Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BV3368

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2012
Datum publicatie
09-02-2012
Zaaknummer
24-000697-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deelname criminele organisatie.

Veroordeling in eerste aanleg. Vrijspraak in hoger beroep.

Niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had van het oogmerk van de criminele organisatie. Eveneens kan niet worden bewezen dat verdachte een aandeel had in gedragingen die strekten tot of een rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000697-11

Uitspraak d.d.: 9 februari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 30 maart 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 januari 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. F.H. Kappelhof, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met januari 2011, in het arrondissement Groningen, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband, bestaande uit verdachte en/of

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het door geweld of bedreiging met geweld personen dwingen tot de afgifte van goederen en/of

- openlijke geweldpleging tegen personen en/of goederen, al dan niet in relatie tot voetbalwedstrijden, en/of

- mishandeling en/of

- bedreiging met zware mishandeling en/of met een misdrijf tegen het leven gericht en/of

- het dragen/voorhanden hebben van wapens en/of munitie van categorie I, II en III zoals bedoeld in de Wet wapens en munitie en/of

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- het opzettelijk verkopen, bewerken, verwerken, vervoeren, afleveren, bereiden, verstrekken en/of voorhanden hebben van cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Volgens de advocaat-generaal is verdachte op 28 april 2010 betrokken geraakt bij deze organisatie, doordat hij op die datum contact opnam met [medeverdachte 1] in verband met een vechtpartij waarbij verdachte betrokken was.

[medeverdachte 1] is onherroepelijk veroordeeld wegens deelneming en leiding geven aan deze criminele organisatie. De bijdrage van verdachte aan deze organisatie bestond volgens de advocaat-generaal - zakelijk weergegeven - uit het volgende. Nadat [medeverdachte 1] op 26 mei 2010 werd gearresteerd heeft verdachte hem, samen met [medeverdachte 7], meermalen bezocht in de penitentiaire inrichting De Marwei te Leeuwarden. Tijdens die bezoeken heeft [medeverdachte 1] verdachte opdracht gegeven contact op te nemen met bepaalde personen, ten einde te voorkomen dat die personen belastende verklaringen tegen [medeverdachte 1] zouden afleggen. Door vervolgens ook uitvoering te geven aan deze opdrachten heeft verdachte deelgenomen aan de criminele organisatie, aldus de advocaat-generaal.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie is voor deelneming aan een criminele organisatie vereist dat de deelnemer in zijn algemeenheid weet, in de zin van onvoorwaardelijke opzet, dat een organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en dat de deelnemer een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie, dan wel dat de deelnemer die gedragingen ondersteunt.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat voor verdachtes wetenschap van het oogmerk van de criminele organisatie waar de tenlastelegging op doelt. Het enkele feit dat verdachte - samen met [medeverdachte 7] - heeft gesproken met [medeverdachte 1] over maatregelen die al dan niet genomen dienden te worden, betekent niet dat verdachte die wetenschap had. Evenmin kan die wetenschap worden afgeleid uit het hiervoor bedoelde contact op 28 april 2010.

Voorts is er geen wettig en overtuigend bewijs waaruit blijkt dat verdachte naar aanleiding van de gesprekken met [medeverdachte 1] in de Marwei daadwerkelijk contact heeft gezocht met personen en deze personen onder druk heeft gezet om geen belastende verklaringen tegen [medeverdachte 1] af te leggen. Hierdoor kan eveneens niet worden bewezen dat verdachte een aandeel had in gedragingen die strekten tot of een rechtsreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel dat verdachte die gedragingen ondersteunde.

Gelet op het voorgaande heeft het hof niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van S. van Krugten, griffier,

en op 9 februari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.A.A.M. van Veen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.