Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU8966

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
200.083.856/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke vaststelling vaderschap. Moeder wordt in plaats van overleden zoon in hoger beroep als belanghebbende aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 8 december 2011

Zaaknummer 200.083.856

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat voorheen mr. K.J. Tel, thans mr. G. Copinga, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat mr. A. van der Wielen, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 15 december 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden vast-

gesteld dat [vader] (hierna te noemen: [vader]), geboren [in 1954] en [in 2010] overleden in de gemeente Leeuwarden,

de vader is van [geïntimeerde].

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 15 maart 2011, heeft [appellante] primair verzocht de beschikking van 15 december 2010 te vernietigen

en opnieuw beslissende vast te stellen dat [vader] niet de vader is van [geïntimeerde].

Nu namens [appellante] ter zitting van het hof naar voren is gebracht dat (primair) bedoeld is te verzoeken het inleidende verzoek af te wijzen, zal het hof het verzoek zo begrijpen.

[appellante] heeft subsidiair verzocht te bepalen dat een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 194 Rv zal worden uitgevoerd, [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure en de af te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 26 april 2011, heeft [geïntimeerde] het verzoek bestreden en verzocht [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel deze af te wijzen als zijnde ongegrond dan wel als zijnde niet juist, [appellante] te veroordelen in de kosten van deze procedure en de af te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Tevens heeft [geïntimeerde] bij voormeld verweerschrift voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat, indien het hof komt tot toewijzing van het primaire verzoek van [appellante], een deskundigenonderzoek - een DNA-onderzoek - als bedoeld in artikel 194 Rv zal worden uitgevoerd ten laste van [appellante] en [appellante] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 7 juni 2011, heeft [appellante] het verzoek in het voorwaardelijk incidenteel beroep slechts bestreden ten aanzien van de verzochte veroordeling in de kosten van het DNA-onderzoek, met dien verstande dat zij van mening is dat die kosten ten laste van [geïntimeerde] moeten komen, onder compensatie van de kosten van de procedure.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 23 maart 2011 met een bijlage van mr. Tel en een brief van 9 september 2011 met een bijlage van mr. G. Copinga.

Ter zitting van 27 september 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn

mr. Copinga, [geïntimeerde], bijgestaan door mr. Van der Wielen, en de heer F. Tiemersma, de bewindvoerder van [appellante] (hierna te noemen: de bewindvoerder). [appellante] is niet ter zitting van het hof verschenen. Zowel mr. Copinga als mr. Van der Wielen heeft ter zitting van het hof een pleitnotitie overgelegd.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. [geïntimeerde] is [in 1987] geboren en zijn moeder is [moeder].

2. Bij inleidend verzoekschrift heeft [geïntimeerde] de rechtbank verzocht over te gaan

tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [vader], dan wel een DNA-onderzoek te gelasten.

3. De rechtbank heeft bij de beschikking waarvan beroep beslist als hiervoor vermeld onder het kopje "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing is het hoger beroep van [appellante] gericht.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

Belanghebbende

4. [appellante] stelt zich op het standpunt dat zij als erfgename van [vader] in de onderhavige zaak als belanghebbende dient te worden aangemerkt.

5. Blijkens artikel 3:798 lid 1 Rv is een belanghebbende degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Volgens [geïntimeerde] heeft de vaststelling van het vaderschap van [vader] geen rechtstreekse betrekking op de rechten en plichten van [appellante], zodat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. [geïntimeerde] wijst in dit kader op de beschikking van hof Den Haag van 30 juni 2004, dat in die zaak oordeelde dat, om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, er sprake moet zijn van een familierechtelijke betrekking. Iemand die slechts een indirect (bijvoorbeeld een erfrechtelijk) belang of een puur emotioneel belang bij de zaak heeft is daarom geen belanghebbende.

6. Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak, sprake van een familierechtelijke betrekking, op grond waarvan [appellante] belanghebbende is. Centraal in deze procedure is de eventuele vaststelling van een ouder-kindrelatie tussen [vader] en [geïntimeerde]. [vader] zou hierbij een rechtsreeks belang hebben gehad. Naar het oordeel van het hof is [appellante], nu haar zoon is overleden, de meest aangewezen persoon om in zijn plaats als belanghebbende te worden aangemerkt. Van belang is derhalve niet dat [appellante] in deze erfgename is van [vader], maar in deze procedure gaat het erom om duidelijkheid te verkrijgen over de (eventuele) familierechtelijke band tussen [geïntimeerde] en [vader], zoals door partijen ter zitting van het hof ook uitdrukkelijk naar voren is gebracht.

Procespartij

7. Door [geïntimeerde] is voorts gesteld dat [appellante] niet kan worden ontvangen in haar beroep om reden dat zij onder bewind staat en niet zelfstandig als procespartij kan optreden. [appellante] is van mening dat zij toestemming heeft voor de onderhavige procedure van de bewindvoerder en derhalve in haar appel kan worden ontvangen.

8. Het hof is van oordeel dat [appellante] in deze als formele procespartij

dient te worden aangemerkt. Zij kon derhalve op persoonlijke titel, zonder vertegenwoordiging van de bewindvoerder, appel instellen tegen de beschikking van de rechtbank. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bewindvoerder geldt immers alleen met betrekking tot handelingen en procedures die de onder bewind staande goederen betreffen en daarvan is in deze zaak, gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 6 is overwogen, geen sprake.

9. Het hof is op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, van oordeel dat [appellante] ontvankelijk is in het door haar ingestelde appel. Het hof merkt ten overvloede echter wel op dat het grote vraagtekens zet bij de wijze waarop [appellante] in de onderhavige procedure is geraakt, nu ter zitting van het hof is gebleken dat de bewindvoerder al twee jaar geen contact meer heeft gehad met [appellante]. De bewindvoerder is samen met [broer van vader], de broer van [vader], naar de zitting in eerste aanleg geweest en heeft hierover geen contact gehad met [appellante]. Ook de machtiging hoger beroep is gekomen via [broer van vader] en is door de bewindvoerder niet met de moeder besproken, zo heeft de bewindvoerder ter zitting van het hof naar voren gebracht.

Ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling vaderschap

10. Het vaderschap van een man kan, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat de man als levensgezel

van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, worden vastgesteld op verzoek van de moeder of het kind wanneer deze de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. In de onderhavige zaak heeft (de meerderjarige) [geïntimeerde] verzocht over te gaan tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [vader] als zijn vader.

11. Gelet op de in de beschikking waarvan beroep omschreven feiten en omstandigheden en tevens in aanmerking genomen de in hoger beroep ingebrachte verklaring van [hulpverleenster], de hulpverleenster van [vader], over (onder meer) het contact dat [vader] met [geïntimeerde] had, acht het hof het vooralsnog aannemelijk dat [vader] de vader van [geïntimeerde] is.

12. Nu [appellante] echter tegenbewijs heeft aangeboden in de vorm van een DNA-onderzoek en voorts is gebleken dat zowel [geïntimeerde] als [broer van vader] zich bereid hebben verklaard hieraan hun medewerking te verlenen, zal het hof [appellante] in de gelegenheid stellen om binnen drie maanden een vaderschapsonderzoek door (rechtmatig) onderzoek van DNA te laten verrichten ter beantwoording van de vraag of [vader] de biologische vader is van [geïntimeerde].

Het hof zal de beslissing op het verzoek van [geïntimeerde] betreffende de gerechtelijke vaststelling vaderschap in afwachting van de uitkomsten van dit onderzoek aanhouden en zal de zaak, nadat [geïntimeerde] en [appellante] in de gelegenheid zijn gesteld om binnen drie weken na ontvangst van de uitkomsten van het te verrichten onderzoek schriftelijk te reageren, vervolgens op de stukken afdoen, tenzij door een van de partijen, dan wel het hof een nadere behandeling gewenst wordt geacht.

13. Het hof merkt ten slotte nog op dat het, wanneer [geïntimeerde] of [broer van vader] alsnog weigeren hun medewerking te verlenen aan voornoemd onderzoek, daaraan de gevolgen zal verbinden die het geraden acht.

Slotsom

14. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

stelt [appellante] in de gelegenheid om binnen drie maanden een vaderschapsonderzoek door onderzoek van DNA (rechtmatig DNA-onderzoek) te laten verrichten ter beantwoording van de vraag of [vader] de biologische vader is van [geïntimeerde];

bepaalt dat [appellante] een afschrift van de uitkomsten van voornoemd onderzoek aan [geïntimeerde] en aan het hof zal toezenden;

bepaalt dat [geïntimeerde] en [appellante] tot uiterlijk drie weken na ontvangst van de uikomsten van het DNA-onderzoek schriftelijk kunnen reageren, waarna de zaak verder op de stukken zal worden afgedaan, tenzij door een van de partijen, dan wel het hof een nadere behandeling gewenst wordt geacht;

houdt iedere verder beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, voorzitter,

A.H. Garos en A.W. Beversluis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 december 2011 in bijzijn van de griffier.