeder overmatig bezorgd is over de kinderen, zich uitend in onder meer het veelvuldig bevestiging vragen aan verschillende artsen betreffende (vermeende) aandoeningen bij de kinderen en het beperken van de kinderen in hun vrijheid en ontwikkeling. De moeder communiceert volgens de raad moeilijk en haakt af wanneer een hulpverlener niet mee gaat in haar visie, waarna zij op zoek gaat naar een hulpverlener die wel mee gaat in haar visie.

13. Aan het onderhavige verzoek tot verlening van machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen heeft de raad met name ten grondslag gelegd dat bij de moeder sprake is van het Münchhausen by proxy syndroom en dat het niet mogelijk is om daarover op adequate wijze met de moeder in contact te treden.

14. Voor zover de raad aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd dat bij de moeder sprake is van het Münchhausen by proxy syndroom, dan wel dat het (ernstige) vermoeden daartoe bestaat, en dat daarom sprake is van een ernstig en acuut veiligheidsrisico voor de kinderen, ontbreekt daarvoor naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwing. Terecht heeft de moeder erop gewezen dat een belangrijk deel van de bij de kinderen geconstateerde aandoeningen dan wel diagnoses, berust op onderzoeken en verklaringen van artsen. Voorts is de door de raad aangekondigde 'second opinion' met betrekking tot de medische gesteldheid van de kinderen nog niet voorhanden.

15. Het hof onderschrijft dat de manier van communiceren van de moeder

- zij is zeer strijdvaardig en wordt dikwijls ook als intimiderend en schofferend ervaren in haar bejegening - de noodzakelijke hulp en begeleiding bemoeilijkt en de nodige behendigheid en professionaliteit vergt van de betrokken hulpverlener. Voor de conclusie dat de moeder structureel niet openstaat voor hulp en begeleiding, bestaat echter op dit moment onvoldoende grond. Zo heeft de moeder diverse verklaringen van hulpverleners overgelegd die voornoemde conclusie weerleggen en heeft zij ter zitting verklaard dat zij onvoorwaardelijk zal meewerken aan de ophanden zijnde 'second opinion' betreffende de medische gesteldheid van de kinderen. Van de betrokken professionele hulpverleners mag naar het oordeel van het hof voorts enige inspanning worden verlangd waar het gaat om de communicatie met de moeder, gelet op de belangen van de kinderen. Het voorgaande sluit niet uit dat op termijn wel de hiervoor bedoelde conclusie moet worden getrokken indien mocht blijken dat de moeder door haar opstelling de voor de ontwikkeling van de kinderen noodzakelijke hulp en begeleiding onmogelijk maakt, echter dat is op dit moment (nog) niet het geval.

16. Het hof acht op grond van de beschikbare gegevens wel aannemelijk dat de moeder, al dan niet vanuit haar overbezorgdheid, aandoeningen overdrijft, soms ook voorwendt, en op die manier de kinderen onnodig belast en sociaal isoleert. Het hof is met de raad van oordeel dat dit schadelijk is voor de ontwikkeling van de kinderen. Aan het terugdringen van de medicalisering en inkapseling van de kinderen door de moeder, dient dan ook in het kader van de ondertoezichtstelling te worden gewerkt.

17. Het hof wijst de moeder er nadrukkelijk op dat zij haar gedrag ingrijpend zal hebben aan te passen, bij gebreke waarvan wellicht niet alsnog aan uithuisplaatsing kan worden ontkomen.

18. Ook de overige zorgpunten waar de raad in zijn rapport van 9 november 2011 en in het verweerschrift op heeft gewezen, waaronder bijvoorbeeld het feit dat [kind 1] en [kind 2] niet weten dat wijlen de heer [de biologische vader] hun biologische vader is en de passieve rol van de stiefvader in het geheel, maken de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen op dit moment niet noodzakelijk, omdat ook aan die punten in het kader van de ondertoezichtstelling kan worden gewerkt. BJZ kan in het kader van de ondertoezichtstelling zo nodig schriftelijke aanwijzingen geven aan de moeder, gericht op het belang van de kinderen.

De slotsom

19. Het voorgaande betekent dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat het hof opnieuw zal beslissen als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad van 24 november 2011 waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijst af het verzoek van de raad tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van de voornoemde minderjarigen in een voorziening voor crisisopvang.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, A.W. Beversluis en D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 2 februari 2012 in bijzijn van de griffier.