Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU6962

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
200.046.443/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft de inschaling van werkneemster volgens de kappers CAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-1018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 6 december 2011

Zaaknummer 200.046.443/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging,

advocaat: mr. Y.M. Prins, kantoorhoudende te Groningen,

die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. T.S. Plas, kantoorhoudende te Groningen,

voor wie gepleit heeft mr. K. Koudijs, advocaat te Huizen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 24 januari 2008, 17 april 2008 en 2 juli 2009 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, hierna de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 30 september 2009 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van

27 oktober 2009.

Het petitum in de appeldagvaarding luidt:

"(…) te vernietigen het vonnis van de Rechtbank te Groningen, sector Kanton, locatie Groningen met zaak- en rolnummer 343334/07-12773, alsmede het vonnis van 17 april 2008 met zaak- en rolnummer 343334/07-11973, alsmede van het vonnis van 24 januari 2008 met zaak- en rolnummer 343334 CV EXPL 07-12773 tussen appellant als eiseres en geïntimeerde als gedaagde gewezen, en, opnieuw rechtdoende, doende wat de rechter in eerste aanleg, had behoren te doen, alsnog bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres het netto-equivalent van het bedrag van

€ 8.017,58 bruto, althans een in goede justitie te betalen bedrag, verschuldigd als achterstallig salaris, vakantiedagen, vakantiegeld en diplomatoeslag, onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto-nettospecificatie;

II. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van de wettelijke rente, vanaf datum opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, en wettelijke verhoging ad 50%, althans ter hoogte van een in goede justitie te bepalen percentage, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, allen over het onder 1 vermelde bedrag;

alles met een veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de onderhavige procedure en de procedure in eerste aanleg, en met veroordeling tot terugbetaling van al hetgeen appellant uit hoofde van het vonnis van 2 juli 2009 aan geïntimeerde nadien heeft voldaan;

Subsidiair:

I. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres een bedrag van

€ 7.383,28, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, verschuldigd als salaris, vakantiedagen, vakantiegeld en diplomatoeslag, onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto-nettospecificatie;

III. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van de wettelijke rente, vanaf datum opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, en wettelijke verhoging ad 50%, althans ter hoogte van een in goede justitie te bepalen percentage, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, allen over het onder I vermelde bedrag;

alles met een veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de onderhavige procedure en de procedure in eerste aanleg, en met veroordeling tot terugbetaling van al hetgeen appellant uit hoofde van het vonnis van 2 juli 2009 aan geïntimeerde nadien heeft voldaan;

Meer subsidiair:

I. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres een bedrag van

€ 6.997,12 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, verschuldigd als salaris, vakantiedagen, vakantiegeld en diplomatoeslag, onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto-nettospecificatie;

II. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van de wettelijke rente, vanaf datum opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, en wettelijke verhoging ad 50%, althans ter hoogte van een in goede justitie te bepalen percentage, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, allen over het onder I vermelde bedrag;

alles met een veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de onderhavige procedure en de procedure in eerste aanleg, en met veroordeling tot terugbetaling van al hetgeen appellant uit hoofde van het vonnis van 2 juli 2009 aan geïntimeerde nadien heeft voldaan."

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties in het geding zijn gebracht, tevens houdende een wijziging van de eis, luidt:

"bij arrest het vonnis van de Rechtbank te Groningen, sector Kanton, locatie Groningen van 2 juli 2009 met zaak- en rolnummer 343334/07-12773, alsmede het vonnis van 17 april 2008 met zaak en rolnummer: 343334/07-11973, alsmede van het vonnis van 24 januari 2008 met zaak- en rolnummer: 343334 CV EXPL 07-12773 tussen appellant als eiseres en geïntimeerde als gedaagde gewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, doende wat de rechter in eerste aanleg, had behoren te doen, alsnog bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair en subsidiair:

I. Te beslissing overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding

Meer subsidiair:

I. te verklaren voor recht dat [appellante] in de functie haarstylist 2 van de CAO voor het kappersbedrijf 2003-2004 had behoren te worden ingedeeld, althans te verklaren voor recht in welke in goede justitie te bepalen functie uit de CAO voor het kappersbedrijf 2003-2004 [appellante] had behoren te worden ingedeeld;

II. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellante] van het loon behorend bij de functieschaal waarin zij volgens het hof behoorde te worden ingedeeld, te vermeerderen met de over dit loon verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de vordering, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum tot de dag der algehele voldoening en voorts te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, althans een in goede justitie te bepalen percentage;

III. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure en de procedure in eerste aanleg."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij vonnis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bevestigen het vonnis van de kantonrechter d.d. 4 juli 2009 en 17 april 2008, alsmede het vonnis van 24 januari 2008 tussen partijen gewezen, met veroordeling van appellante [appellante] in de kosten van het hoger beroep."

Vervolgens hebben partijen hun zaak schriftelijk doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. Het hof overweegt volledigheidshalve dat de pleitnota's in het procesdossier van [appellante] ontbreken.

De grieven

[appellante] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

de ontvankelijkheid

1. Nu [appellante] geen grief heeft aangevoerd tegen het vonnis van 24 januari 2008 dient zij in het door haar tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. In het dictum van het vonnis van 17 april 2008 zijn de primaire en subsidiaire vorderingen en de vorderingen ter zake van de diplomatoeslag en vergoeding niet-genoten vakantiedagen afgewezen en in zoverre is dit vonnis dus een eindvonnis. Uit het petitum in de appeldagvaarding en de memorie van grieven blijkt dat [appellante] deze primaire en subsidiaire vorderingen, waarvan de vorderingen ter zake van de diplomatoeslag en de vergoeding wegens niet-genoten vakantiedagen deel uitmaken, aan het oordeel van het hof wil onderwerpen. Daargelaten dat [appellante] geen duidelijke grief/grieven heeft gericht tegen de afwijzing van de hiervoor genoemde vorderingen, is thans van belang dat zij niet binnen de appeltermijn tegen genoemd vonnis van 17 april 2008 voor zover het een eindvonnis is, in hoger beroep is gekomen. Voor zover genoemd vonnis een eindvonnis is, is dit inmiddels in kracht van gewijsde gegaan. [appellante] moet derhalve in haar hoger beroep tegen dat deel van genoemd vonnis niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Ter zake van haar meer subsidiaire vordering is [appellante] in meergenoemd vonnis van 17 april 2008 bewijs opgedragen van haar stelling dat zij had moeten worden ingedeeld in de functie haarstylist 3. Nu [appellante] tegen deze bewijsopdracht geen grief heeft aangevoerd, dient zij ook voor het overige in haar hoger beroep tegen laatstgenoemd vonnis niet-ontvankelijk te worden verklaard.

de wijziging van de eis

4. [appellante] heeft in haar memorie van grieven haar eis gewijzigd. Nu [geïntimeerde] tegen deze eiswijziging geen verweer heeft gevoerd en het hof ook ambtshalve geen reden ziet zich daartegen te verzetten, zal het hof op de aldus gewijzigde eis beslissen.

5. Het hof begrijpt uit de pleitnota zijdens [appellante] dat [appellante] haar eis nogmaals heeft gewijzigd en in haar bij die gelegenheid gewijzigde eis heeft gevorderd dat zij gedurende de gehele periode dat zij voor [geïntimeerde] werkzaam is geweest, overeenkomstig de referentiefunctie haarstylist 1 moet worden ingeschaald. Het hof acht deze wijziging van de eis tardief en daarmee in strijd met een goede procesorde. Het hof zal op deze gewijzigde eis dan ook niet ingaan.

ten aanzien van de feiten

6. Tegen de door de kantonrechter in r.o. 1 (1.1 tot en met 1.5) van het vonnis van 17 april 2008 vastgestelde feiten is geen grief gericht zodat deze ook in hoger beroep tussen partijen als vaststaand hebben te gelden. Het hof zal deze feiten hier herhalen aangevuld met enige feiten die eveneens als vaststaand hebben te gelden.

6.1. [appellante] is op 19 april 2003 voor 8 uur per week bij [geïntimeerde] in dienst getreden. Daarnaast liep [appellante] met ingang van genoemde datum acht uur per week stage bij [geïntimeerde].

Op 3 december 2003 zijn partijen een arbeidsomvang van 32 uur per week overeengekomen.

Op 3 december 2004 is de arbeidsovereenkomst met een jaar verlengd en zijn partijen een arbeidsomvang van 36,5 uur per week overeengekomen.

De arbeidsovereenkomst is per 2 december 2005 geëindigd.

Op de arbeidsovereenkomst was de CAO voor het Kappersbedrijf (hierna: de CAO) van toepassing.

6.2. Op 19 april 2003 volgde [appellante] via de Beroeps Opleidende Leerweg een opleiding tot haarstylist. [appellante] heeft haar kappersdiploma op 24 juni 2004 behaald.

6.3. Tot en met 31 juli 2005 is [appellante] uitbetaald volgens de referentiefunctie Junior Stylist B en gedurende de maanden augustus en september 2005 is zij uitbetaald volgens de referentiefunctie Salonassistent. Vanaf november 2005 is [appellante] betaald overeenkomstig de referentiefunctie haarstylist 0.

6.4. [geïntimeerde] heeft [appellante] een nabetaling van € 1.633,29 gedaan in verband met een verkeerde inschaling van [appellante]. [geïntimeerde] is bij de nabetaling ervan uitgegaan dat [appellante] per 2 december 2003 als salonassistent had moeten worden betaald en met ingang van 2 december 2004 als haarstylist 0.

6.5. Van de CAO maakt het Functiehandboek voor het Kappersbedrijf (hierna: het Functiehandboek) deel uit. In de CAO wordt in artikel 9b "Invoering Functiehandboek voor het Kappersbedrijf" het volgende bepaald:

Functieomzetting

De werknemer wordt door zijn werkgever in de volgende referentiefunctie ingedeeld:

• leerling kapper in eerste jaar van opleiding wordt ingedeeld in de referentiefunctie junior stylist A;

• leerling kapper in tweede jaar van opleiding wordt ingedeeld in de referentiefunctie junior stylist B;

• aankomend kapper wordt ingedeeld in de referentiefunctie haarstylist;

• tweede kapper wordt ingedeeld in de referentiefunctie haarstylist 1;

• eerste kapper wordt ingedeeld in de referentiefunctie haarstylist 2;

(…)

6.6. In het Functiehandboek zijn in hoofdstuk 4 "Toelichting referentiefuncties" de na te noemen referentiefuncties als volgt toegelicht:

Junior stylist

De referentiefunctie juniorstylist is een ondersteunende functie en staat uitsluitend open voor de leerling-werknemer die de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) volgt. (…) Na twee jaar opleiding vindt indeling plaats in een referentiefunctie niet zijnde junior stylist. (…)

Salonassistent

Ook de referentiefunctie salonassistent is een ondersteunende functie. Dit houdt in dat salonassistenten bijvoorbeeld niet knippen en/of snijden. (…)

Haarstylist

De referentiefunctie haarstylist vormt de basisfunctie binnen de kappersbranche. Naast deze functie zijn er een aantal vaktechnische handelingen te noemen die de nodige kennis en ervaring vereisen.

In totaal zijn drie van dergelijke handelingen benoemd, namelijk:

1) zelfstandig kleuren;

2) modelvorming;

3) behandeling van lang haar.

(…)

Als een haarstylist één van deze taken verricht volgens de functieomschrijving, dan spreken we van een haarstylist 1. Verricht de werknemer twee taken, dan spreken we van een haarstylist 2. Als de werknemer alle drie de taken verricht, dan spreken we van een haarstylist 3. Voor elke haarstylist bestaat een aparte loongroep, zodat een reeks ontstaat van loongroep 4 tot en met loongroep 7.

Let op! Het maakt niet uit welke extra taak een haarstylist verricht. Wat geldt is het aantal taken (1, 2 of 3) dat zo veel mogelijk dagelijks uitgeoefend wordt.

6.7. In hoofdstuk 5 van het Functiehandboek is de referentiefunctie van Haarstylist als volgt nader omschreven:

Haarstylist:

Complexiteit (moeilijkheidsgraad)

Een uitvoerende kappersfunctie: het dagelijks werk van de werknemer bestaat in de eerste plaats uit het knippen en/of snijden van het haar. Tevens betreft het werk het zo veel mogelijk dagelijks uitvoeren van permanenten en/of ontkrullen en föhnen.

De werknemer heeft een belangrijke rol bij de advisering aan klanten. Daarbij gaat het om het geven van adviezen over haarverzorging, het verkopen van behandelingen en haarproducten. (…)

Regelcapaciteit (Zelfstandigheid en verantwoordelijkheid)

(…) Vrijheid heeft de werknemer als het gaat om de technieken die gebruikt worden en de keuze van de modellen. Dit moet natuurlijk wel in overleg met de klant gebeuren. (…)

Het werk van de werknemer wordt door de leidinggevende gecontroleerd en besproken aan de hand van de werkresultaten. De leidinggevende is bijna altijd aanwezig. Problemen die kunnen voorkomen zijn meestal vaktechnisch en moeten door ervaring kunnen worden opgelost. De werknemer kan altijd terugvallen op de leidinggevende. (…)

Drie vaktechnische handelingen

Modelvorming

Het zelfstandig uitvoeren van modelvorming.

Het gaat hier om niet-blijvende omvorming waarbij gebruik wordt gemaakt van watergolftechnieken en bijbehorende gereedschappen. De werknemer gebruikt de inleg- en opkamtechnieken en alle voorkomende watergolfmodellen. (…)

Zelfstandig kleuren

Het zelfstandig uitvoeren van kleuren

Het gaat hierbij om alles wat met kleuren, ontkleuren en correcties te maken heeft. (…)

Lang haar

Het zelfstandig uitvoeren van lang haar-behandelingen

Het gaat hier om vlechten, opsteken, versieringen en haarwerken aanbrengen.

Bij ieder van de hiervoor genoemde vaktechnische handelingen staat tevens vermeld:

De werknemer moet uitzoeken wat een klant wil en naar aanleiding daarvan een advies geven over de behandeling. Daarbij wordt gelet op het type klant en de mogelijkheden van het haar. Naar aanleiding hiervan stelt de werknemer een plan op voor de gehele behandeling. Vervolgens voert de werknemer het plan zelf uit of laat het door een ander (deels) uitvoeren. Als een ander het uitvoert, controleert de werknemer desgewenst het resultaat en bespreekt dit zo nodig na. Indien gewenst geeft de werknemer ook een thuisbehandelingsadvies. De werknemer behandelt zelfstandig klachten en draagt oplossingen aan.

De werkzaamheden dienen zoveel mogelijk dagelijks te worden uitgevoerd.

het geschil en de beslissing in eerste aanleg

7. [appellante] heeft betaling gevorderd van het te weinig aan haar betaald loon. [appellante] heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat zij vanaf de aanvang van de dienstbetrekking als haarstylist 3 dan wel als haarstylist 2 had moeten worden ingedeeld. Bovendien heeft zij geen diplomatoeslag ontvangen, zijn haar minder uren uitbetaald dan is overeengekomen en zijn haar bij het einde van het dienstverband niet de nog niet-genoten vakantiedagen uitbetaald.

7.1. [geïntimeerde] heeft de vordering betwist.

7.2. De kantonrechter heeft na het geven van een bewijsopdracht de vorderingen van [appellante] grotendeels afgewezen. [appellante] is in de kosten van de procedure veroordeeld.

de behandeling van de grieven

8. [appellante] is in grief I opgekomen tegen de afwijzing van haar vordering die - volgens de kantonrechter - erop was gebaseerd dat zij de functie van haarstylist 3 uitoefende.

8.1. [appellante] heeft in haar toelichting aangevoerd dat haar vordering niet alleen gegrond was op de stelling dat zij als haarstylist 3 had moeten worden ingedeeld en dienovereenkomstig had moeten worden betaald. Uit de toelichting in de dagvaarding blijkt dat [appellante] tevens heeft aangevoerd dat zij in elk geval als haarstylist 2, 1 dan wel 0 had moeten worden ingedeeld en conform betaald. Afhankelijk van het aantal vaktechnische handelingen dat regelmatig wordt verricht, dient een kapster als haarstylist 1, 2 of 3 te worden ingedeeld. [appellante] verrichtte alle drie de handelingen zelfstandig en bijna dagelijks. Zij plaatste bijna dagelijks dreadlocks en haarextensions bij klanten. Deze werkzaamheden zijn voorbeelden van omvormingswerkzaamheden. Zij knipte en kleurde. Op de maandagen was zij zelfs hele dagen alleen. Meer subsidiair heeft [appellante] haar eis gewijzigd in die zin dat zij vordert dat het hof voor recht zal verklaren in welke functie [appellante] behoorde te worden ingedeeld en [geïntimeerde] te veroordelen het daarmee overeenkomstig loon aan [appellante] te betalen.

9. [geïntimeerde] heeft betwist dat [appellante] in een hogere referentiefunctie had moeten worden ingeschaald. De kantonrechter behoefde zulks ook niet ambtshalve te beoordelen. [appellante] verrichtte niet de vaktechnische handelingen die het Functiehandboek voor deze hogere inschalingen vereist. [appellante] is van 2 december 2003 tot 2 december 2004 op goede gronden als salonassistente ingeschaald en betaald. Deze functie is bedoeld voor personeelsleden die al enige werkzaamheden kunnen uitvoeren, maar daarbij de nodige begeleiding behoeven.

10. Het hof constateert dat de CAO en het Functiehandboek regelen dat de werkgever een werknemer moet inschalen en op welke wijze dat moet gebeuren. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] deze verplichting jegens [appellante] op correcte wijze is nagekomen. Het hof legt op deze taak van [geïntimeerde] de nadruk om daarmee aan te geven dat [geïntimeerde] niet kan volstaan met het enkel ontkennen van de stellingen van [appellante], maar dat hij moet toelichten waarom hij [appellante] heeft ingeschaald in de referentiefunctie als hij heeft gedaan. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] deze toelichting onvoldoende heeft verstrekt.

11. Het vorenoverwogene neemt niet weg dat de vorderingen van [appellante] wat verwarrend zijn, omdat zij het in feite aan het hof overlaat haar in de juiste referentiefunctie in te schalen. Uit de door [appellante] op haar grief gegeven toelichting blijkt dat zij van mening is dat zij vanaf 2 december 2003 zo al niet in de referentiefunctie haarstylist 3 ten minste in die van haarstylist 2 had moeten worden ingeschaald, maar dat zij in elk geval een inschaling verlangt in een referentiefunctie die hoger is dan waarin zij daadwerkelijk is ingeschaald en dienovereenkomstig is betaald. Nu het hof het mindere mag toewijzen, indien het gevorderde niet maar het mindere wel komt vast te staan, zal het hof acht slaan op alle dienaangaande van belang zijnde stellingen van partijen.

12. Uit de in de CAO vermelde opbouw van de onderscheidene functies en de daarbij gegeven toelichting blijkt dat haarstylist 0 de basisfunctie betreft. Voor inschaling in een hogere referentiefunctie is naast het hebben van voldoende kennis ook het hebben van ervaring vereist. Uit de toelichting bij de vaktechnische handelingen blijkt immers dat het in deze functies niet alleen gaat om het uitvoeren van de verschillende handelingen, maar dat vooral van belang is het zelfstandig kunnen adviseren bij complexere behandelingen en het kunnen instrueren van andere werknemers.

13. [geïntimeerde] heeft [appellante] - met terugwerkende kracht - per 2 december 2003 ingeschaald in de referentiefunctie salonassistent. Voor de inschaling gedurende de periode 2 december 2003 tot 2 december 2004 is van belang dat [geïntimeerde] niet heeft betwist dat [appellante] in die periode klanten kleurde en onvoldoende heeft betwist dat [appellante] ook klanten knipte, zodat ervan moet worden uitgegaan dat zij deze kapperswerkzaamheden verrichtte. Verder moet rekening worden gehouden met het gegeven dat [appellante] in juni 2004 haar diploma heeft behaald. Uit artikel 9b van de CAO (r.o. 5.5.) blijkt dat in 1999, toen het Functiehandboek werd ingevoerd, een aankomend kapper in de referentiefunctie van haarstylist 0 moest worden ingeschaald. Er zijn geen en in elk geval onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat [appellante] in 2004 al zo in het vak bedreven was, dat zij als haarstylist 1, 2 dan wel 3 diende te worden ingeschaald.

14. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat [appellante] gedurende het tijdvak van

2 december 2003 tot 2 december 2004 in de referentiefunctie haarstylist 0 had moeten worden ingeschaald.

15. Voor het tijdvak na 2 december 2004 overweegt het hof dat voor de functie-indeling van haarstylist 1, 2 of 3 niet alleen de ervaring die een werknemer in één of meer van de in het Functiehandboek omschreven vaktechnische handelingen heeft, van belang is, maar dat ook moet vast staan dat de werknemer de betreffende werkzaamheden al dan niet (zo veel mogelijk) dagelijks verricht (r.o. 6.7.).

16. Modelvorming in de zin van de vaktechnische handeling houdt in de niet-blijvende omvorming waarbij gebruik wordt gemaakt van watergolftechnieken en bijbehorende gereedschappen. De werknemer gebruikt de inleg- en opkamtechnieken en alle voorkomende watergolfmodellen (r.o. 3.7.). [appellante] heeft als getuige in het geding in eerste aanleg erkend dat deze behandeling in de salon van [geïntimeerde] niet werd uitgevoerd.

17. Voor het kleuren van haren in de zin van de vaktechnische handeling moet niet alleen met de klant worden besproken wat deze wil, maar moeten ook de mogelijkheden van het haar in aanmerking worden genomen. Het op basis van een aanwezig kleurschema kleuren is onvoldoende om als een vaktechnische bekwaamheid in de zin van de CAO te kunnen worden aangemerkt. [appellante] heeft voldoende onderbouwd dat zij de werkzaamheden die met kleuren te maken hadden, vrijwel dagelijks uitvoerde. Uit de door de getuigen in het geding in eerste aanleg afgelegde verklaringen, kan niet en in elk geval in onvoldoende mate worden afgeleid dat zij daarbij de vereiste zelfstandigheid had in de zin als in de functieomschrijving staat vermeld.

18. [geïntimeerde] heeft betwist dat lang-haarbehandelingen in zijn salon werden uitgevoerd. Indien al juist is dat [appellante] dreadlocks en extensions heeft geplaatst, heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze werkzaamheden onder de lang-haarbehandeling in de zin van het Functiehandboek moeten worden aangemerkt en dat zij deze werkzaamheden bijna dagelijks uitvoerde.

19. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf 2 december 2004 in aanmerking komt voor inschaling in de referentiefunctie haarstylist 3 of haarstylist 2. Hoewel niet is komen vast te staan dat [appellante] inzake de kleurbehandelingen de in de functieomschrijving vereiste zelfstandigheid bezat, is evenmin gebleken dat [appellante] voor de verschillende kapperswerkzaamheden na genoemde datum nog moest worden gecontroleerd als vermeld in de referentiefunctie haarstylist 0. In art. 9b van de CAO, dat vooral relevant was toen het Functiehandboek werd ingevoerd, is geregeld dat na de referentiefunctie van haarstylist 0 die van haarstylist 1 komt en dat een tweede kapper in laatstgenoemde functie moest worden ingeschaald. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat [appellante] na 2 december 2004 in de referentiefunctie haarstylist 1 had moeten worden ingeschaald.

20. [appellante] heeft bewijs van haar stellingen aangeboden. Nu [appellante] haar stelling dat zij gedurende de gehele arbeidsovereenkomst als haarstylist 2 dan wel 3 had moeten worden ingeschaald, onvoldoende heeft onderbouwd, komt het hof aan het geven van een bewijsopdracht niet toe.

21. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat grief I ten dele slaagt.

22. Dientengevolge moet thans worden behandeld op welk bedrag [appellante] jegens [geïntimeerde] aanspraak kan maken. Bij de beoordeling van dit geschil is van belang dat gedurende de duur van het dienstverband de arbeidsomvang een aantal malen is gewijzigd. Een volledige werkweek bedraagt volgens de CAO 38 uren per week. Partijen zijn per 3 december 2003 een arbeidsduur van 32 uren per week overeengekomen. In het vonnis van 17 april 2008 heeft de kantonrechter in r.o. 7.1 en 7.4 overwogen dat als uitgangspunt moet worden genomen dat de arbeidsomvang gedurende het dienstverband van 3 december 2004 tot en met

2 december 2005 36,5 uur per week bedroeg. [geïntimeerde] werd in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de arbeidsomvang gedurende de maanden oktober, november en december 2005. Op grond van de door partijen verstrekte inlichtingen heeft de kantonrechter in r.o. 3 van het eindvonnis van 2 juli 2009 de arbeidsomvang gedurende laatstgenoemde periode vastgesteld op 35 uren per week. Nu tegen genoemde overwegingen en beslissingen aangaande de arbeidsomvang geen grief is gericht, moet in hoger beroep worden uitgegaan van een arbeidsomvang als door de kantonrechter vastgesteld. Het verschuldigde salaris moet worden verhoogd met de aan [appellante] toekomende vakantietoeslag.

23. Voorts moet bij de eindafrekening van het aan [appellante] toekomende bedrag rekening worden gehouden met de in 2005 te veel door [appellante] opgenomen verlofuren. De kantonrechter heeft in r.o. 8.3 van genoemd vonnis van 17 april 2008 dienaangaande overwogen, dat uit de specificaties blijkt dat [appellante] in 2005 40,38 meer verlofuren heeft opgenomen dan waarop zij recht had. Tegen deze overweging en beslissing is geen grief gericht.

24. De door [appellante] bij de memorie van grieven overgelegde berekeningen stemmen niet overeen met hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof zal de zaak daarom naar de rol verwijzen teneinde [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen een deugdelijke specificatie op te stellen en in het geding te brengen. [appellante] is weliswaar de eisende partij maar [geïntimeerde] heeft als werkgever de verplichting een deugdelijke specificatie op te stellen (art. 7: 626 lid 1 BW). [appellante] zal in de gelegenheid worden gesteld op deze specificatie te reageren.

25. De behandeling van de overige geschillen wordt vooralsnog aangehouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 3 januari 2012 voor het nemen van een akte door [geïntimeerde] als in r.o. 24 overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, R.A. Zuidema en M.C.D. Boon-Niks, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 6 december 2011 in bijzijn van de griffier.