Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU8293

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
200.085.621-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident. Bezwaar tegen eiswijziging. Tweede reconventionele vordering in hoger beroep? Nee, uitbreiding van vordering uit eerste aanleg. Geen strijd met goede procesorde. Bezwaar afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 13 december 2011

Zaaknummer 200.085.621/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in het incident tot verzet tegen de eiswijziging in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant],

appellant,

tevens verweerder in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

de coöperatieve vereniging

Coöperatie de Koevoet U.A., h.o.d.n. Koevoet Woonbeheer,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

tevens eiseres in het incident,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Koevoet ,

gemachtigde: mr. H.J.M. Janssen, kantoorhoudende te Groningen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 1 juli 2010, 4 november 2010 en 3 maart 2011 van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 7 april 2011 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemde vonnissen met dagvaarding van Koevoet tegen de zitting van 19 april 2011.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"(...) bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, de op 1 juli 2010, 4 november 2010 en 3 maart 2011 door de Rechtbank Groningen (…) tussen partijen gewezen vonnissen te vernietigen, en, opnieuw recht doende, in conventie geïntimeerde alsnog in haar conventionele vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar conventionele vorderingen af te wijzen, alsmede in reconventie partieel te ontbinden de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte aan het adres [adres] en de daarbij behorende bergruimte W042 in de maanden juli 2006, augustus 2006, december 2006 en april 2007 tot en met november 2007, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn vordering als volgt gewijzigd:

"(...) bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, de vonnissen die door de Rechtbank Groningen (…) op 1 juli 2010, 4 november 2010 en 3 maart 2011 (…) zowel in conventie als in reconventie tussen partijen zijn gewezen te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:

IN CONVENTIE:

alsnog geïntimeerde in haar inleidende vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar inleidende vorderingen af te wijzen;

ALSMEDE IN RECONVENTIE:

1. partieel te ontbinden de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte aan het adres [adres] en daarbij behorende bergruimte W042 in de maanden juli 2006, augustus 2006, december 2006 en april 2007 tot en november 2007;

2. geïntimeerde te veroordelen om binnen een maand na betekening van het in deze te wijzen arrest alle gebreken die door het bouwkundig inspectierapport van het bouwkundig/¬calculatiebureau Telwerk in de woonruimte van appellant staande en gelegen aan [adres] zijn geconstateerd op een adequate en deskundige wijze te verhelpen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,= voor iedere dag dat geïntimeerde nalatig mocht zijn aan de inhoud van dit gebod te voldoen;

en met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Koevoet heeft bij "akte inzake verzet tegen de vermeerdering van eis tevens memorie van antwoord" bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en heeft daarbij - voor zover hier relevant - geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] in zijn vermeerdering van eis, dan wel dat die vermeerdering van eis als ongegrond zal worden afgewezen.

[appellant] heeft een antwoordakte genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident.

De beoordeling

het geschil en de beslissing in eerste aanleg

1.1 Koevoet heeft in eerste aanleg - na vermeerdering van eis - gevorderd: ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte en de bergruimte, ontruiming van het gehuurde, betaling van achterstallige huur en servicekosten vanaf mei 2004, betaling van een bedrag aan kale huur van € 146,50 per maand plus € 87,10 aan servicekosten ingaande 1 augustus 2010 alsmede een bedrag van € 5,80 per maand voor de bergruimte.

1.2 [appellant] heeft verweer gevoerd tegen de vordering van Koevoet en in reconventie partiële ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst gevorderd voor wat betreft de maanden juli, augustus en december van 2006 en april tot en met november van 2007. Koevoet heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [appellant].

1.3 In het eindvonnis van 3 maart 2011 heeft de kantonrechter als volgt beslist:

In conventie

ontbindt per 1 mei 2011 de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte aan [adres] alsmede met betrekking tot de bergruimte, eveneens aan [adres] met de aanduiding W042;

veroordeelt [appellant] om de woonruimte aan [adres] alsmede de bergruimte aan [adres] met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover deze laatste niet eigendom zijn van Koevoet Woonbeheer, per uiterlijk 30 april 2011 te ontruimen en te verlaten met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Koevoet Woonbeheer te stellen;

veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Koevoet Woonbeheer te betalen de somma van € 5.036,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de huurpenningen vanaf 1 augustus 2010 van € 146,50 per maand aan kale huur, € 87,50 aan servicekosten en € 5,80 voor de bergruimte tot de datum der ontbinding, dan wel, bij wijze van schadevergoeding, het geldelijk equivalent daarvan indien [appellant] het gehuurde na 30 april 2011 in gebruik houdt;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure aan de zijde van Koevoet Woonbeheer gevallen en begroot deze tot aan deze uitspraak op € 85,98 aan explootkosten, € 208,00 aan vastrecht en € 1000,00 aan salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

In reconventie

wijst af de vordering(en);

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in het incident

2.1 Koevoet stelt dat de eiswijziging in strijd is met de goede procesorde. Zij voert hiertoe aan dat [appellant] een tweede vordering in reconventie heeft ingesteld. Deze tweede vordering is in eerste aanleg niet ingesteld en uit de appeldagvaarding blijkt ook niet dat [appellant] uitvoering van werkzaamheden vordert. Verder is de vermeerdering van eis in de memorie van grieven niet als afzonderlijke grief opgevoerd en/of behoorlijk kenbaar gemaakt, aldus Koevoet.

2.2 Het hof overweegt als volgt. Voor zover Koevoet van mening is dat het eerst in hoger beroep instellen van een tweede reconventionele vordering niet is toegelaten vanwege het bepaalde in art. 353 lid 1, laatste volzin, Rv, miskent zij dat [appellant] reeds in eerste aanleg een reconventionele vordering heeft ingesteld. Op grond van art. 130 lid 1 Rv juncto art. 353 lid 1 Rv komt aan [appellant] de bevoegdheid toe zijn (reconventionele) eis of de gronden daarvan te wijzigen, waaronder ook is te verstaan het vermeerderen van die eis met een nieuwe vordering. Voormelde bevoegdheid is in hoger beroep in die zin beperkt dat de eiswijziging (behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen) niet later dan bij memorie van grieven of antwoord dient plaats te vinden (HR 23 september 2011, LJN: BQ7064).

2.3 De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden echter overschreden indien de eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging van het geding en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging.

2.4 Aan de gewijzigde vordering van [appellant] ligt geen ander feitencomplex of een andere rechtsverhouding ten grondslag. Het gaat, net als in eerste aanleg, nog steeds over de vraag of [appellant] gerechtigd was tot opschorting van de huurbetalingen in verband met de door hem gestelde gebreken aan het gehuurde en het daarmee gepaard gaande gebrek aan huurgenot. De vordering tot herstel van die gestelde gebreken, waarmee [appellant] zijn vordering in hoger beroep heeft vermeerderd, houdt hiermee rechtstreeks verband. Naar het oordeel van het hof houdt de gewijzigde eis dan ook niet een zodanige verandering in dat Koevoet hierdoor onredelijk wordt bemoeilijkt in haar verdediging. Evenmin is er grond voor het oordeel dat het geding er onredelijk door zal worden vertraagd.

2.5 Voor zover het bezwaar van Koevoet is gebaseerd op de gedachte dat het onwenselijk is dat slechts in één feitelijke instantie over de nieuwe vordering van [appellant] wordt geoordeeld, overweegt het hof dat het wettelijk stelsel meebrengt dat op de gewijzigde eis enkel door het hof als feitelijke instantie recht wordt gedaan. Het gemis van een feitelijke instantie is op zichzelf dan ook niet doorslaggevend en het bestaan van bijkomende bijzondere omstandigheden is niet gesteld, noch is het hof daarvan gebleken.

2.6 In hetgeen verder door Koevoet is aangevoerd, ziet het hof evenmin grond om de eiswijziging van [appellant] wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten, noch ziet het ambtshalve aanleiding voor een dergelijk oordeel.

3. De conclusie luidt dat het bezwaar tegen de eiswijziging wordt verworpen, zodat in hoger beroep recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis van [appellant].

4. De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden gereserveerd tot de einduitspraak.

5. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het incident:

wijst het bezwaar van Koevoet tegen de eiswijziging van [appellant] af;

bepaalt dat over de kosten van het incident zal worden beslist bij einduitspraak in de (hoofd)zaak.

in de (hoofd)zaak:

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 10 januari 2012 voor uitlating partijen (akte/pleidooi/arrest).

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, J.H. Kuiper en M.C.D. Boon-Niks, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 13 december 2011 in bijzijn van de griffier.