Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BW2555

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2011
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
200.087.382
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

APK. Telefonische schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs is niet mogelijk. Onverwachte ziekenhuisopname kort voor de vervaldatum van het keuringsbewijs. Vertraging door mankementen aan het voertuig komt voor rekening en risico van de betrokkene.

Wetsverwijzingen
Kentekenreglement 50
Wegenverkeerswet 1994 67
Wegenverkeerswet 1994 72
Regeling schorsing geldigheid tenaamstelling 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.087.382

31 oktober 2011

CJIB 143504306

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht

van 28 maart 2011

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Utrecht genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 12 juli 2010 met het voertuig met het kenteken [00-AB-00].

2. De betrokkene erkent dat het voor zijn voertuig afgegeven keuringsbewijs op voormelde datum zijn geldigheid had verloren. Hij stelt zich echter op het standpunt dat dit is gebeurd onder omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet rechtvaardigen. Daartoe voert hij aan dat hij op 3 mei 2010, ruim een week voor de vervaldatum van het keuringsbewijs, een afspraak met een garagebedrijf had voor de keuring van het voertuig. Als gevolg van een onvoorziene twaalf dagen durende ziekenhuisopname vanaf 30 april 2010 heeft deze afspraak niet door kunnen gaan. Gedurende drie maanden heeft hij niet kunnen autorijden en was ook het lezen ernstig bemoeilijkt. Uiteindelijk heeft zijn dochter, toen zij een week bij hem verbleef, ervoor gezorgd dat het voertuig op 4 juni 2010 door het garagebedrijf is opgehaald. Tijdens de keuring bleken er echter diverse onvoorziene reparaties nodig, zodat het uiteindelijk tot 28 juli 2010 heeft geduurd voordat een keuringsbewijs kon worden afgegeven.

3. De onderhavige gedraging is gebaseerd op artikel 72, tweede lid onder b, Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).

4. Artikel 72 WVW 1994 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“2. Het keuringsbewijs dient: (...)

b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, (...)

3. Voor overtreding van het eerste lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn aansprakelijk:

a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder.”

5. De memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1990/91, 22 030, nr. 3, blz. 113) houdt onder meer in:

“Het derde lid (ontleend aan art. 9d van de Wegenverkeerswet) geeft aan wie aansprakelijk is voor handelen in strijd met het bepaalde in het eerste en tweede lid. In de eerste plaats is dat uiteraard de eigenaar of houder van het voertuig. Deze moet er, ongeacht of het voertuig op de weg wordt gebruikt, zorg voor dragen dat voor het voertuig een keuringsbewijs is afgegeven.”

6. Uit artikel 67, eerste lid, WVW 1994 blijkt dat de betrokkene als houder van het motorrijtuig er verantwoordelijk voor is om, indien met het voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer te verzoeken de geldigheid van het kentekenbewijs te schorsen. Deze schorsing brengt mee dat de keuringsplicht ex artikel 72 WVW 1994 gedurende de periode van schorsing niet geldt (artikel 73, eerste lid, sub b, WVW 1994).

7. Het samenstel van de bovengenoemde bepalingen maakt het mogelijk om door middel van registervergelijking op een effectieve wijze de keuringsplicht te handhaven. De effectiviteit van de handhaving zou ernstig worden ondermijnd wanneer bij elke geconstateerde overtreding zou moeten worden vastgesteld of het betreffende voertuig aan het verkeer heeft deelgenomen dan wel heeft kunnen deelnemen. Een en ander brengt mee dat het in strijd met artikel 72 WVW 1994 niet voldoen aan de keuringsplicht op zichzelf reeds het opleggen van een administratieve sanctie rechtvaardigt, ook in het geval het betreffende voertuig niet aan het verkeer heeft deelgenomen dan wel heeft kunnen deelnemen.

8. Hoewel de onverwachte ziekenhuisopname kort voor de vervaldatum van het keuringsbewijs wellicht een geval van overmacht zou kunnen opleveren, geldt dit in elk geval niet voor de verdere vertraging die als gevolg van onvoorziene mankementen aan het voertuig is ontstaan. De betrokkene had immers door tussenkomst van een schriftelijk gemachtigde de geldigheid van het kentekenbewijs kunnen laten schorsen. Nu de betrokkene wel in staat is gebleken om op 4 juni 2010 het voertuig opnieuw ter keuring bij het garagebedrijf aan te bieden, valt niet in te zien waarom toen niet tevens de geldigheid van het kentekenbewijs is geschorst. Dat dit is nagelaten en het vervolgens nog tot 28 juli 2010 heeft geduurd voordat een keuringsbewijs kon worden afgegeven, dient voor rekening en risico van de betrokkene te komen.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

10. Het hof merkt nog op dat door de kantonrechter en in navolging daarvan door de advocaat-generaal ten onrechte is overwogen dat de schorsing telefonisch kon worden geregeld. In het bijzonder de in dat verband in het verweerschrift van de advocaat-generaal geuite suggestie dat van de betrokkene mocht worden verwacht dat hij van deze 'mogelijkheid' op de hoogte was, omdat hij zich als kentekenhouder dient in te spannen om op de hoogte te blijven van de voor hem geldende regelgeving, is bijzonder ongelukkig te noemen. Raadpleging van de regelgeving leert immers dat een aanvraag tot schorsing nu juist niet telefonisch kan. Uit artikel 50 van het Kentekenreglement in combinatie met artikel 1 van de Regeling schorsing geldigheid kentekenbewijs volgt dat een aanvraag tot schorsing als bedoeld in artikel 67 WVW 1994 plaatsvindt door bij een daartoe aangewezen vestiging van de Dienst Wegverkeer dan wel een daartoe aangewezen postvestiging van Postkantoren BV de delen I B en II van het kentekenbewijs alsmede een geldig legitimatiebewijs over te leggen of langs elektronische weg door gebruikmaking van een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld authenticatiemiddel (DigiD).

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.