Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:5668

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2012
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
KS 24-000577-12 17-12-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een destijds 13 jarig meisje. Zij was een kwetsbaar meisje, niet alleen vanwege haar jonge leeftijd maar ook gelet op haar psychische problematiek. Het slachtoffer heeft samen met twee andere jongeren in de woning van verdachte overnacht. Na aanvankelijk geweigerd te hebben is zij bij verdachte in bed gaan liggen. Verdachte heeft vervolgens vergaande seksuele handelingen met haar gepleegd, waarbij hij haar lichaam meerdere malen seksueel is binnengedrongen. Het hof twijfelt niet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer. Verdachte wordt

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn bijzondere voorwaarden, waaronder een behandeling voor ontkennende zedendelinquenten, worden verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000577-12

Uitspraak d.d.: 17 december 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 maart 2012 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

thans verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 december 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 2 jaar met aftrek van het voorarrest en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. C.W. Flokstra, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 en 3 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis - voor zover aan hoger beroep onderworpen - vernietigen, omdat het tot een andere strafoplegging komt en zal daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij in de periode van 19 juli 2011 tot en met 20 juli 2011, in ieder geval in de maand juli 2011, in de gemeente [gemeente], met [benadeelde] (geboren 19 september 1997), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte:

  • -

    de onderbroek van die [benadeelde] uitgetrokken (terwijl zij in bed lag) en/of

  • -

    meermalen, in ieder geval eenmaal die [benadeelde] op de mond gezoend en/of

  • -

    meermalen, in ieder geval eenmaal zijn tong in de mond van die [benadeelde] gebracht (tongzoen) en/of

  • -

    zijn penis in en/of tegen de vagina van die [benadeelde] gebracht en gehouden en/of (vervolgens) heen en weer gaande bewegingen gemaakt en/of

  • -

    zijn penis in en/of tegen de anus van die [benadeelde] gebracht en gehouden en/of (vervolgens) heen en weer gaande bewegingen gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman van verdachte heeft - kort samengevat en zakelijk weergegeven - betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat niet is voldaan aan het bewijsminimum ex artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Evenmin is sprake van overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde nu op grond van de feiten en omstandigheden in het dossier het scenario (aan te duiden als scenario 2) dat aangeefster bij verdachte in bed heeft gelegen zonder dat er iets is gebeurd, in gelijke mate aannemelijk is als het 'schuldige' scenario (aan te duiden als scenario 3). De raadsman heeft voorts de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde] betwist.

Het hof overweegt het volgende.

Verdachte heeft zich, aldus de door hem afgelegde verklaringen, steeds op het standpunt gesteld dat hij aangeefster [benadeelde], [getuige1] en [getuige2] in de loop van de ochtend van 20 juli 2011, toen hij terugkwam van zijn werk, aantrof bij zijn woning en zij eerst toen bij hem in de woning zijn gekomen (aan te duiden als scenario 1).

Het hof is van oordeel dat deze lezing van verdachte wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof stelt vast dat de drie bovengenoemde personen verklaringen hebben afgelegd die erop neerkomen dat zij zich op 19 juli 2011 hebben onttrokken aan het toezicht en verblijf bij de instelling “[instelling]” en dat zij de nacht van 19 op 20 juli 2011 gezamenlijk in de woning van verdachte in zijn bijzijn hebben doorgebracht. Die verklaringen vinden bovendien bevestiging in een andere zich in het dossier bevindende verklaring omtrent de aanwezigheid van de drie in de woning van verdachte in de late avond van 19 juli 2011. Het hof volgt verdachte niet in zijn verweer.

Het hof volgt de verdediging evenmin in de stelling dat sprake is van feiten en omstandigheden in het dossier die scenario 2 (dat aangeefster bij verdachte in bed heeft gelegen zonder dat er iets is gebeurd) ook aannemelijk is. Het hof stelt voorop dat verdachte dit scenario niet feitelijk heeft gesteld. Het hof rekent het zich in de onderhavige zaak desondanks tot taak zelf te onderzoeken in hoeverre sprake kan zijn van het gestelde scenario. Het hof is van oordeel dat die situatie zich niet voordoet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Het hof is met betrekking tot dit verweer van oordeel dat ook dit verweer wordt weersproken door de te bezigen bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof ontleent aan deze bewijsmiddelen de overtuiging dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof vindt in al hetgeen zich in het strafdossier bevindt geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen en dan in het bijzonder de verklaringen van aangeefster te twijfelen.

Anders dan de raadsman en met de rechtbank, acht het hof de verklaringen van aangeefster [benadeelde] betrouwbaar omdat deze als voldoende consistent en zeer gedetailleerd kunnen worden aangemerkt. Aangeefster heeft, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard dat zij in de nacht van 19 juli op 20 juli 2011 in de woning van verdachte verbleef, zij op enig moment bij verdachte in bed is gaan liggen en seks met hem heeft gehad. Aangeefster heeft daarover op verschillende momenten tegenover meerdere mensen in haar omgeving en tegenover politie en de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. Het hof constateert dat aangeefster in haar verklaringen op hoofdlijnen consistent is over de gang van zaken.

In hoger beroep is prof. dr. P.J. van Koppen - na een verzoek daartoe van de verdediging - als deskundige benoemd en heeft hij de door aangeefster afgelegde verklaringen beoordeeld. De deskundige heeft bij zijn analyse geen bijzondere redenen kunnen vinden die aanleiding geven om de verklaring van aangeefster te wantrouwen. Voorts merkt de deskundige op dat hij niet kan uitsluiten dat aangeefster haar verhaal heeft gefantaseerd of gedroomd en voor werkelijkheid aanziet, daar er geen directe methode bestaat waarmee dat kan worden vastgesteld.

Noch in het rapport van de deskundige, noch overigens heeft het hof redenen gevonden die aanleiding geven voor de veronderstelling dat de verklaring van aangeefster niet overeenkomstig de waarheid is.

Daarbij is voor het hof van belang het gegeven dat de verklaringen van aangeefster [benadeelde] ondersteuning vinden in hetgeen [getuige1] en [getuige2] over de tijd dat zij in de woning bij verdachte verbleven hebben verteld. [getuige1] is weliswaar geen getuige geweest van de seksuele handelingen die tussen [benadeelde] en verdachte hebben plaatsgevonden, maar [getuige1] heeft [benadeelde] wel bij verdachte in bed zien liggen. Ook hebben [benadeelde] en [getuige1] overeenstemmende verklaringen afgelegd over - onder meer - de wijze waarop zij bij verdachte terecht zijn gekomen, het matras dat in de woonkamer lag en dat er veel is gedronken en geblowd. Getuige [getuige2] heeft deze laatste gang van zaken in zijn verklaring bevestigd. De verklaringen van [benadeelde] worden tevens op belangrijke punten bevestigd door hetgeen getuige [getuige3], die zich op de avond van 19 juli 2011 ook in de woning van verdachte bevond heeft verklaard.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde] heeft het hof tenslotte acht geslagen op de verklaring van aangeefsters vader over het contact met aangeefster en op hetgeen de medewerkers van [instelling] (in interne verslagen en anderszins) hebben meegedeeld over de door aangeefster [benadeelde] gedane mededelingen over lichamelijke klachten na terugkomst bij [instelling] op 20 juli 2011 en over de persoon van [benadeelde] zoals zij haar ervaren in haar gedrag. In het bijzonder kent het hof betekenis toe aan de rapportage (pagina 94 van het dossier) waarin is beschreven de wijze waarop door [benadeelde] met hetgeen in de nacht van 19 op 20 juli 2011 is gebeurd wordt omgegaan (waarbij aangeefster zich juist zorgen lijkt te maken over verdachte), hetgeen door [instelling] wordt verklaard vanuit hun bekendheid met de wijze waarop aangeefster zich pleegt te gedragen.

Het gegeven dat bij gynaecologisch onderzoek weliswaar het restant van een zuigzoen, maar geen overig overtuigend letsel is geconstateerd, doet aan het oordeel van het hof niet af. Het hof kent hierbij betekenis toe aan de door aangeefster gestelde toedracht over de sex en aan het feit dat het gynaecologisch onderzoek op een relatief laat tijdstip, ruim twee dagen na de nacht van 19 op 20 juli 2011 heeft plaatsgehad, hetgeen – naar het hof ambtshalve bekend is – ertoe kan leiden dat sporen - voor zover aanwezig - zich moeilijker laten traceren.

Het hof acht, gelet op het voorgaande - in onderling verband en samenhang bezien – aangeefster betrouwbaar in haar verklaring over hetgeen er in de nacht van 19 op 20 juli 2011 is gebeurd, welke verklaringen voldoende steun vinden in overig bewijs.

De gevoerde verweren worden aldus verworpen.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hieronder bewezen zal worden verklaard.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging gekregen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij in de periode van 19 juli 2011 tot en met 20 juli 2011 in de gemeente [gemeente], met [benadeelde] (geboren 19 september 1997), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte:

  • -

    de onderbroek van die [benadeelde] uitgetrokken (terwijl zij in bed lag) en

  • -

    die [benadeelde] op de mond gezoend en

  • -

    meermalen zijn tong in de mond van die [benadeelde] gebracht (tongzoen) en

  • -

    zijn penis in de vagina van die [benadeelde] gebracht en gehouden en heen en weer gaande bewegingen gemaakt en

  • -

    zijn penis in de anus van die [benadeelde] gebracht en gehouden en heen en weer gaande bewegingen gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met [benadeelde], een destijds 13 jarig meisje. [benadeelde] heeft samen met twee andere jongeren in de woning van verdachte drank genuttigd en wiet gerookt en zij hebben in de woning van verdachte overnacht. Verdachte heeft op enig moment aan [benadeelde] voorgesteld om bij hem in bed te komen liggen. Dat weigerde [benadeelde] aanvankelijk, maar uiteindelijk is zij toch bij verdachte in bed gaan liggen. Verdachte heeft vervolgens vergaande seksuele handelingen met haar gepleegd, waarbij hij haar lichaam meerdere malen seksueel is binnengedrongen. [benadeelde] was een kwetsbaar slachtoffer, niet alleen vanwege haar jonge leeftijd maar ook gelet op haar psychische problematiek. Door aldus te handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, hetgeen in het algemeen als zeer ingrijpend wordt ervaren en nadelige psychische gevolgen van mogelijk lange duur met zich kan brengen.

Volgens een uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 13 november 2012 is verdachte in Nederland niet eerder veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten. Naar eigen zeggen heeft verdachte in Ierland een paar jaar vastgezeten wegens drugssmokkel.

Bij de strafoplegging heeft het hof in aanmerking genomen de rapportages van de reclassering d.d. 11 juni 2012 en 12 juli 2012.

Uit het eerste rapport volgt dat verdachte geen noemenswaardige problemen in zijn leven ondervindt, behalve het hebben van schulden. Verdachte ontvangt hulp van zijn familie bij het oplossen van deze problemen. Verder heeft verdachte aangegeven bang te zijn voor de periode na zijn detentie. Hij weet niet hoe hij zijn leven nadien weer op de rails moet krijgen. In verband daarmee heeft verdachte aangegeven, aldus de reclassering, deel te willen nemen aan een behandeling voor ontkennende veroordeelde zedendelinquenten.

Uit het laatstgenoemde reclasseringsrapport, komt naar voren dat de reclassering het zinvol acht dat aan verdachte bijzondere voorwaarden worden opgelegd, welke onder meer een meldplicht en behandeling bij de instelling De Waag inhouden.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden moet worden opgelegd. Deze straf is op zich passend en geboden.

Teneinde te voorkomen dat verdachte zich opnieuw in een met het feit vergelijkbare situatie zou begeven zal het hof evenwel een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en een proeftijd van twee jaren stellen. Aan dat voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden, waaronder een behandeling bij De Waag voor ontkennende zedendelinquenten, worden verbonden, en overigens reclasseringsbegeleiding ook ter ondersteuning van verdachte, zoals hiervoor vermeld.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij is door of namens verdachte niet inhoudelijk betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 3 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van de vaststelling van de identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich stelt onder toezicht van Reclassering Nederland en dat hij zich houdt aan de aanwijzingen door of namens deze instelling te geven, ook als dit inhoudt het volgen van een behandeling "de ontkennende zedenverdachte" bij forensische polikliniek De Waag.

Bepaalt dat Reclassering Nederland verdachte hulp en steun zal geven bij het naleven van deze voorwaarden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] dan wel haar wettelijk vertegenwoordiger ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], dan wel haar wettelijk vertegenwoordiger, een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse, griffier,

en op 17 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.