Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BV2296

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2011
Datum publicatie
31-01-2012
Zaaknummer
200.082.645
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Sanctie ter zake van snelheidsoverschrijding. Kantonrechter vernietigde de inleidende beschikking omdat de op de zaak betrekking hebbende gegevens onzorgvuldig, ondeugdelijk en onvoldoende in het dossier staan vermeld. Hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter. Sanctie terecht opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:16
Algemene wet bestuursrecht 7:17
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 2
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2013/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.082.645

15 augustus 2011

CJIB 140088913

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Breda

van 13 januari 2011

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. I.M. van den Heuvel, kantoorhoudende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Breda genomen beslissing gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd. Voorts heeft de kantonrechter de officier van justitie veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 13a van de WAHV, ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 218,50. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van de betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Bij het verweerschrift is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 210,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, (verkeersbord A1) met 30 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 24 maart 2010 om 19.35 uur op de Willem Dreesweg te Roosendaal.

2. De betrokkene heeft tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij de officier van justitie. Bij beslissing van 19 juni 2010 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de betrokkene tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de kantonrechter. Op 13 januari 2011 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de op de zaak betrekking hebbende gegevens onzorgvuldig, ondeugdelijk en onvoldoende in het dossier staan vermeld. Derhalve heeft de kantonrechter het beroep gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigd. Omdat de officier van justitie zich niet kan verenigen met de beslissing van de kantonrechter, heeft hij daartegen hoger beroep ingesteld.

3. Met betrekking tot de gedraging is namens de betrokkene het volgende naar voren gebracht. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat er ernstig getwijfeld dient te worden aan de juistheid van de gedane meting. Door de op de aankondiging van beschikking vermelde onzorgvuldigheden acht de betrokkene niet aannemelijk dat de verbalisant de meting wel correct heeft uitgevoerd dan wel het resultaat van de meting juist heeft genoteerd. De verbalisant heeft op de door de betrokkene tijdens de staandehouding ontvangen aankondiging van beschikking namelijk ten onrechte vermeld dat zij van het mannelijke geslacht is en daarbij bleek de verbalisant niet in staat te zijn de naam van de betrokkene op de juiste wijze over te nemen van haar rijbewijs. De aankondiging van beschikking levert derhalve geen overtuigend bewijs op, aldus de betrokkene. Verder heeft de verbalisant - blijkens het zaakoverzicht van het CJIB - verklaard dat de snelheid is vastgesteld met een geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter, maar dit blijkt niet uit de stukken en evenmin blijkt daaruit of de werkelijke snelheid correct genoteerd is. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat er nader onderzoek gedaan dient te worden naar de gebruikte meetapparatuur. Daartoe verwijst de gemachtigde naar een arrest van de Hoge Raad van 22 augustus 2000, NJ 2001, 60, LJN AA6827 waarin onder meer wordt overwogen dat “de rechter, indien in een dergelijk geval de betrouwbaarheid van de desbetreffende meting wordt aangevochten, zal moeten doen blijken van een onderzoek naar de vraag of het meetmiddel voldoet en is gebruikt met inachtneming van de daaraan uit een oogpunt van betrouwbaarheid te stellen eisen”. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, stelt de betrokkene zich op het standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

4. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt - naast de in de beschikking vermelde datum, tijd, plaats en het kenteken van het voertuig - onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. (het hof leest: met behulp van) een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter.

Uitv. ambtenaar : 002933

Gemeten (afgelezen) snelheid : 83 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 80 km per uur.

Toegestane snelheid : 50 km per uur.

Overschrijding met : 30 km per uur.

Merk/soort meetmiddel : Honac Ultra Lyte 100 LR.

Serienummer : UX 014555.

Meetafstand : 482 m.

Afstand tot rijlijn : 6 m.

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid. (…).

Personalia conform : rijbewijs.

Code van ambtenaar 2 : 401418.

De betrokkene is van het mannelijk geslacht.

Naam van ambtenaar 1 : Helmond (…).

Naam van ambtenaar 2 : Tilburg (…).

Verklaring betrokkene: De verdachte/betrokkene heeft geen verklaring.”

6. Het hof ziet in hetgeen door en namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de verbalisant gedane snelheidsmeting. Weliswaar stelt het hof aan de hand van de door de betrokkene overgelegde kopie van de aankondiging van beschikking vast dat de verbalisant kennelijke vergissingen heeft gemaakt door de naam van de betrokkene ([naam zoals opgeschreven i.p.v. correcte naam ]) en het geslacht van de betrokkene niet juist weer te geven, maar die vergissingen zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende reden om de waarneming van de verbalisant met betrekking tot de gedraging in twijfel te trekken. Het hof ziet evenmin aanleiding te twijfelen aan de wijze waarop de verbalisant de snelheid heeft vastgesteld. De verbalisant heeft immers verklaard dat de snelheidsmeter op de voorgeschreven wijze is gebruikt. De betrokkene stelt daartegenover slechts dat die verklaring niet uit de stukken blijkt, maar voert ter ondersteuning daarvoor geen voor haar zaak specifieke feiten en omstandigheden aan. Weliswaar heeft de Hoge Raad in het door de betrokkene aangehaalde arrest (NJ 2001, 60) overwogen, dat de rechter, indien de betrouwbaarheid van de meting wordt aangevochten, zal moeten doen blijken van een onderzoek naar dat verweer, maar nu de betrokkene haar stelling dat de snelheidsmeter niet op de voorgeschreven wijze is gebruikt op geen enkele wijze heeft onderbouwd, is het hof niet gehouden tot nader onderzoek naar de betrouwbaarheid van het betreffende meetmiddel en de wijze waarop het is gebruikt. Nu namens de betrokkene geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan er reden is om aan te nemen dat de meting in deze zaak niet juist zou zijn verricht en uit het dossier evenmin blijkt van zulke feiten en omstandigheden, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er desondanks redenen zijn de sanctie achterwege te laten dan wel het bedrag van de opgelegde sanctie te matigen.

7. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat het voor de betrokkene niet voldoende kenbaar was waartegen zij zich diende te verdedigen en in welke hoedanigheid zij dat diende te doen. Uit het zaakoverzicht van het CJIB blijkt dat de betrokkene door de verbalisant afwisselend werd gekwalificeerd als betrokkene en als verdachte, voortkomend uit respectievelijk het bestuursrecht en het strafrecht, waarbij, indien het over strafrecht gaat, haar de cautie gegeven had moeten worden, hetgeen blijkens de stukken niet is gebeurd. Sterker nog, aan verdachte is tijdens de staandehouding in het geheel niet gevraagd of zij een verklaring wilde afleggen, aldus de gemachtigde. Verder heeft de gemachtigde gesteld dat de betrokkene twee zaakoverzichten van het CJIB heeft ontvangen, te weten een op 8 juni 2010 gedateerd zaakoverzicht en een zaakoverzicht dat is gedateerd 30 juli 2010. Het zaakoverzicht van 30 juli 2010 zou echter afwijken van het zaakoverzicht van 8 juni 2010. Zo zouden de woorden 'verbalisant' en 'verdachte' zijn verdwenen evenals de passage over de verklaring van de verdachte/betrokkene. Voorts is het opvallend dat er bij 'Uitv.-ambtenaar' een geheel andere code staat dan de op pagina 2 van het zaakoverzicht vermelde code van ambtenaar 2.

8. Allereerst merkt het hof op dat een gedraging als de onderhavige niet kan worden aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van het Wetboek van Strafrecht en dat ingevolge artikel 2 WAHV, ingeval een administratiefrechtelijke sanctie wordt opgelegd, voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard zijn uitgesloten. Derhalve heeft de verbalisant in onderhavige zaak tijdens de staandehouding een aankondiging van beschikking aan de betrokkene uitgereikt. Een aankondiging van beschikking wordt, zo mogelijk, tijdens de staandehouding aan een betrokkene uitgereikt en dient als kennisgeving van het feit dat op korte termijn een inleidende beschikking wordt toegezonden. Op de aankondiging van beschikking, dat slechts een gedeelte is van het zogeheten brondocument, noteert de verbalisant de door hem of haar waargenomen gegevens en vult andere relevante gegevens in. Nadien worden de gegevens van het brondocument ingevoerd in een computersysteem. Het zaakoverzicht van het CJIB is een weergave van deze ingevoerde gegevens. Op basis hiervan wordt de inleidende beschikking opgesteld.

9. Aan de hand van de door de betrokkene in de procedure gebrachte kopie van de aankondiging van beschikking stelt het hof vast dat de verbalisant de betrokkene tijdens de staandehouding heeft gekwalificeerd als 'betrokkene' en niet als 'verdachte'. Verder is in de bij de stukken van het geding aanwezige kopie van de inleidende beschikking opgenomen dat de geadresseerde, te weten [betrokkene], ter zake van een verkeersovertreding is staandegehouden en dat om die reden aan haar een administratieve sanctie is opgelegd. Gelet hierop moet het naar het oordeel van het hof voor de betrokkene voldoende duidelijk zijn geweest in welke hoedanigheid zij in onderhavige procedure optrad. De omstandigheid dat het zaakoverzicht van het CJIB mogelijk voor enige verwarring bij de betrokkene heeft gezorgd, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat de inleidende beschikking vernietigd dient te worden. Verder kan het hof de gemachtigde niet volgen in zijn stelling dat het zaakoverzicht van 8 juni 2010 afwijkt van het zaakoverzicht van 30 juli 2010. Aan de hand van de stukken in het dossier stelt het hof vast dat beide zaakoverzichten qua inhoud en terminologie identiek zijn. Dat de verbalisantcode van de uitvoerende ambtenaar niet overeenstemt met de vermelde code bij ambtenaar 2, komt door het feit dat ambtenaar 2, te weten verbalisant Tilburg, niet de uitvoerende ambtenaar is geweest, zoals ook blijkt uit de door de betrokkene ontvangen aankondiging van beschikking. Ten slotte brengt de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de staandehouding niet in de gelegenheid zou zijn gesteld een verklaring af te leggen, naar het oordeel van het hof niet mee dat de betrokkene hierdoor geschaad is in enig rechtens te respecteren belang. De betrokkene heeft gedurende de procedure immers voldoende gelegenheid gehad haar standpunt naar voren te brengen.

10. Voorts is de officier van justitie - naar de mening van de gemachtigde - ten onrechte voorbij gegaan aan het horen van de betrokkene.

11. Op grond van artikel 7:16, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de officier van justitie de betrokkene in beginsel in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. Hij kan daar alleen van afzien als het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, als de betrokkene niet gehoord wil worden of de officier van justitie hem volledig gelijk geeft (vgl. artikel 7:17 Awb).

12. Het is het hof ambtshalve bekend dat een inleidende beschikking in dit verband als standaardtekst bevat:

“Wenst u een mondelinge toelichting te geven op uw beroep? Dan kunt u hierom verzoeken in uw beroepschrift. Vermeld dan ook een telefoonnummer waarop u overdag bereikbaar bent.”

13. Het hof heeft in vaste rechtspraak geoordeeld (vgl. o.m. Hof Leeuwarden, 26 maart 2003, WAHV 02/01144, LJN AF7658, te raadplegen via rechtspraak.nl), dat wanneer de betrokkene is verzocht om binnen een bepaalde termijn aan te geven of hij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord en op die uitnodiging niet is gereageerd, dat in dat geval van het horen van de betrokkene mag worden afgezien.

14. In het beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft de betrokkene niet aangegeven dat zij wenste te worden gehoord door de officier van justitie en heeft zij evenmin een telefoonnummer vermeld waarop zij overdag bereikbaar is.

15. Uit het voorgaande volgt dat de officier van justitie het horen van de betrokkene achterwege mocht laten. Dat de officier van justitie in zijn beslissing heeft overwogen dat hij het horen van de betrokkene achterwege heeft gelaten om de reden dat het beroep kennelijk ongegrond zou zijn, doet hieraan niet af.

16. Gelet op het vorenoverwogene is het hof - anders dan de kantonrechter - van oordeel dat in onderhavige zaak niet is gebleken van redenen die er toe zouden moeten leiden dat de sanctie achterwege gelaten moet worden dan wel tot een matiging van het opgelegde sanctiebedrag zouden moeten leiden. Derhalve zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep ongegrond verklaren.

17. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep ongegrond;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Sekeris en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.