Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU9570

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
200.091.621/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof wijkt af van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg en bepaalt het hoofdverblijf van de kinderen bij vader.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 20 december 2011

Zaaknummer 200.091.621

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R.A. Schütz, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P. Rijnsburger, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 18 mei 2011 heeft de rechtbank Leeuwarden - voor zover hier van belang - bepaald dat de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [in 2004], [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 2009] en [kind 3] (hierna: [kind 3]), geboren [in 2009], vanaf heden hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 2 augustus 2011, heeft de vader verzocht de beschikking van 18 mei 2011 te vernietigen (naar het hof begrijpt:) voor zover deze het hoofdverblijf betreft en opnieuw beslissende te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben.

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 6 september 2011, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht de vader het bij appelschrift ingediende verzoek te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 29 november 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader, mr. Schütz, de moeder en mr. Rijnsburger. Namens BJZ zijn mevrouw Lautenbach en de heer De Wit verschenen. Mevrouw Douma is namens de raad verschenen. Mr. Schütz heeft een pleitnota overgelegd.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 1 augustus 2008 in de gemeente Leeuwarden met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk is uit de affectieve relatie tussen de ouders de thans nog minderjarige [kind 1] geboren. Uit het huwelijk van partijen zijn de thans nog minderjarige [kind 2] en [kind 3] geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind 1], [kind 2] en [kind 3].

2. Bij beschikking van de rechtbank van 5 januari 2011 is - voor zover thans van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voor zover in deze van belang beslist zoals hiervoor vermeld onder het kopje "Het geding in eerste aanleg".

Het oordeel van het hof

4. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of de kinderen van partijen hun hoofdverblijf bij de moeder moeten houden.

5. Uit het raadsrapport komt naar voren dat er ernstige zorgen ten aanzien van de kinderen bestaan. Als gevolg van de strijd tussen de ouders verkeren de kinderen in een onveilige, onrustige en instabiele opvoedingssituatie. Gebleken is dat bij [kind 1] sprake is van gedragsproblematiek. [kind 1] gedraagt zich druk en opstandig en kan zich moeilijk concentreren. De schoolresultaten van [kind 1] zijn achteruit gegaan sinds de ouders uit elkaar zijn. De raad heeft geadviseerd om het hoofdverblijf bij de moeder te laten omdat het van belang is zoveel mogelijk continuïteit te realiseren met betrekking tot de situatie van de kinderen. Uit dit onderzoek is niet gebleken van zorgen betreffende het functioneren van moeder.

Het hof heeft echter, anders dan de raad, twijfels over het kunnen waarborgen door de moeder van de veiligheid van de kinderen. Het hof overweegt daartoe het volgende.

6. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is het hof van oordeel dat er grote zorgen ten aanzien van de belastbaarheid van de moeder bestaan. De moeder is in 2009 gediagnosticeerd met een complexe posttraumatische stressstoornis. Het verleden van de moeder is zeer belast. Aangezien de moeder niet in staat leek een intensieve en zeer frequente deeltijdbehandeling voor haar problematiek te ondergaan, is zij individuele psychotherapie aangegaan. Uit een rapportage van 26 oktober 2009 van een verzekeringsarts van het UWV komt naar voren dat verwacht wordt dat ondersteunende psychotherapie langere tijd zal moeten voortduren. Voorts blijkt uit de rapportage dat de moeder zich, naar eigen zeggen, eind 2009 net staande kon houden in de thuissituatie. Ze heeft bij de verzekeringsarts te kennen gegeven dat ze nog niet goed in haar vel zit en dat het zeer onrustig is in haar hoofd. Volgens de moeder zou het helemaal misgaan als er meer spanningen bij zouden komen. Nog vrij recent, namelijk in haar brief van 3 maart 2010, heeft zij aangegeven dat ze nog steeds last heeft van aanzienlijke spanningen. Als ook maar iets haar teveel is, krijgt ze een blokkade in haar hoofd waardoor ze niet meer helder kan nadenken. Gebleken is dat de moeder ondanks de onverminderde ernst van haar problematiek geen hulp meer ontvangt. De moeder is met de psychotherapie gestopt omdat de therapie haar niet verder zou helpen. Onlangs is gebleken dat de moeder haar spanningen nog steeds niet op een goede manier kan hanteren. In september 2011 heeft de moeder enkele weken niet voor de kinderen kunnen zorgen, omdat de zorg op dat moment te zwaar voor haar was geworden. De vader heeft in die periode voor de kinderen gezorgd. Het hof acht het zorgelijk dat BJZ niet heeft zien aankomen dat de spanningen bij de moeder (te) hoog zijn opgelopen en ook dat de moeder zelf niet eerder hulp heeft gevraagd. Het hof heeft op grond van de stukken en de behandeling ter zitting de indruk gekregen dat moeders draagkracht en draaglast niet in balans zijn en dat zij er moeite mee heeft dat te onderkennen.

7. Ten aanzien van de vader is zorgelijk dat er een sexueel incident met zijn stiefdochter, de oudste dochter van de moeder, heeft plaatsgevonden. De vader heeft het incident erkend en is voor zijn handelen strafrechtelijk veroordeeld. Hij heeft inmiddels een cursus bij de GGD gevolgd om mogelijke herhaling te voorkomen. Daarnaast komt uit het raadsrapport naar voren dat er zorgen over bestaan of de vader in staat is de moeder toe te laten in het leven van de kinderen, indien het hoofdverblijf bij hem wordt bepaald. Gebleken is dat de vader geen vertrouwen heeft in de opvoedingsvaardigheden van de moeder en haar diskwalificeert als stabiele opvoeder.

8. Hoewel het hof ervan overtuigd is dat de raad op zorgvuldige wijze onderzoek heeft verricht, heeft het hof de stellige indruk dat de wijze van ageren van de vader de inhoud van het raadsrapport heeft beïnvloed in die zin dat tengevolge daarvan bepaalde aspecten, met name ten aanzien van de veiligheid van de kinderen, onderbelicht zijn gebleven.

De vader heeft aanhoudend zorg en aandacht gevraagd voor de lichamelijke veiligheid van de kinderen. Het hof is van oordeel dat de vader onvoldoende in zijn zorgen is gehoord door de raad, hetgeen wellicht mede te maken heeft met zijn aandringende en volhardende houding. De vader heeft in deze procedure, maar ook al eerder aan diverse instanties, een aanzienlijke hoeveelheid foto's overgelegd waarop blauwe plekken bij de kinderen zijn te zien. BJZ heeft aangegeven dat twee vertrouwensartsen naar aanleiding van de foto's hebben geconcludeerd dat het voornaamste deel van de blauwe plekken op de scheenbenen en knieën zijn en dat die geen aanwijzingen bieden voor kindermishandeling. Naar het oordeel van het hof is echter onvoldoende helderheid verschaft over de aard van het overige deel van de blauwe plekken hetgeen, mede gelet op de kwetsbaarheid van de moeder en de gedragsproblematiek en de uitlatingen van [kind 1], in de rede had gelegen. Voorts is ook niet onaannemelijk dat, onder verwijzing naar de door vader overgelegde stukken, de moeder niet steeds toezicht houdt op de veiligheid van de kinderen. Naar het oordeel van het hof zijn de zorgen van de vader over de kinderen te snel ten onrechte afgedaan in het kader van de echtscheidingsstrijd die tussen de ouders gaande is en welke een negatief effect heeft op de kinderen. Weliswaar is er waarschijnlijk sprake van loyaliteitsproblematiek bij [kind 1], maar opvallend is dat [kind 1] een negatieve houding naar de moeder heeft, alwaar hij verblijft, en een positieve houding naar de vader. Een psycholoog van het MCL heeft medio 2011 een Familie Relatie Test afgenomen bij [kind 1], waarbij [kind 1] voorgedrukte briefjes naar gezinsleden moest sturen. De vader heeft uitsluitend de positieve briefjes gekregen en de moeder uitsluitend de negatieve. Het hof constateert dat dat a-typisch en zorgelijk is. Ook is [kind 1] alleen naar de politie gefietst om aan te geven dat hij bij de vader wil wonen. Over het algemeen is een kind dat in een ernstig loyaliteitsconflict verkeert, juist loyaal aan de ouder bij wie hij verblijft en neigt het de andere ouder te ontkennen. De negatieve houding van [kind 1] naar de moeder behoeft niet te betekenen dat er zorgen zijn ten aanzien van de veiligheid van de kinderen, maar mede gelet op de overige signalen is het hof van oordeel dat de zorgen van de vader te eenzijdig zijn benaderd.

9. Alles overwegende, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het hoofdverblijf van de kinderen - anders dan de raad en BJZ hebben geadviseerd - in het belang van de kinderen bij de vader dient te worden bepaald. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de situatie van de moeder per saldo minder stabiel is dan de situatie van de vader en zich meer veiligheidsrisico's bij de moeder dan bij de vader voordoen. Indien de moeder minder frequent de zorg heeft voor de kinderen, is zij naar het oordeel van het hof goed in staat de kinderen een warm en veilig opvoedingsklimaat te bieden. Voorts neemt het hof in aanmerking - en acht dit ook van groot belang - dat de vader er ter zitting mee akkoord is gegaan dat de kinderen twee tot drie weekenden per maand omgang met de moeder zullen hebben voor het geval het hoofdverblijf van de kinderen bij hem wordt bepaald. Indien de vader zal trachten de contacten tussen de moeder en de kinderen af te houden, wijst het hof erop dat in dat geval wellicht andere maatregelen dienen te worden genomen.

10. Nu het hof zal bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben, dient in het belang van de kinderen een intensieve omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen tot stand te komen. Het hof is van oordeel dat tenminste twee weekenden per maand van vrijdagochtend 10.00 uur tot maandagochtend 10.00 uur omgang tussen de moeder en de kinderen dient plaats te vinden en dat in de week dat er geen omgang in het weekend plaatsvindt, de moeder op woensdag van 12.00 uur tot 17.00 uur omgang dient te hebben met de kinderen, met dien verstande dat de omgang tussen de moeder en [kind 1] zal aanvangen wanneer [kind 1] uit school komt. Het halen en brengen van de kinderen dienen de ouders evenredig te verdelen. Het hof gaat ervan uit dat de vader aan een dergelijke omgangsregeling in overleg met BJZ zal meewerken, totdat er een definitieve omgangsregeling is vastgesteld.

11. Het hof ziet geen aanleiding een onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de vader te laten verrichten, zoals door de moeder is verzocht. Het hof acht zich op grond van de stukken en de behandeling ter zitting voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen en acht nader onderzoek in de onderhavige procedure dan ook niet aangewezen. Uit het raadsrapport komt naar voren dat de vader over voldoende vaardigheden beschikt om de kinderen te kunnen verzorgen en op te voeden. Bovendien heeft BJZ ter zitting aangegeven dat de vader goed voor de kinderen heeft gezorgd in de periode dat de kinderen enkele weken bij hem verbleven.

12. De vader heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de uitkomsten van het onderzoek van de GGZ naar [kind 1] af te wachten. Nog daargelaten dat het hof zich op dit moment reeds voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen, heeft BJZ ter zitting aangegeven dat er geen onderzoek naar [kind 1] zal plaatsvinden. Volgens BJZ is het de bedoeling dat [kind 1] creatieve therapie zal volgen om beter met beide ouders om te kunnen gaan. In de omstandigheid dat er een procedure bij de rechtbank aanhangig is inzake de vaststelling van een zorgregeling ziet het hof evenmin aanleiding om de behandeling aan te houden.

Slotsom

13. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

bepaalt dat de minderjarigen [kind 1], geboren [in 2004], [kind 2], geboren [in 2009] en [kind 3], geboren [in 2009], vanaf heden hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, A.W. Beversluis en E.M. Kostense, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 december 2011 in bijzijn van de griffier.