Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU8285

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
200.096.368-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens art. 285 Fw-verklaring geen minnelijk traject gestart omdat er onvoldoende afloscapaciteit is. Appellante stelt dat alle schuldeisers zijn aangeschreven. Het hof houdt de zaak aan voor meer informartie over verloop schuldhulpverleningstraject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 8 december 2011

Zaaknummer 200.096.368

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Arrest in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. H. Hulshof, kantoorhoudende te Emmeloord.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 21 oktober 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van [appellante] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar uit te spreken, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 28 oktober 2011, heeft [appellante] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen alsnog op haar van toepassing te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief, met bijlage, van 24 november 2011 van mr. Hulshof.

Ter zitting van 30 november 2011 is de zaak behandeld. Verschenen is [appellante], vergezeld van haar vader en bijgestaan door haar advocaat. Ter zitting heeft [appellante] een brief overgelegd van de heer [X], de coördinator van het bedrijf waar zij thans stage loopt.

De beoordeling

Inleiding

1. De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot toepassing van de schuldsanerings-regeling afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Ter zitting heeft [appellante] verklaard dat zij op dit moment de opleiding tot Sociaal Pedagogisch Medewerker volgt aan Landstede te Zwolle. Voor deze opleiding gaat zij tweemaal per week (overdag) naar school en loopt zij drie dagen per week onbetaald stage. Voorts heeft [appellante] verklaard dat deze opleiding nog één volledig schooljaar zal duren.

De rechtbank acht het volgen van een studie strijdig met de aard en het karakter van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Eén van de hoofdverplichtingen van de schuldsaneringsregeling is dat er zoveel mogelijk betaalde arbeid wordt verricht zodat aan de schuldeisers een zo groot mogelijk deel van hun vorderingen kan worden uitbetaald bij het einde van de regeling. Weliswaar kan de rechter-commissaris in bijzondere omstandigheden een ontheffing verlenen voor de verplichting, maar de aard van de schuldsaneringsregeling staat volgens de rechtbank er aan in de weg de vrijstelling te verlenen teneinde in de periode van de schuldsaneringsregeling een opleiding te kunnen volgen.

Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank niet anders in verband met [appellante]'s bijbaantje waarvan de inkomsten heel gering zijn.

Het bovenstaande neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat [appellante] over enige tijd, na afronding van haar opleiding, nogmaals een verzoek kan indienen om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling.

2. [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

Het oordeel

3. Op grond van artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f, van de Faillissementswet (hierna: Fw) moet in het verzoekschrift waarbij wordt verzocht om toelating tot de schuldsaneringsregeling of in een daarbij te voegen bijlage, een met redenen omklede verklaring worden opgenomen waaruit blijkt dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Volgens de Memorie van Toelichting kan de wettelijke schuldsaneringsregeling niet van toepassing worden verklaard zonder een verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen (MvT, Kamerstukken 1997/1998, 25 672, nr. 3, p. 4).

4. Het hof stelt vast dat in de bij het verzoekschrift behorende artikel 285-verklaring wordt vermeld dat er geen minnelijk traject is gestart, omdat er onvoldoende afloscapaciteit is. Desgevraagd heeft [appellante] ter zitting in hoger beroep verklaard dat een medewerker van de Stichting Hulp en Steun, de budgetbeheerder van [appellante], aan haar heeft meegedeeld dat de stichting alle schuldeisers van [appellante] heeft aangeschreven. De advocaat van [appellante] heeft verklaard dat het mogelijk is om binnen één week een verklaring van de Stichting Hulp en Steun over te leggen over het verloop van het schuldhulpverleningstraject voordat de het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingediend.

5. Gelet op het bovenstaande, ziet het hof aanleiding om de zaak aan te houden voor een termijn van één week om [appellante] in de gelegenheid te stellen een verklaring van de Stichting Hulp en Steun over te leggen met betrekking het verloop van het schuldhulpverleningstraject voordat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingediend, waarbij in het bijzonder aandacht dient te worden besteed aan de vragen of er al dan niet een minnelijk traject is gestart, en zo ja - zoveel mogelijk gespecificeerd - wat dat traject heeft ingehouden.

6. Na ontvangst door het hof van de hiervoor genoemde verklaring van de Stichting Hulp en Steun zal het hof zonder nadere mondelinge behandeling een beslissing geven, tenzij het hof in het aangevoerde aanleiding ziet om de zaak nogmaals ter zitting te behandelen.

Slotsom

7. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

houdt de behandeling aan voor een termijn van één week, te rekenen vanaf 8 december 2011;

draagt [appellante] op, binnen die termijn, uiterlijk op 15 december 2011, het hof per brief te informeren als vermeld in rechtsoverweging 5;

bepaalt dat het hof na ontvangst van de verklaring dan wel bij het uitblijven van tijdige toezending daarvan zonder nadere mondelinge behandeling een beslissing zal geven, tenzij het hof alsdan aanleiding ziet om de zaak nogmaals ter zitting te behandelen;

houdt thans iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, R.A. Zuidema en D.J. Buijs, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 december 2011 in bijzijn van de griffier.