Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BZ5613

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
26-03-2013
Zaaknummer
200.099.144/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident. Artikel 130 lid 1 Rv. Artikel 843a/22 Rv. Verzet tegen vermeerdering van eis ongegrond verklaard. Vordering tot afgifte van bescheiden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.099.144/01

(zaaknummer rechtbank Assen 82236 / HA ZA 10-752)

arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in het incident overlegging bescheiden ex artikel 843a Rv en artikel 22 Rv en in het incident verzet vermeerdering van eis van 26 maart 2013

in de zaak van

Starglass B.V.,

gevestigd te Emmen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Starglass,

advocaat: mr. W. Coppoolse, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

N.V. Univé Schade,

gevestigd te Zwolle,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Univé,

advocaat: mr. M.A. Kerkdijk, kantoorhoudende te Zwolle.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 21 februari 2012 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Er heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Tijdens deze comparitie is geen schikking bereikt.

Starglass heeft een memorie van grieven genomen met als conclusie:

"Dat het Gerechtshof:

1. het vonnis waarvan beroep zal vernietigen voor zover daarin in conventie is geoordeeld

dat Starglass toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen

jegens Univé en, opnieuw rechtdoende, Univé niet-ontvankelijk te verklaren in haar

vordering of deze af te wijzen;

2. het vonnis waarvan beroep te vernietigen voor zover daarin in conventie Starglass is

bevolen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting € 378.627,78 aan Univé te betalen,

vermeerderd met de handelsrente van artikel 6:119a BW ingaande 2 augustus 2010 tot

aan de dag der algehele voldoening, en, opnieuw rechtdoende, Univé niet-ontvankelijk

te verklaren in haar vordering of deze af te wijzen;

3. het vonnis waarvan beroep te vernietigen voor zover daarin in conventie is geoordeeld

dat Starglass veroordeeld wordt in de proceskosten, begroot op € 12.769,89, en,

opnieuw rechtdoende, primair de vordering van Univé af te wijzen en Univé te

veroordelen in de kosten van beide instanties en subsidiair de kosten van het geding te

matigen;

4. het vonnis waarvan beroep te vernietigen voor zover daarin in reconventie de vordering

van Starglass is afgewezen, en opnieuw rechtdoende, Univé te bevelen om tegen

behoorlijk bewijs van kwijting € 156.689,40 aan Starglass te betalen, vermeerderd met

de handelsrente ingaande de dag van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele

voldoening;

5. het vonnis waarvan beroep te vernietigen voor zover daarin in reconventie de vordering

van Starglass is afgewezen, en opnieuw rechtdoende, Univé te bevelen om tegen

behoorlijk bewijs van kwijting € 15.000,00 aan Starglass te betalen, vermeerderd met de

handelsrente ingaande de dag van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele

voldoening;

6. het vonnis waarvan beroep te vernietigen voor zover daarin in reconventie is geoordeeld

dat Starglass veroordeeld wordt in de proceskosten, begroot op € 1.421,00, en, opnieuw

rechtdoende, primair Univé te veroordelen in de kosten van beide instanties en

subsidiair de kosten van het geding te matigen."

Starglass heeft ter griffie van het hof declaraties gedeponeerd, waarvan akte is opgemaakt.

Univé heeft een memorie van antwoord, tevens inhoudende incidentele vordering ex artikel 843aRv en artikel 22 Rv en tevens inhoudende vermeerdering van eis, genomen met als conclusie:

"in het incident:

dat het uw Gerechtshof moge behagen om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Starglass te veroordelen en/of te bevelen om binnen 7 dagen na het in dezen te wijzen arrest een afschrift van het onderzoeksdossier, althans de door uw Gerechtshof bepaalde bescheiden, in tweevoud aan Univé ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van

€ 25.000,- voor iedere dag dat Starglass verzuimt aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 500.000,-, althans een door uw Gerechtshof in goede justitie te bepalen dwangsom, met veroordeling van Starglass in de kosten van de procedure;

in de hoofdzaak:

dat het uw Gerechtshof moge behagen om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Assen van 14 september 2011 tussen partijen gewezen, zo nodig onder aanvulling en verbetering van de gronden, te bekrachtigen, met toewijzing van de vermeerdering van eis van de zijde van Univé en met veroordeling van Starglass in de kosten van de procedure."

Vervolgens heeft Starglass een conclusie van antwoord in het incident alsmede akte uitlating vermeerdering van eis genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident.

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

De beoordeling in het incident

1. Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.

Univé vordert een verklaring voor recht dat Starglass toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Univé dan wel dat Starglass onrechtmatig jegens Univé heeft gehandeld dan wel dat Starglass onrechtvaardig is verrijkt ten opzichte van Univé. Univé legt hieraan ten grondslag dat tussen partijen het volgende is afgesproken. Wanneer Starglass in opdracht van een verzekerde van Univé autoruitschade repareerde, kon zij na cessie van de vordering van de verzekerde op Univé aan Starglass een bedrag van € 71,40 inclusief btw bij Univé declareren. Daarbij is afgesproken dat alleen echte ruitschades in rekening zouden worden gebracht. Oppervlakkige beschadigingen - pitfills - vielen niet onder de verzekerde schade en mochten derhalve niet bij Univé in rekening worden gebracht. In opdracht van Univé heeft de heer [deskundige van Univé] eerst 24 recente declaraties van Starglass onderzocht en vervolgens 111 dossiers, die a-select uit 7000 dossiers zijn gehaald, onderzocht. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat Starglass in 72,9% van de gevallen onterecht heeft gedeclareerd.

Univé heeft in eerste aanleg, voor zover thans van belang, primair gevorderd (I) een verklaring voor recht dat Starglass toerekenbaar is tekortgeschoten jegens Univé dan wel dat Starglass onrechtmatig jegens Univé heeft gehandeld dan wel dat Starglass ongerechtvaardigd is verrijkt ten opzichte van Unive, en voorts (II) Starglass te veroordelen om aan Univé te betalen een bedrag van € 378.627,78, vermeerderd met rente en kosten, uit hoofde van schadevergoeding en een bedrag van € 5.160,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, alsmede Starglass te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van beslag.

Subsidiair heeft Univé gevorderd, samengevat, Starglass te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 367.382,28, vermeerderd met rente, uit hoofde van onverschuldigde betaling en tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 16.405,50, alsmede Starglass te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van beslag.

2. In reconventie heeft Starglass gevorderd Univé te veroordelen tot betaling van bedragen van € 156.689,40 en € 15.000,-, vermeerderd met rente en kosten.

3. De rechtbank heeft in conventie voor recht verklaard dat Starglass toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Univé en heeft Starglass veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 378.627,78, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 2 augustus 2010 De gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van beslag heeft zij afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen.

Met betrekking tot de vermeerdering van eis

4. Bij memorie van antwoord heeft Univé haar eis in die zin gewijzigd dat zij ter zake van door haar gemaakte onderzoekskosten thans een bedrag van € 15.720,25 (in plaats van € 11.245,50) vordert. In totaal vordert zij thans derhalve een bedrag van € 383.102,53 (in plaats van € 367.382,28) aan schadevergoeding.

5. Het bezwaar van Starglass tegen deze vermeerdering van eis is hoofdzakelijk inhoudelijk van aard. Zij doet er geen beroep op dat de vermeerdering van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Ook ambtshalve acht het hof geen strijd met de eisen van een goede procesorde aanwezig (artikel 130 lid 1 Rv). Voor zover Starglass bedoelt te betogen dat zij in haar verdediging is geschaad doordat de betreffende factuur niet in het geding is gebracht en dat deze derhalve niet in het licht van de schadebeperking kan worden beoordeeld, zal het hof zo nodig aan Univé opdragen deze factuur alsnog in het geding te brengen. Het hof zal het bezwaar tegen de wijziging van eis dan ook verwerpen en recht doen op de gewijzigde eis.

Met betrekking tot de incidentele vordering tot afgifte van bescheiden

6. Univé heeft op de voet van artikel 843a Rv dan wel artikel 22 Rv gevorderd dat Starglass aan haar een afschrift van het onderzoeksdossier van het Openbaar Ministerie ter zake van de activiteiten van Starglass en/of haar bestuurder ter beschikking stelt. Subsidiair vordert Univé dat Starglass aan haar een afschrift verstrekt van alle verklaringen die in het kader van het onderzoek door het Openbaar Ministerie zijn afgelegd alsmede een afschrift van de documenten uit het onderzoeksdossier die direct betrekking hebben op de rechtsverhouding tussen Univé en Starglass.

Univé vordert tevens een afschrift van de persoonsgegevens van alle (voormalig) werknemers van Starglass, althans in ieder geval van de (voormalig) werknemers

die door het Openbaar Ministerie zijn gehoord, zodat Univé in staat is deze personen als getuige op te roepen.

Het hof merkt hierbij op dat zij het petitum van de incidentele vordering heeft uitgelegd in het licht van het gestelde sub 132 van de memorie van antwoord.

7. Artikel 843a Rv bepaalt dat hij die daarbij (1) een rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van (2) bepaalde bescheiden (3) aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. De in dit artikel gestelde voorwaarden zijn met name bedoeld om zogenaamde 'fishing expeditions' te voorkomen.

8. Naar 's hofs oordeel kan de vordering op grond van artikel 843a Rv niet slagen. Wat betreft het primair en het subsidiair gevorderde enerzijds niet omdat Starglass aanvoert dat zij (nog) niet in het bezit is van het strafdossier dan wel 'het onderzoeksdossier' en Univé geen concrete feiten heeft gesteld waaruit kan blijken dat Starglass daarover wel beschikt. Anderzijds niet omdat de enkele aanduiding van 'alle documenten' die het Openbaar Ministerie aan Starglass heeft verstrekt in verband met het uitgevoerde strafrechtelijke onderzoek' en 'de documenten' die Starglass in verband met het onderzoek zelf aan het Openbaar Ministerie ter beschikking heeft gesteld althans 'een afschrift van het onderzoeksdossier' en 'een afschrift van alle documenten uit het onderzoeksdossier' zonder nadere concretisering op welk(e) stuk(ken) Univé daarbij specifiek het oog heeft, te weinig bepaald is. Dat laatste geldt ook voor de enkele aanduiding van 'alle verklaringen' die in het kader van het onderzoek door het Openbaar Ministerie zijn afgelegd, zonder nadere concretisering op welke 'verklaringen' - en: van wie - daarbij wordt gedoeld. Hierbij komt nog dat onvoldoende duidelijk is geworden of het strafrechtelijk onderzoek (mede) betrekking heeft op het handelen van Starglass of dat alleen de gedragingen van haar middellijk bestuurder (de heer [bestuurder van Starglass]) en eventuele andere betrokkenen zijn onderzocht. Daarbij verdient opmerking dat artikel 843a Rv geen grondslag biedt voor een algemeen inzagerecht, maar enkel voor een recht op inzage van bepaalde, met name genoemde, stukken.

9. Ook voor zover de vordering is gegrond op artikel 22 Rv kan deze niet slagen. Aan

artikel 22 Rv kan Univé geen vorderingsrecht ontlenen. Deze bepaling geeft aan de rechter een eigen, discretionaire bevoegdheid om van procespartijen te verlangen bepaalde bescheiden over te leggen. Het ligt in de rede om aan het procesbeleid van de rechter die over de hoofdzaak oordeelt over te laten of hij van die bevoegdheid gebruik maakt.

10. De vordering van Univé tot het verstrekken van een afschrift van de persoonsgegevens van alle (voormalig) werknemers van Starglass, althans in ieder geval van de (voormalig) werknemers die door het Openbaar Ministerie zijn gehoord, stuit af op hetgeen hiervoor is overwogen.

11. De incidentele vordering van Univé ex artikel 843a Rv en/of artikel 22 Rv is derhalve niet toewijsbaar.

In beide incidenten

12. Het hof zal een beslissing omtrent de kosten in beide incidenten aanhouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

13. Het hof zal het door Univé gedane verzoek tot aanhouding van de procedure totdat het Openbaar Ministerie een beslissing heeft genomen met betrekking tot haar verzoek om inzage in het onderzoeksdossier te verkrijgen en, bij een positieve beslissing, totdat Univé in de gelegenheid is gesteld om het onderzoeksdossier in te zien (memorie van antwoord

sub 138) afwijzen, en de zaak naar de rol verwijzen voor beraad partijen.

14. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het incident verzet vermeerdering van eis

verklaart het verzet ongegrond;

In het incident vordering afschrift bescheiden

wijst de vordering af;

In beide incidenten

houdt de beslissing omtrent de kosten in beide incidenten aan tot de eindbeslissing in de hoofdzaak;

In de hoofdzaak

wijst het verzoek van Univé tot aanhouding van de procedure af;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 9 april 2013 voor beraad partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, L. Janse en R.A. van der Pol en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag

26 maart 2013 in bijzijn van de griffier.