Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BV1387

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
19-01-2012
Zaaknummer
200.098.232/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening ex art. 287 lid 4 Fw. Indiening bij de rechtbank of het hof?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 22 december 2011

Zaaknummer 200.098.232

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

1. [appellant sub 1],

hierna te noemen: [appellant sub 1],

2. [appellante sub 2],

hierna te noemen: [appellante sub 2],

echtelieden,

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. G.B. de Jong, kantoorhoudende te Hoogezand.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 24 november 2011 heeft de rechtbank Groningen het verzoek van [appellanten] tot het geven van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287, vierde lid, van de Faillissementswet (hierna: Fw), afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 5 december 2011, hebben [appellanten] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de rechtbank alsnog het verzoek om een voorlopige voorziening zal behandelen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 14 december 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn [appellant sub 1] en [appellante sub 2], bijgestaan door hun advocaat. Tijdens die zitting is ook behandeld het hoger beroep van [appellanten], gericht tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 16 november 2011, waarbij het verzoek om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen uit te spreken, is afgewezen. Het hof doet heden bij afzonderlijk arrest ook uitspraak op het hoger beroep tegen dit vonnis (onder zaaknummer 200.097.358).

De beoordeling

Inleiding

1. De rechtbank heeft bij beschikking waarvan beroep overwogen dat uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287, vierde lid, Fw wordt betrokken de vraag of (on)aannemelijk is dat het onderliggende verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden toegewezen. In het onderhavige geval is er volgens de rechtbank niet zozeer sprake van dat het onaannemelijk is dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden toegewezen, maar is dit verzoek bij vonnis van 16 november 2011 reeds afgewezen. Om deze reden heeft de rechtbank het verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening afgewezen.

De rechtbank heeft er voor de volledigheid op gewezen dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening naar haar oordeel thans ingediend moet worden bij het hof, waar het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling aanhangig is.

2. [appellanten] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiertegen in hoger beroep gekomen.

Het oordeel

3. Op grond van artikel 287, vierde lid, Fw is de rechtbank in spoedeisende zaken bevoegd, gelet op de belangen van partijen, een voorlopige voorziening bij voorraad te geven. De voorlopige voorziening wordt gevraagd in het verzoek-schrift of, indien dit al is ingediend, bij afzonderlijk verzoekschrift. De artikelen 256, 257 en 258 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zijn van overeenkomstige toepassing. Op hoger beroep zijn de artikelen 358 tot en met 362 Rv van toepassing.

4. [appellanten] hebben de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen door te verbieden dat NV Waterbedrijf Groningen overgaat tot beƫindiging van de waterlevering aan hen en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [appellanten] hebben voorts de rechtbank verzocht te bepalen dat deze voorziening geldt tot de datum waarop uitspraak zal worden gedaan in het door hen ingestelde hoger beroep tegen de afwijzing van hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

5. Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening als volgt. Bij arrest van heden is het verzoek van [appellanten] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen afgewezen. Nu [appellanten] in hun verzoekschrift uitsluitend een voorziening hebben verzocht voor de periode totdat er in hoger beroep is beslist op het verzoek tot toelating tot de schuldsanerings-regeling (en derhalve niet voor de periode dat er cassatie kan worden ingesteld en/of de periode dat de cassatieprocedure aanhangig is), hebben [appellanten] geen belang meer bij de behandeling van het verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening. Op grond hiervan zal het hof het onderhavige verzoek derhalve afwijzen.

6. Ten overvloede merkt het hof het volgende op met betrekking tot de vraag van de advocaat van [appellanten] of in situaties als de onderhavige het verzoekschrift tot het geven van een voorlopige voorziening bij de rechtbank of bij het hof ingediend dient te worden. Op grond van het bepaalde in artikel 287, vierde lid, Fw dient het verzoekschrift bij de rechtbank te worden ingediend. Echter, gezien de strekking van de wet - te weten een voorziening geven zolang er nog niet definitief is beslist op een verzoek tot toepassing van de schuldsanering - is het hof van oordeel dat dit verzoek ook bij afzonderlijk verzoekschrift bij het hof kan worden ingediend indien tegen een door de rechtbank afgewezen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling hoger beroep is ingesteld en hierop nog niet is beslist (zie ook hof Amsterdam, 18 september 2009, LJN BL1956). Het hof is immers de instantie die op dat moment het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in behandeling heeft en derhalve op de hoogte is van de laatste stand van zaken.

Wanneer de schuldenaar ervoor kiest om het verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening bij de rechtbank in te dienen nadat de rechtbank het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen, dient de rechtbank naar het oordeel van het hof bij de beoordeling van het verzoek rekening te houden met de mogelijkheid dat er hoger beroep ingesteld kan worden. Indien er, zoals in het onderhavige geval, reeds een beroepschrift is ingediend, dient de rechtbank in de beoordeling van het verzoek te betrekken haar inschatting op grond van dit beroepschrift van de kans van slagen van het beroep en derhalve de kans dat de schuldenaar alsnog wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

Slotsom

7. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, B.J.H. Hofstee en M.A.L.M. Willems, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 december 2011 in bijzijn van de griffier.