Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV3437

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
09-02-2012
Zaaknummer
200.048.397-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ5283, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering van bank uit hoofde van kredietovereenkomst grotendeels afgewezen. Bank is tekortgeschoten in zorgplicht jegens 18-jarige vrouw, die samen met partner van 35 jaar oud kredietovereenkomst heeft gesloten. Grootste deel van geleende bedrag is aangewend voor aflossing van schulden van man. Waarschuwingsplicht. Overfinanciering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2012/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 7 februari 2012

Zaaknummer 200.048.397/01

(Zaaknummer rechtbank: 91942 / HA ZA 08-809)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te IJlst,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. A.J. Bakhuijsen, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

IDM Financieringen B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: IDM,

advocaat: mr. R. Dijkema, kantoorhoudende te Hilversum.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 11 oktober 2011 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellante] heeft een akte uitlating producties genomen. IDM heeft een antwoordakte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

Vaststaande feiten

1. Het hof ziet aanleiding de feiten opnieuw vast te stellen.

1.1. [appellante] heeft een relatie gehad met [ex-partner]. [appellante] (geboren [in 1984]) en [ex-partner] (geboren [in 1968]) woonden vanaf ongeveer begin 2002 samen.

1.2. Omstreeks maart/april 2003 hebben [appellante] en [ex-partner] contact gezocht met AFAB Geldservice (hierna: AFAB) over het afsluiten van een doorlopend krediet. Een medewerker van AFAB heeft hen toen thuis bezocht. Naar aanleiding van het contact met AFAB is een aanvraag voor het aangaan van een overeenkomst van doorlopend krediet bij IDM ingediend.

1.3. IDM heeft bij de beoordeling van deze aanvraag gebruik gemaakt van een formulier “Aanvraag Consumptief (EUR)” waarop gegevens zijn ingevuld over de persoonlijke situatie van [appellante] en [ex-partner]. Op het formulier is onder meer aangegeven dat sprake is van een koopwoning met een hypotheeklast van

€ 502,00 per maand en van vijf leningen/kredieten tot een totaalbedrag van

- afgerond - € 80.000,00. Van deze leningen zullen er drie, tot een totaalbedrag van ruim € 49.000,00, worden “overgesloten”, waarna twee leningen met een totale hoofdsom van € 31.000,00 en een maandlast van € 186,00 per maand resteren. Verder is op het formulier vermeld dat [ex-partner] een netto slaris van

€ 2.300,00 per maand en [appellante] van € 1.273,00 per maand ontvangt. Over het dienstverband van [appellante] is vermeld dat het een vast dienstverband betreft bij [uitgeverij]. In de rubriek “opmerkingen” is onder meer vermeld:

“Max. belast met lopende verplichtingen.

Mw. Kort dienstverband “

[appellante] en [ex-partner] hebben ten behoeve van de kredietaanvraag kopieën van dagschriften van hun bankrekeningen van eind maart 2003 verstrekt, waaruit blijkt welk salaris zij die maand hebben ontvangen. [appellante] heeft ook een loonstrook over de maand maart 2003 verstrekt.

1.4. Omstreeks 17 april 2003 is een overeenkomst doorlopend krediet gesloten tussen IDM als kredietgever en [appellante] en [ex-partner] als kredietnemers, waarbij krediet is verleend tot een maximumbedrag van € 68.000,00. De overeenkomst is vastgelegd in een op 17 april 2003 gedateerd schriftelijk contract. In dit contract is onder meer bepaald dat [appellante] en [ex-partner] IDM opdracht geven om van het bedrag van € 68.000,00 ruim € 49.000,00 aan te wenden ten behoeve van de aflossing van drie schulden en dat het restant, € 18.293,00 zal worden uitbetaald op een rekening ten name van [ex-partner]. [appellante] en [ex-partner] zijn krachtens de overeenkomst over het opgenomen krediet maandelijks een kredietvergoeding van 0,770% verschuldigd, welk percentage door IDM kan worden gewijzigd. Zij dienen gedurende de eerste vijf jaren over het opgenomen krediet maandelijks tenminste de verschuldigde kredietvergoeding aan IDM te betalen, voor het eerst op 31 mei 2003.

1.5. Op de kredietovereenkomst zijn de “Algemene Voorwaarden IDM BANK N.V. d.d. 01-12-2011” (hierna: algemene voorwaarden) van toepassing. Op grond van artikel 3.1 van deze algemene voorwaarden zijn [appellante] en [ex-partner] hoofdelijk verbonden voor de gehele schuld aan IDM. Op grond van artikel 6 aanhef en onder a van de voorwaarden is IDM gerechtigd om betaling ineens te eisen van het krachtens de overeenkomst verschuldigde wanneer de kredietnemer meer dan twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn betalingsverplichting.

1.6. De relatie tussen [appellante] en [ex-partner] is verbroken.

1.7. [appellante] en [ex-partner] zijn gedurende meer dan twee maanden achterstallig gebleven met de betaling van de verschuldigde termijnbedragen, ondanks herhaalde aanmaningen door IDM. IDM heeft de schuld van [appellante] en [ex-partner] per 17 september 2008 berekend op € 84.529,79.

1.8. Op [ex-partner] is de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. De schuldsaneringsregeling is nadien tussentijds beëindigd, waarna [ex-partner] in staat van faillissement is verklaard.

Procedure in eerste aanleg

2. IDM heeft [appellante] gedagvaard en betaling gevorderd van een bedrag van

€ 84.529,79 (de schuld per 17 september 2008), incassokosten, rente en proceskosten. [appellante] heeft verweer gevoerd. Zij heeft zich beroepen op de vernietigbaarheid van de kredietovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden. Daartoe heeft zij gesteld dat zij door onervarenheid bewogen is tot het sluiten van de overeenkomst. Ook heeft [appellante] aangevoerd dat IDM haar zorgplicht als kredietverlener heeft geschonden door haar niet adequaat te informeren over de risico’s van het ondertekenen van de kredietovereenkomst en door na te laten een risicoprofiel te maken.

3. De rechtbank heeft de verweren van [appellante] verworpen en de vorderingen van IDM integraal toegewezen.

Bespreking van de grieven

4. Met grief I komt [appellante] op tegen een onderdeel van de vaststelling van de feiten door de rechtbank. Nu het hof de feiten zelfstandig heeft vastgesteld, heeft [appellante] geen belang meer bij de bespreking van deze grief.

5. In eerste aanleg heeft [appellante] primair een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de kredietovereenkomst vanwege misbruik van omstandigheden. De rechtbank heeft dat beroep verworpen. Hoewel grief II zich keert tegen de overweging waarin de rechtbank het beroep op misbruik van omstandigheden heeft verworpen, begrijpt het hof deze grief, gelet op de toelichting, zo dat [appellante] niet zo zeer opkomt tegen het verwerpen van het beroep op misbruik van omstandigheden, maar veeleer tegen het verwerpen door de rechtbank van het beroep op schending van de zorgplicht door IDM. In de memorie van grieven stelt [appellante] de schending van de zorgplicht centraal. Haar onervarenheid bij het aangaan van de kredietovereenkomst is, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellante] in appel, een aspect dat dient te worden meegewogen bij het antwoord op de vraag of IDM in de gegeven omstandigheden aan haar zorgplicht heeft voldaan. Niet voor niets hebben grief II en grief III, die zich keert tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep op schending van de zorgplicht, een gezamenlijke toelichting. Het hof zal deze beide grieven, samen met grief IV, die zich keert tegen het toewijzen van de vorderingen en geen zelfstandige betekenis heeft, gezamenlijk bespreken.

6. [appellante] meent dat IDM haar zorgplicht heeft geschonden. Volgens [appellante] is allereerst sprake van overfinanciering. Wanneer volledig rekening zou mogen worden gehouden met haar inkomen, gold een kredietmaximum van € 75.000,00, terwijl de kredietschulden van [appellante] en [ex-partner] na het aangaan van de overeenkomst ruim € 98.000,00 bedroegen. Bovendien is volgens [appellante] ten onrechte rekening gehouden met haar inkomen, nu zij, [appellante], een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar had. [appellante] heeft haar stelling over het maximale te lenen bedrag onderbouwd met een door InterBank gebruikt rekenmodel.

[appellante] wijst er vervolgens op dat IDM haar informatieverplichting heeft geschonden door niet te wijzen op de risico’s die [appellante] liep door het aangaan van de overeenkomst. De overeenkomst leidde ertoe dat [appellante] ook aansprakelijk werd voor de privéschulden van [ex-partner], die 17 jaar ouder was dan de ten tijde van het aangaan van de overeenkomst net 18 jarige [appellante]. IDM heeft [appellante] ten onrechte niet op die consequenties gewezen, stelt [appellante].

7. IDM heeft betwist dat van overkreditering sprake is geweest. Zij heeft daartoe verwezen naar twee zogenaamde VKM (verantwoord krediet maximum) berekeningen, door haar bij memorie van antwoord overgelegd. Uitgaande van een netto maandinkomen van [ex-partner] van € 2.327,00 en van [appellante] van

€ 1.020,00, een maandelijkse hypotheeklast van € 514,00 en maandlasten van

€ 185,85 voor de niet afgeloste schulden, komt één van die berekeningen uit op een bedrag van € 88.149,11. Dat is, stelt IDM, aanzienlijk hoger dan het geleende bedrag van € 68.000,00. Wanneer geen rekening wordt gehouden met een vast dienstverband voor [appellante], maar met een tijdelijk dienstverband, is volgens de andere berekening het verantwoorde leenbedrag € 75.624,08.

IDM heeft ook betwist dat zij in haar informatieverplichting is tekortgeschoten. De kredietovereenkomst was van eenvoudige aard en het was [appellante] (dan ook) duidelijk welke betalingsverplichtingen zij met het sluiten van het krediet aanging. Voor het aangaan van de overeenkomst was geen bijzondere ervaring vereist. Als bij [appellante] al sprake was van onervarenheid, hoefde dat haar, IDM, niet duidelijk te zijn, meent IDM.

8. Het hof stelt bij de bespreking van de grieven voorop dat op IDM als kredietverstrekker ook in 2003 de verplichting rustte om de kredietnemer te informeren over de gevolgen van het aangaan van de kredietovereenkomst en over de daaruit voor de kredietnemer voortvloeiende risico’s. Deze zorgplicht strekt ertoe particulieren te beschermen tegen eigen lichtvaardigheid en gebrek aan inzicht. De omvang van deze zorgplicht is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, zoals de deskundigheid en ervaring van de kredietnemer en de ingewikkeldheid en risico’s van het kredietproduct.

Bovendien rustte op IDM als kredietverlener ook in 2003, toen de kredietovereenkomst tot stand kwam, de verplichting om na te gaan of de kredietnemer voldoende kredietwaardig is. Wanneer geen sprake is van voldoende kredietwaardigheid, dient de kredietverlener zijn wederpartij daarvan in kennis te stellen en te adviseren de overeenkomst niet aan te gaan (een en ander uiteraard ongeacht de bevoegdheid van de kredietgever om ter bescherming van het eigen belang op correcte nakoming te weigeren de overeenkomst aan te gaan).

Wanneer een kredietgever in zijn zorgplicht is tekortgeschoten, kan dat er, zoals IDM terecht opmerkt, onder meer toe leiden dat artikel 6:248 lid 2 BW aan toewijzing van de vordering tot (volledige) terugbetaling van het geleende bedrag in de weg staat.

9. Tussen partijen staat niet ter discussie dat (de vertegenwoordiger van) IDM [appellante] voor of bij het sluiten van de kredietovereenkomst niet heeft gewezen op de consequenties voor haar van het (mede) aangaan van de overeenkomst. Volgens IDM was dat, gelet op het eenvoudige karakter van de kredietovereenkomst ook niet nodig.

10. Aan IDM kan worden toegegeven dat de kredietovereenkomst zelf een betrekkelijk eenvoudig karakter heeft. Het is duidelijk wat het kredietbedrag is en welke rente maandelijks dient te worden betaald aan IDM. Het krediet werd, naar IDM bekend was, echter grotendeels aangewend voor het aflossen van schulden van [ex-partner] tot een totaalbedrag van ruim € 49.000,00. In de kredietovereenkomst is dat ook uitdrukkelijk vermeld. Het aangaan van de kredietovereenkomst had voor [appellante] dan ook tot gevolg dat zij de facto aansprakelijk werd voor deze privé-schulden van [ex-partner]. Het kredietbedrag kon om die reden maar zeer ten dele - tot een bedrag van € 18.293,00 - worden aangewend voor bestedingen ten behoeve van [appellante] en [ex-partner] samen. Het aangaan van de kredietovereenkomst met deze bestemming, was dan ook zeer onvoordelig voor [appellante]. Zij werd hoofdelijk aansprakelijk voor een schuld van € 68.000,00 en kon daartegenover slechts (samen met [ex-partner]) beschikken over een bedrag van € 18.293,00, ongeveer 27% van het totale bedrag. Dit onvoordelige karakter van de kredietovereenkomst voor [appellante] was IDM kenbaar. IDM was immers bekend met het feit dat het grootste deel van het krediet werd aangewend ter aflossing van de schulden uit geldleningen van [ex-partner]. Deze aanwending was zelfs overeengekomen. Uit het door IDM bij het aangaan van de kredietovereenkomst gebruikte aanvraagformulier volgt ook dat de leningen op naam van [ex-partner], en niet op naam van [appellante], stonden.

11. Ten tijde van het aangaan van de kredietovereenkomst was [appellante] 18 jaar oud. [ex-partner] was toen 35 jaar. Tussen de jongmeerderjarige [appellante] en [ex-partner] was dan ook sprake van een fors leeftijdsverschil, waarmee IDM bekend was. IDM heeft niet betwist dat, zoals [appellante] bij gelegenheid van de comparitie van partijen in de appelprocedure heeft aangevoerd, bij het gesprek voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst het woord gevoerd werd door [ex-partner] en niet door [appellante].

12. Bij een rentepercentage van 0,77% per maand bedroegen (alleen) de rentelasten (al) € 523,60 (€ 68.000,00 x 0,77%) per maand, ongeveer de helft van het bij IDM bekende netto inkomen van [appellante]. Met het aangaan van de kredietovereenkomst nam [appellante] dan ook een in verhouding tot haar eigen inkomen zeer forse verplichting op zich. Deze verplichting zou zij, indien zij daartoe zou worden aangesproken, gelet op haar inkomen, niet alleen kunnen nakomen en maakte haar dan ook financieel afhankelijk van haar veel oudere partner. Het aangaan van de kredietovereenkomst bracht dan ook aanzienlijke risico’s voor [appellante] met zich.

13. Onder deze omstandigheden - waarbij het afsluiten van de kredietovereenkomst tot het voor [appellante] nadelige gevolg leidde dat zij hoofdelijk aansprakelijk werd voor privéschulden van [ex-partner] tot een bedrag van € 49.000,00, [appellante] de rentelasten betreffende het kredietbedrag niet uit haar eigen inkomen zou kunnen voldoen, [appellante] bij het aangaan van de overeenkomst 18 jaar was en 17 jaar jonger dan [ex-partner] - rustte op IDM de verplichting [appellante] er uitdrukkelijk op te wijzen dat het aangaan van de kredietovereenkomst impliceerde dat zij ook aansprakelijk werd voor de privéschulden van [ex-partner] en dat de maandelijkse rentelasten, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk werd, de helft van haar netto maandsalaris bedroegen. In deze zorgplicht is IDM tekortgeschoten. Zij heeft [appellante] niet gewezen op genoemde risico’s en heeft ook niet geverifieerd of [appellante] zich deze consequenties van het aangaan van de kredietovereenkomst realiseerde.

14. Naar het oordeel van het hof heeft IDM de stelling van [appellante], dat zij ook op het punt van de overkreditering haar zorgplicht heeft geschonden, onvoldoende weersproken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat IDM rekening heeft gehouden met het inkomen van [appellante]. [appellante] heeft echter gesteld dat zij een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar had. Dat [appellante] geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had, vindt bevestiging in de door een medewerker van IDM op het aanvraagformulier geplaatste opmerking “Mw. kort dienstverband”. IDM heeft deze opmerking niet toegelicht en heeft evenmin aangegeven hoe deze zich verhoudt tot de vermelding in het aanvraagformulier dat van een vast dienstverband sprake is. Bovendien heeft IDM niet toegelicht wat de betekenis is van de opmerking “Max. belast met lopende verplichtingen” in het aanvraagformulier. IDM heeft weliswaar twee VKM –berekeningen overgelegd waaruit zou volgen dat van overfinanciering geen sprake is, maar zij heeft nagelaten te verklaren hoe het komt dat deze berekeningen verschillen van de door [appellante] overgelegde berekening, die ook het karakter van een VKM-berekening heeft. Onduidelijk is welk rentepercentage in de VKM-berekeningen van IDM is gehanteerd en waarom de in haar berekeningen gehanteerde norm voor levensonderhoud veel lager is, te weten € 1.000,00 per maand, dan de in de berekening van [appellante] toegepaste norm van € 1.326,10 per maand. Van deze laatste norm heeft [appellante] onweersproken gesteld dat het de toepasselijke Nibud-norm is. Mede gelet op de rechtspraak over de effectenleasezaken, waarin bij het antwoord op de vraag of de uit de overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen tot een onaanvaardbaar zware financiële last hebben geleid, de Nibud-normen worden toegepast (vgl. hof Amsterdam 1 december 2009, LJN BK4978, JOR 2010, 66, bevestigd in Hoge Raad 29 april 2011, LJN BP4012, JOR 2011, 190), had het op de weg van IDM gelegen haar standpunt dat een andere norm dan de Nibud-norm toegepast diende te worden toe te lichten, te meer nu [appellante] uitdrukkelijk op dit verschil heeft gewezen.

15. De slotsom is dat het er, gelet op de onvoldoende weerspreking door IDM van de stellingen van [appellante] op dit punt, voor gehouden moet worden dat IDM ook in haar verplichting is tekortgeschoten om te waken voor en te adviseren ten aanzien van overfinanciering. IDM heeft immers niet gesteld dat zij [appellante] en [ex-partner] heeft gewezen op het gevaar van overfinanciering bij het afsluiten van deze kredietovereenkomst.

16. Nu is vastgesteld dat IDM in haar zorgverplichtingen is tekortgeschoten, rijst de vraag welke gevolgen dat heeft voor de vordering van IDM op [appellante]. Bij het antwoord op die vraag neemt het hof allereerst in aanmerking dat IDM niet (gemotiveerd) heeft gesteld dat [appellante] zich bewust was van de consequentie van het sluiten van de kredietovereenkomst - dat zij hoofdelijk aansprakelijk werd voor de privéschulden van [ex-partner] - en van de risico’s van die overeenkomst, gelet op de omvang van de rentelasten in verhouding tot haar inkomen. IDM heeft evenmin gesteld dat [ex-partner] en [appellante] zich bewust waren van het gevaar van overfinanciering. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [appellante] deze risico’s niet overzag toen zij de overeenkomst aanging en dat zij - gegeven het belang van de risico’s voor haar - de overeenkomst niet zou zijn aangegaan indien IDM haar daarvoor indringend zou hebben gewaarschuwd. Daarmee staat het causale verband tussen het tekortschieten van IDM in haar zorgverplichtingen en de totstandkoming van de overeenkomst vast (vgl. ook hof Amsterdam 1 december 2009, LJN BK4978, JOR 2010, 66). Uit het voorgaande volgt ook dat sprake is van causaal verband tussen het tekortschieten van IDM in haar zorgverplichtingen en het ontstaan van de vordering op [appellante].

17. Het hof neemt vervolgens in aanmerking dat IDM wel op basis van de overeenkomst een bedrag van € 68.000,00 beschikbaar heeft gesteld aan [appellante] en [ex-partner]. Van dit bedrag stond slechts € 18.293,00 ter vrije beschikking van [appellante] en [ex-partner]. Het restant is aangewend ter aflossing van de schulden van [ex-partner] en is dan ook niet ten goede gekomen aan [appellante]. Het bedrag van

€ 18.293,00 is, gelet op de verklaring van [appellante] bij gelegenheid van de comparitie van partijen, aangewend voor de aanschaf van een auto. Ook wanneer de auto geen gezamenlijk eigendom was - duidelijk is dat niet - kan worden aangenomen dat [appellante] wel (enig) genot van de auto heeft gehad. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat [appellante] in het geheel geen baat heeft gehad bij het aangaan van de overeenkomst. Onder deze omstandigheden zal het hof de vordering van IDM niet geheel afwijzen, maar beperken tot een bedrag van

€ 9.000,00, afgerond de helft van het kredietbedrag dat niet is besteed aan aflossing van de privéschulden van [ex-partner]. Toewijzing van een hoger bedrag acht het hof, gelet op wat hiervoor is overwogen over de schending van haar zorgverplichtingen door IDM en het verband tussen deze schending en het ontstaan van de vordering op [appellante], naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Over het bedrag van € 9.000,00 is [appellante] niet de overeengekomen rente - nu de overeengekomen rente is gebaseerd op een door schending van de zorgverplichtingen totstandgekomen overeenkomst - maar de wettelijke rente verschuldigd vanaf 18 september 2008. Het hof gaat er daarbij, gelet op het door IDM bij inleidende dagvaarding overgelegde overzicht van incassoactiviteiten, vanuit dat IDM [appellante] (ruimschoots) voor 18 september 2008 een ingebrekestelling heeft doen toekomen. Nu de incassoactiviteiten van IDM zijn gericht op incassering van de volledige vordering en slechts een gering deel van de vordering toewijsbaar is, is de vordering betreffende de incassokosten niet toewijsbaar.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, slagen de grieven II tot en met IV gedeeltelijk.

19. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en de vordering van IDM toewijzen tot een bedrag van € 9.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld - IDM heeft wel een vordering op [appellante], maar deze is aanzienlijk lager dan gevorderd - zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

De beslissing:

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 29 juli 2009 tussen partijen gewezen

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellante] om aan IDM te betalen een bedrag van € 9.000,00, te

vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 september

2008 tot aan het tijdstip van voldoening van dit bedrag;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten van het geding in beide instanties, in die zin

dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. H. de Hek, voorzitter, J.M. Rowel-van der Linde en R.A. Zuidema, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 7 februari 2012 in bijzijn van de griffier.