Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU8969

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
200.081.148/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het oordeel van de kantonrechter dat de mishandeling van de bedrijfsarts door de werknemer voldoende grond oplevert voor een ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-1069
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 december 2011

Zaaknummer 200.081.148/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudende te Leek,

tegen

Novawork B.V.,

gevestigd te Tolbert, gemeente Leek,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Novawork,

advocaat: mr. F.R. Brouwer, kantoorhoudende te De Meern.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 26 mei 2010 en 10 november 2010 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, hierna: de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 21 januari 2011 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van Novawork tegen de zitting van

1 februari 2011.

[appellant] heeft in het petitum van de appeldagvaarding gevorderd:

"te vernietigen de vonnissen d.d. 26 mei 2010 en 10 november 2010 van de Rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, tussen partijen gewezen (…) en opnieuw rechtdoende:

de door appellant ingestelde vorderingen alsnog toe te wijzen;

met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te beslissen overeenkomstig de eis, vermeld in de appeldagvaarding, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de Wet zulks toelaat.

Bij memorie van antwoord is door Novawork verweer gevoerd met als conclusie:

"bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- [appellant] in zijn verzoek tot vernietiging van de op 26 mei 2010 en 10 november 2010 door de Rechtbank Groningen gewezen vonnis (…) en het verzoek opnieuw rechtdoende te bepalen dat de door [appellant] ingestelde vorderingen alsnog zullen worden toegewezen, niet ontvankelijk te verklaren, althans zijn vorderingen af te wijzen;

- één en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van onderhavige procedure."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft acht grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1.1. Het hof ziet aanleiding de feiten zelf vast te stellen. Het gaat in deze procedure om het volgende.

1.2. [appellant], geboren op 12 december 1965, is in het kader van reïntegratie met ingang van 1 juni 2008 voor een periode van 1 jaar bij Novawork in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker. Het laatstverdiende salaris bedroeg € 1.074,27 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

1.3. Eind januari 2009 heeft [appellant] zich ziek gemeld vanwege een te hoge bloeddruk en constante hoofdpijn. In overleg met zijn direct leidinggevende heeft [appellant] op maandag 9 februari 2009 een halve dag gewerkt. Per 10 februari 2009 heeft [appellant] zich weer volledig ziek gemeld.

1.4. [appellant] heeft op 11 februari 2009 tussen 10.00 en 11.00 uur de bedrijfsarts [bedrijfsarts], werkzaam bij de Arbo Unie B.V. te Groningen, bezocht op de spreekuurlocatie te Tolbert, een bedrijfsgebouw van Novawork. Toen [appellant] geen gevolg wilde geven aan het verzoek van de bedrijfsarts om te vertrekken, heeft de bedrijfsarts zelf de spreekkamer verlaten. [appellant] heeft een zich in de spreekkamer bevindend toetsenbord van het bureau gegooid, waarbij tevens een beeldscherm is omgevallen.

1.5. In de spreekuurrapportage van de bedrijfsarts van 11 februari 2009 staat onder meer:

"(…) Ondanks mijn aandringen weigerde uw medewerker om de spreekkamer te verlaten. Daarop verliet ik zelf de spreekkamer. Ik hoorde dat uw medewerker zich onderwijl ontfermde over het toetsenbord en het beeldscherm van mijn computer. Kort daarop verliet uw medewerker mijn spreekkamer. Toen ik mijn spreekkamer weer wilde ingaan, om de eventuele schade in kaart te brengen, deelde uw medewerker mij plotsklaps een vuistslag toe ter hoogte van mijn linkerkaakhoek. Daarop heb ik onverwijld de spreekuurlocatie verlaten."

1.6. De bedrijfsarts heeft op 11 februari 2009 om 12.20 uur bij de politie aangifte gedaan van eenvoudige mishandeling. In het proces-verbaal van aangifte staat onder meer:

"(…) Ik heb [appellant] verteld dat ik ging vertrekken. Ik ben toen de spreekkamer uitgelopen. Bij het verlaten van de spreekkamer hoorde ik [appellant] zeggen: "moet je dit dan ook niet meenemen?"Ik hoorde toen dat er spullen op de grond vielen. Ik zag toen dat [appellant] een toetsenbord van de in de spreekkamer aanwezige computer op de grond had gegooid. Voorts zag ik dat [appellant] ook was opgestaan en achter mij de spreekkamer wilde verlaten. We kwamen in de hal terecht en ik heb toen [appellant] nog even aangekeken. Toen ook [appellant] de spreekkamer had verlaten ben ik even weer naar de spreekkamer gegaan. Ik zag toen dat het toetsenbord van de computer op de grond lag. Deze was gedeeltelijk vernield. Op het moment dat ik mij in de deuropening van de spreekkamer bevond voelde ik een hevige klap in mijn nek. Dit was aan de linkerzijde van mijn nek c. q. hals. Ik voelde direct een pijn, het schudde even door mijn kaak. Ik bemerkte dat ik enkele tellen wazig zag. Ik draaide mij om en zag dat [appellant] vlak achter mij stond. Er was verder niemand in de omgeving van ons beiden. Ik weet zeker dat [appellant] mij een forse vuistslag heeft toegediend (...)"

1.7. De bedrijfsarts heeft meteen na zijn spreekuurcontact met [appellant] een bezoek gebracht aan [P&O adviseur], P&O adviseur van Novawork, en [coördinator], coördinator bij Novawork.

1.8. [P&O adviseur] heeft daarover op 13 augustus 2009 schriftelijk onder meer verklaard:

"(...) Toen [bedrijfsarts] de evt. schade wou bekijken kwam [appellant] de spreekkamer binnen en heeft hem een kaakslag gegeven.

Hierop volgend is [bedrijfsarts] overstuur bij mij gekomen. Het was zichtbaar dat hij in zijn gezicht geraakt was, deze was plaatselijk rood gekleurd. (...) dat [bedrijfsarts] door dit voorval zichtbaar overstuur was."

1.9. [coördinator] heeft daarover op 20 augustus 2009 schriftelijk onder meer verklaard:

"Op 11 februari 2009 omstreeks 10.45 uur kwam [bedrijfsarts], bedrijfsarts Novatec/NovaWork mijn kantoor binnen met de mededeling dat hij een klap had gekregen van een medewerker tijdens het spreekuur. Ik zag bij [bedrijfsarts] een rode plek op de zijkant van zijn hals."

1.10. Novawork heeft [appellant] bij brief van 11 februari 2009 op staande voet ontslagen. Als reden voor het ontslag is opgegeven:

"U heeft woensdag 11 februari 2009 een bezoek gebracht aan onze bedrijfsarts, [bedrijfsarts].

Tijdens dit bezoek heeft u fysiek geweld gebruikt tegen [bedrijfsarts], Dit heeft zich op de volgende wijze geuit: U heeft het toetsenbord van het bureau gegooid en het beeldscherm omver geworpen. Toen [bedrijfsarts] de schade wou bekijken heeft u hem een kaakslag gegeven."

1.11. Bij brief van 13 februari 2009 heeft [appellant] de nietigheid ingeroepen van het hem gegeven ontslag, omdat hij geen fysiek geweld tegen de bedrijfsarts heeft gebruikt.

1.12. Novawork heeft bij brief van 17 februari 2011 het ontslag gehandhaafd.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. [appellant] heeft gevorderd voor recht te verklaren primair dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst althans het door Novawork op 11 februari 2009 gegeven ontslag nietig is en subsidiair dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst althans het door Novawork op 11 februari 2009 gegeven ontslag door [appellant] op 13 februari 2009 is vernietigd althans voornoemde opzegging van de arbeidsovereenkomst als vernietigd te verklaren. [appellant] heeft verder - kort weergegeven - betaling van het loon over de periode van 12 februari 2009 tot

1 juni 2009 gevorderd alsmede de aan hem toekomende vakantietoeslag en een vergoeding voor door hem opgebouwde maar niet-genoten vakantie-uren, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en met veroordeling van Novawork in de proceskosten.

2.1. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat hij de bedrijfsarts niet heeft geslagen. Hij heeft zich binnen het bedrijf nimmer eerder aan agressief gedrag schuldig gemaakt. De hem eerder door Novawork gegeven waarschuwing had volstrekt niet van doen met agressief gedrag. Hij heeft daarentegen wel een positieve beoordeling van Novawork ontvangen. Nu Novawork zich voor het ontslag op staande voet alleen op de beweerde gedraging jegens de bedrijfsarts beroept, is het ontslag onterecht gegeven.

2.2. Novawork heeft de vordering betwist.

2.3. Na [appellant] in de gelegenheid te hebben gesteld tegenbewijs te leveren tegen de voorshands door de kantonrechter bewezen geachte mishandeling van de bedrijfsarts door [appellant], is in het eindvonnis de vordering van [appellant] afgewezen en is [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

De nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep

3. Novawork heeft een beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep en daartoe aangevoerd dat [appellant] heeft nagelaten de appeldagvaarding te voorzien van een duidelijke en bepaalde conclusie. [appellant] had volgens Novawork tot uitdrukking moeten brengen welke beslissing volgens hem na een eventuele vernietiging ten aanzien van de in eerste aanleg berechte vordering door het hof moet worden genomen. Het blijft voor Novawork gissen op welke vorderingen [appellant] precies doelt.

4. Het hof is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. In de appeldagvaarding heeft [appellant] in voldoende mate duidelijk gemaakt dat hij tegen de twee tussen partijen gewezen vonnissen in hoger beroep komt en dat hij wil dat zijn oorspronkelijke vorderingen alsnog zullen worden toegewezen. Zulks was voor Novawork volstrekt duidelijk. De precieze bezwaren tegen genoemde vonnissen heeft [appellant] niet in de appeldagvaarding maar in de memorie van grieven verwoord.

Niet-ontvankelijkheid

5. Novawork heeft voorts aangevoerd dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard althans dat zijn vorderingen moeten worden afgewezen, nu hij heeft nagelaten zijn vorderingen te motiveren en met bewijs te staven. [appellant] heeft dan ook niet voldaan aan zijn substantiërings- en motiveringsplicht. Ook laat [appellant] na om ergens conclusies aan te verbinden. [appellant] poneert slechts stellingen en drogredenen. In de appeldagvaarding worden slechts de standpunten die [appellant] aanhangt, uiteengezet maar deze zijn niet gemotiveerd noch door enig bewijsmiddel gestaafd, aldus Novawork.

6. Nu [appellant] tijdig in appel is gekomen, kan hij in zijn hoger beroep worden ontvangen. Ook verder zijn geen feiten gesteld die tot de slotsom moeten leiden dat [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Of de grieven die [appellant] tegen de bestreden vonnissen heeft aangevoerd, slagen, zal hierna worden behandeld, maar zulks is niet bepalend voor de ontvankelijkheid.

De behandeling van de grieven

7. [appellant] is in grief I opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter in r.o. 1.3 van diens vonnis van 26 mei 2010 dat de bedrijfsarts op 11 februari 2009 het gesprek met [appellant] heeft beëindigd na verwijten van [appellant] aan zijn adres.

7.1. [appellant] heeft ter onderbouwing van deze grief aangevoerd dat de bedrijfsarts, toen [appellant] zijn fysieke problemen aan hem wilde uitleggen, terstond aan hem heeft meegedeeld dat hij [appellant] in staat achtte om werkzaamheden te verrichten. [appellant] heeft daarop nogmaals geprobeerd zijn fysieke problemen aan de bedrijfsarts kenbaar te maken, maar de bedrijfsarts liet weten dat hij [appellant] niet meer wilde aanhoren. De bedrijfsarts is, terwijl [appellant] nog met zijn uitleg bezig was, opgestaan en heeft hem ([appellant]) verzocht te vertrekken. Toen [appellant] daarop te kennen gaf dat hij zijn problemen graag wilde vertellen, is de bedrijfsarts vertrokken.

8. Volledigheidshalve wordt overwogen dat Novawork tegen deze grief geen verweer heeft gevoerd. Nu het hof de grieven zelfstandig heeft vastgesteld, heeft [appellant] bij de behandeling van deze grief geen belang meer. Het hof heeft bij de vaststelling van de feiten geen aandacht geschonken aan de vraag waarom de bedrijfsarts het gesprek wilde beëindigen, nu dit voor de beoordeling van het geschil niet van belang is. Dat betekent echter niet dat het door [appellant] geschetste verloop van zijn onderhoud met de bedrijfsarts het hof zonder meer geloofwaardig voorkomt.

De grief treft geen doel.

9. [appellant] is in de grieven II en III opgekomen tegen de overwegingen van de kantonrechter in diens vonnis van 26 mei 2010 omtrent de bewijspositie van partijen en tegen diens oordeel dat het gebruik van fysiek geweld door [appellant] een reden voor een ontslag op staande voet oplevert.

9.1. [appellant] betwist dat uit de vaststaande feiten voortvloeit dat vooralsnog door Novawork is aangetoond dat [appellant] fysiek geweld tegen de bedrijfsarts heeft gebruikt door hem te slaan. Ten onrechte heeft de kantonrechter daarbij volgens [appellant] overwogen dat hij aan de verklaring van de bedrijfsarts meer gewicht toekent dan aan die van [appellant], nu de bedrijfsarts in de onderhavige procedure geen eigen belang bij de door hem afgelegde verklaring heeft en zelfs kan worden gezegd dat een bedrijfsarts in het algemeen op grond van zijn beroepsregels terughoudend zal zijn met het melden van de inhoud van een spreekuurcontact, aldus [appellant]. Hem is dan ook ten onrechte opgedragen tegenbewijs te leveren.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat, indien daadwerkelijk sprake is van de mishandeling van de bedrijfsarts door [appellant] aan de voorwaarden voor een ontslag op staande voet als vermeld in art. 7: 677 lid 1 BW is voldaan. [appellant] heeft echter betwist dat hij de bedrijfsarts heeft mishandeld.

11. Partijen zijn het er terecht over eens dat, nu [appellant] de reden voor het hem op staande voet gegeven ontslag betwist, de stelplicht en daarmee de bewijslast van de geldige dringende reden op Novawork rust (HR 27-9-1996, LJN: ZC2148,

NJ 1997, 42). De kantonrechter heeft deze bewijspositie ook niet miskend toen hij tot het oordeel kwam dat Novawork vooralsnog voldoende had aangetoond dat [appellant] fysiek geweld tegen de bedrijfsarts heeft gebruikt en dat hij [appellant] tot het leveren van tegenbewijs heeft toegelaten.

Deze grieven kunnen dan ook niet tot vernietiging van de aangevochten vonnissen leiden.

12. Voor zover grief II zich tegen de bewijswaardering door de kantonrechter richt, zal het hof daarop terugkomen bij de bespreking van de grieven V tot en met VII.

13. [appellant] is in grief IV opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter in diens vonnis van 10 november 2010 dat hij blijft bij hetgeen hij in het tussenvonnis heeft overwogen en beslist te weten, dat het gedrag van [appellant], dat een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, vooralsnog vaststaat en dat [appellant] daartegen tegenbewijs heeft mogen leveren.

14. In de toelichting op deze grief verwijst [appellant] naar hetgeen hij ter toelichting op de grieven II en III heeft aangevoerd. Met deze toelichting heeft [appellant] echter in het geheel niet onderbouwd op grond waarvan de kantonrechter in het op het tussenvonnis van 26 mei 2010 volgend eindvonnis niet heeft mogen overwegen dat hij blijft bij hetgeen hij eerder in het tussenvonnis over het aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet heeft overwogen en beslist. Van [appellant] had mogen worden verwacht dat hij in zijn toelichting ten minste zou hebben aangegeven waarom de kantonrechter in zijn eindvonnis - zonder nadere overweging - tot een ander oordeel had moeten komen.

Deze grief faalt derhalve.

Ten aanzien van de bewijslevering

15. [appellant] is in grief II ook opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat Novawork voorshands was geslaagd in het leveren van het bewijs dat [appellant] [bedrijfsarts] heeft mishandeld.

16. Novawork heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [appellant] fysiek geweld tegen de bedrijfsarts heeft gebruikt, aangevoerd dat de bedrijfsarts direct na het voorval naar de P&O adviseur en de coördinator bij Novawork is gegaan. Dezen hebben een rode plek in het gezicht/de hals van de bedrijfsarts waargenomen en geconstateerd dat de bedrijfsarts overstuur was. Novawork heeft daartoe verwezen naar de schriftelijke verklaringen van de heer [P&O adviseur] en [coördinator] dienaangaande (r.o. 1.7.). [appellant] heeft deze verklaringen weliswaar betwist, maar hij heeft niet en in elk geval onvoldoende toegelicht waarom deze verklaringen niet juist zouden zijn. Als niet betwist staat immers vast dat de bedrijfsarts zich direct na het consult van [appellant] bij de heer [P&O adviseur] en [coördinator] heeft vervoegd. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat [appellant] aan het einde van het consult bij de bedrijfsarts uit frustratie het toetsenbord van diens bureau heeft gegooid en daarmee het beeldscherm omver heeft geworpen. Het geven van een vuistslag past bij deze gedragingen. Gelet op de op dat punt niet betwiste verklaring van de bedrijfsarts moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] zich ten tijde van het gestelde incident in de directe nabijheid van [bedrijfsarts] bevond. Een verklaring voor de rode plek op het gezicht/de hals van [bedrijfsarts] heeft [appellant] echter niet gegeven. Het enkel opperen van een mogelijk struikelen in de hal door [bedrijfsarts] is daartoe onvoldoende. De kantonrechter is dan ook op goede gronden tot het oordeel gekomen dat Novawork voorshands was geslaagd in de op haar rustende bewijslast.

17. In grief V is [appellant] opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter in diens vonnis van 10 november 2010 dat het vooralsnog vaststaande feitencomplex het slaan van de bedrijfsarts door [appellant] betreft en dat de verklaring van de getuige [bedrijfsarts] dat feitencomplex geheel heeft bevestigd.

17.1. [appellant] heeft er in zijn toelichting op grief V op gewezen dat de door [bedrijfsarts] als getuige afgelegde verklaring wezenlijk afwijkt van diens eerdere verklaringen. Als getuige heeft [bedrijfsarts] namelijk verklaard dat hij, nadat hij de kamer had verlaten, iets hoorde dat op een toetsenbord leek dat op de grond viel en dat hij daarna, nadat ook [appellant] de kamer had verlaten, naar de kamer is gelopen om te kijken. In zijn aangifte heeft [bedrijfsarts] echter verklaard dat hij niet alleen hoorde, maar ook zag dat [appellant] een toetsenbord op de grond had gegooid, waarna hij tevens zou hebben gezien dat [appellant] de spreekkamer wilde verlaten.

18. Het is juist dat de verklaring die de bedrijfsarts als getuige op het punt van het verlaten van en het weer terugkeren naar de spreekkamer en het alleen horen dan wel ook zien dat [appellant] het toetsenbord op de grond gooide, niet geheel overeenstemt met hetgeen hij bij zijn aangifte (r.o. 1. 5.) dienaangaande heeft verklaard. Het gaat echter om een ondergeschikt detail en het komt vaker voor dat verklaringen op ondergeschikte punten niet geheel consistent zijn. Dat neemt niet weg dat de diverse verklaringen van de bedrijfsarts over de mishandeling door [appellant] - en daar gaat het in dezen om - wel consistent zijn. De kantonrechter is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de getuigenverklaring van [bedrijfsarts] het vooralsnog vaststaande feitencomplex bevestigt.

Grief V faalt dan ook.

19. [appellant] is in grief VI opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter dat de verklaring van de getuige [getuige 1] op enkele minder belangrijke onderdelen het feitencomplex heeft bevestigd en niets in het voordeel van [appellant] heeft verklaard.

19.1. [appellant] heeft in zijn toelichting op deze grief aangevoerd dat [getuige 1] ongeveer een half uur later dan [appellant] door [bedrijfsarts] in de wachtkamer is opgehaald. [getuige 1] heeft [bedrijfsarts] derhalve kort na het door Novawork gestelde incident gezien. [getuige 1] heeft verklaard dat hij aan [bedrijfsarts] geen verwondingen heeft gezien en hem was tijdens het gesprek ook niets aan [bedrijfsarts] opgevallen. Als de door Novawork gestelde zichtbare fysieke verwondingen als gevolg van de vuistslag daadwerkelijk zou hebben plaats gevonden, ligt het in de rede dat dit voor [getuige 1] zichtbaar moet zijn geweest. Nu dit niet het geval is geweest, levert dit het nodige tegenbewijs, aldus [appellant].

20. Novawork heeft betwist dat de bedrijfsarts ongeveer een half uur na het incident [getuige 1] heeft gesproken. Volgens Novawork is de bedrijfsarts eerst in de middag weer aan het werk gegaan.

21. Op grond van de verklaring van de door [getuige 1] als getuige afgelegde verklaring staat vast dat hij niet bij het incident aanwezig is geweest. Hij heeft dus niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren of [appellant] al dan niet fysiek geweld tegen de bedrijfsarts heeft gebruikt. Het enkele feit dat [getuige 1] ongeveer een half uur dan wel na een nog langere tijd na het gestelde incident geen verwonding bij de bedrijfsarts heeft geconstateerd en niets bijzonders aan hem heeft opgemerkt, maakt niet dat door deze verklaring de voorshands als vaststaand aangenomen mishandeling wordt ontzenuwd (HR 2-5-2003, LJN: AF3807, NJ 2003,468).

De grief faalt derhalve.

22. [appellant] is in grief VII opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter dat [appellant] als getuige een eigen belang heeft en dat dit eigen belang en de getuigenverklaringen van [bedrijfsarts] en [getuige 1] maken dat [appellant] het tegenbewijs niet heeft geleverd.

22.1. [appellant] heeft ter onderbouwing van deze grief aangevoerd dat in deze procedure naar zijn mening niet relevant is dat hij bij het afleggen van een verklaring een eigen belang heeft. [appellant] is in alle procedures eenduidig en consistent in zijn verklaringen geweest. Zijn verklaring levert tezamen met de verklaring van [getuige 1] het tegenbewijs op te meer nu de nodige vraagtekens bij de verklaring van [bedrijfsarts] kunnen worden gesteld. Hij is dan ook geslaagd in het leveren van het tegenbewijs.

23. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter bij het wegen van de getuigenverklaringen op goede gronden gewicht heeft gehecht aan het feit dat [appellant] - anders dan [getuige 1] en [bedrijfsarts] - partij in de procedure is en daarmee een eigen belang bij zijn verklaring heeft. Volledigheidshalve wordt nog overwogen dat [appellant] terecht heeft opgemerkt dat het doen van aangifte door de bedrijfsarts op zich niet het bewijs van mishandeling door [appellant] oplevert. De aangifte maakt wel duidelijk dat de bedrijfsarts zwaar aan het gestelde voorval tilt. De kantonrechter heeft daarbij terecht overwogen dat een bedrijfsarts in het algemeen op grond van zijn beroepsregels terughoudend zal zijn met het melden van de inhoud van een spreekuurcontact.

24. [appellant] heeft zijn stelling dat hij al vanuit het verleden een slechte relatie met de bedrijfsarts heeft, (en dat er daarom niet van kan worden uitgegaan dat de bedrijfsarts geen eigen belang bij de door hem afgelegde verklaring heeft) niet aannemelijk gemaakt, zodat niet van de juistheid van deze stelling kan worden uitgegaan. Het enkele feit dat [appellant] het kennelijk niet altijd eens is geweest met het oordeel van de bedrijfsarts, maakt zonder bijkomende feiten - die niet zijn gesteld of gebleken - niet dat van een slechte relatie moet worden gesproken.

Ook verder zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld die aanleiding geven aan de juistheid van de getuigenverklaring van [bedrijfsarts] te twijfelen.

25. Hiervoor is reeds overwogen dat de door [getuige 1] afgelegde verklaring niet maakt dat daardoor de voorshands aangenomen mishandeling wordt ontzenuwd. Ook wanneer de verklaring van [getuige 1] tezamen met de verklaring van [appellant] wordt bezien, maakt dit niet dat het hof tot het oordeel komt het [appellant] geslaagd is in het hem opgedragen tegenbewijs.

Ook deze grief treft geen doel.

26. Het hof is van oordeel dat nu ervan moet worden uitgegaan dat [appellant] de bedrijfsarts heeft mishandeld, deze gedraging op grond van art. 7: 678 lid 2 sub e BW een reden voor een ontslag op staande voet oplevert, waarbij de bedrijfsarts , nu hij in het bedrijf van Novawork spreekuur hield, in dezen als een medewerker van Novawork in de zin van genoemd wetsartikel moet worden aangemerkt. Er is immers niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat [appellant] gezien alle relevante omstandigheden van het mishandelen van de bedrijfsarts geen verwijt te maken valt althans dat gezien alle relevante feiten en omstandigheden een ontslag op staande voet als een te zware sanctie moet worden aangemerkt.

27. [appellant] komt in grief VIII op tegen de overweging en de beslissing van de kantonrechter dat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen en [appellant] in de proceskosten moet worden veroordeeld.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat deze grief faalt.

De slotsom.

28. De vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep. Het geliquideerd salaris van de advocaat van Novawork zal worden begroot op 1 punt naar tariefgroep I.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Novawork tot aan deze uitspraak op € 649,00 aan verschotten en € 632,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. J.M. Rowel-van der Linde, J.H. Kuiper en M.C.D. Boon-Niks en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 20 december 2011 in bijzijn van de griffier.