Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU6963

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
200.068.236/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 3:301 lid 2 BW: inschrijving instellen hoger beroep in het rechtmiddelenregister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 6 december 2011

Zaaknummer 200.068.236/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.H. Arends, kantoorhoudende te Roden,

tegen

[geïntimeerde],

eertijds wonende te [woonplaats], thans wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. I.M.G. Maste, kantoorhoudende te Almere.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 15 april 2009 en 3 maart 2010 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 2 juni 2010 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 3 maart 2010 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 15 juni 2010.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"om bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Groningen van 3 maart 2010 voor zover bestreden te vernietigen en opnieuw rechtdoende

I.

de vrouw in haar vorderingen in conventie niet ontvankelijk te verklaren althans de vorderingen van de vrouw af te wijzen met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in conventie.

II.

Voor recht te verklaren dat de gemeenschappelijke woning is toegescheiden aan de vrouw althans de gemeenschappelijke woning toe te delen aan de vrouw en de vrouw in dat kader te veroordelen om

III.

op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag/dagdeel, dat de vrouw niet aan het in dezen te wijzen vonnis voldoet, binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, voor haar rekening, opdracht te verstrekken aan een door haar te kiezen notariskantoor om, binnen 3 weken na de opdracht, een notariële akte te verlijden waarbij de onroerende zaak aan [adres] aan de vrouw geleverd wordt.

IV.

op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag/dagdeel, dat de vrouw niet aan het in dezen te wijzen vonnis voldoet, haar medewerking te verlenen aan het passeren van de onder III. bedoelde notariële akte

V.

Op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag/dagdeel, dat de vrouw niet aan het in dezen te wijzen vonnis voldoet, voorafgaand aan het opmaken van voormelde notariële akte, te bewerkstelligen dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijkheid van de verplichtingen met betrekking tot de in punt 9 omschreven hypothecaire schuld

VI.

De vrouw te veroordelen om, aan de man te vergoeden althans voor haar rekening te nemen, alle kosten, die samenhangen met de levering van de woning aan de vrouw en het ontslag van de man uit de verplichtingen met betrekking tot de in punt 9 omschreven hypothecaire schuld, inclusief de door de man in dit kader nog te maken advocaatkosten.

en

VII.

Voor recht te verklaren dat de vrouw tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten overeenkomst aangaande de verdeling van de gemeenschappelijke woning.

VIII.

De vrouw te veroordelen om aan de man te vergoeden alle schade, nader op te maken bij staat, die veroorzaakt is/wordt door het feit dat de vrouw de tussen partijen gesloten overeenkomst niet nakomt."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"Redenen waarom de vrouw het Hof verzoekt:

1. primair de man niet-ontvankelijk te verklaren;

2. subsidiair te bekrachtigen het vonnis waarvan beroep (onder verbetering en/of aanvulling van de gronden).

3. De man te veroordelen zoals geëist in de drie grieven van het incidenteel appel;

4. De man te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep;

5. Een en ander uitvoerbaar bij voorraad

6. Dan wel een beslissing te nemen, door u in goede justitie te bepalen."

Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar vorderingen in incidenteel appel niet ontvankelijk te verklaren althans de vorderingen van de vrouw af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure."

Ten slotte heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel vijf grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

In het principaal appel:

1. De rechtbank heeft bij genoemd vonnis van 3 maart 2010 in conventie [appellant] onder meer veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de gemeenschappelijke woning. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat zij dit vonnis in de plaats stelt "van de wilsverklaring van [appellant] wanneer hij niet wil verschijnen, of wanneer hij wel verschenen is, maar weigert aan het transport van de woning mee te werken en verklaart in de notariële akte van levering voor recht dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde registers kan worden ingeschreven."

2. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de rechtbank heeft bepaald dat het bestreden vonnis in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel van zodanige akte. Ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW dient het hoger beroep tegen een dergelijke uitspraak op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van dit rechtsmiddel te worden ingeschreven in het in artikel 433 Rv bedoelde register. Uit de gedingstukken blijkt niet van die inschrijving. Het is aan [appellant] als appellant om door overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven (Rechtbank Groningen), aan te tonen dat aan het in artikel 3:301 lid 2 BW gestelde voorschrift is voldaan (vergelijk Hoge Raad 4 mei 2007, LJN AZ7615 en Hoge Raad 24 december 1999, LJN AA4005). Het hof zal [appellant] in de gelegenheid zich bedoelde griffiersverklaring over te leggen. [geïntimeerde] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld bij antwoordakte te reageren.

3. Gelet op genoemde uitspraken van de Hoge Raad moet het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW tevens aldus worden opgevat dat indien [appellant] het instellen van het hoger beroep niet (tijdig) heeft doen aantekenen in het rechtsmiddelenregister, hij uitsluitend in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is voor zover het hoger beroep dat gedeelte van de uitspraak betreft ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de akte, en overigens voor zover met dat gedeelte een onlosmakelijk verband bestaat.

4. Het hof is daarom van oordeel dat niet tijdige inschrijving in het rechtsmiddelenregister leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de onderdelen 6.2, 6.3 en 6.4 van het dictum van het bestreden vonnis, waarop de grieven I, II en III in het principaal appel betrekking hebben.

Voorts in het principaal en in het incidenteel appel:

5. Gelet op het hiervoor overwogene, zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal en in het incidenteel appel:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 3 januari 2012 teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen de in rechtsoverweging 2 bedoelde akte te nemen;

verstaat dat [geïntimeerde] vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, W. Breemhaar en

B.J.H. Hofstee, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 6 december 2011 in bijzijn van de griffier.