Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BV2288

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
31-01-2012
Zaaknummer
200.080.319
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd wegens strijd met algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging, omdat de kantonrechter na sluiting van het onderzoek ter zitting onderzoek heeft laten doen naar de vraag of er zekerheid is gesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.080.319

29 juni 2011

CJIB 114910434

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Arnhem

van 7 oktober 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Arnhem genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

Daarbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 15 juni 2011. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. A. Dijkstra.

Beoordeling

1. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter geoordeeld dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie. Daarbij heeft de kantonrechter - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

"Appellant is verschenen op de zitting van 4 maart 2010 om het betalingsbewijs zoals genoemd in het proces-verbaal van 5 november 2009 te overleggen (het hof leest: over te leggen) en toe te lichten. Appellant voert aan dat de sanctie opgelegd middels beschikkingnummer 114910434 is betaald en overlegd (het hof leest: legt over) een betalingsoverzicht van de ABN AMRO bank. De griffier heeft op 15 oktober 2010 nogmaals aan de hand van dit overzicht gecontroleerd bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden of deze beschikking inderdaad betaald is. De sanctie die is opgelegd middels beschikkingsnummer 114910434 is door appellant nog niet voldaan. (…). De kantonrechter stelt vast dat appellant geen zekerheid heeft gesteld. (…). Gesteld noch gebleken zijn feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld kan worden dat het niet voldoen aan de verplichting tot zekerheidstelling verschoonbaar is. Naar het oordeel van de kantonrechter dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard."

2. In aanmerking genomen dat de beslissing van de kantonrechter in het openbaar is uitgesproken op 7 oktober 2010 stelt het hof vast dat het door de kantonrechter in zijn overwegingen genoemde onderzoek door de griffier van 15 oktober 2010 na de sluiting van het onderzoek heeft plaatsgevonden. Daardoor heeft de kantonrechter gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging.

De beslissing van de kantonrechter kan om die reden niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

3. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie overweegt het hof als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden.

4. De beslissing van de officier van justitie is blijkens de stukken op 21 oktober 2008 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 2 december 2008. Het beroepschrift is gedateerd 13 januari 2009 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 16 januari 2009 door de CVOM ontvangen. Het beroep is dus niet tijdig ingesteld.

5. De betrokkene heeft ter zitting van het hof verklaard niet meer precies te weten waarom het beroep niet tijdig is ingesteld. De hele zaak ligt echter buiten zijn macht omdat hij in 2004 failliet is verklaard en de curator destijds alles heeft meegenomen. De betrokkene heeft hem twee jaar geleden nog gebeld en tijdens dat gesprek heeft de curator gesteld dat hij alles bij de kantonrechter te Arnhem had neergelegd.

6. Uit de gedingstukken blijkt dat de betrokkene bij vonnis van 10 november 2004 in staat van faillissement is verklaard en dat aan de curator last is gegeven tot het openen van aan de gefailleerde gerichte brieven en telegrammen. Nog afgezien daarvan dat ook het handelen van de curator voor rekening van de betrokkene komt, is niet gebleken, en de betrokkene heeft dat ter zitting van het hof ook niet aannemelijk gemaakt, dat aan hem gerichte poststukken ook nog in 2008 door de curator dienden te worden geopend en afgehandeld.

7. Nu gelet hierop het verzuim om tijdig beroep in te stellen niet verschoonbaar kan worden geacht, zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren. Dat brengt mee dat de vraag of tijdig zekerheid is gesteld geen bespreking behoeft en dat het hof niet toekomt aan inhoudelijke beoordeling van het beroep.

8. Nu de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd zal het hof aan de betrokkene een vergoeding toekennen voor reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting van het hof en het bijwonen van de zittingen van de kantonrechter op 2 juli 2009, 5 november 2009 en 4 maart 2010. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht vindt vergoeding van reiskosten plaats op basis van de kosten van openbaar vervoer 2e klas. Dat brengt mee dat voor vergoeding in aanmerking komen de reis van NS-station Geldermalsen naar Leeuwarden v.v. (€ 45,20) + 3 x de reis van [opstapplaats OV] naar Tiel v.v. (3 x € 1,53 v.v.) = € 45,20 + € 9,18 = € 54,38.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 54,38.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.